Zonder enige haast of emotie stapten de beide rechercheurs op de steiger achter het politiebureau in hun oude Golf. Vledder startte de motor en reed naar de Oudebrugsteeg. Vandaar stuurde hij rechts het Damrak op. De Cock blikte opzij.
‘Heb jij het adres van Alfred van der Broek?’
‘Dat heb ik tijdens onze eerste kennismaking met die man al genoteerd… Brouwersgracht duizendnegenendertig. Ik vraag mij alleen af wat Justus van Rijsbergen bij Alfred van der Broek te zoeken had.’
De Cock glimlachte.
‘Dat is niet zo moeilijk. Volgens mij is hij vanuit ons bureau aan de Warmoesstraat rechtstreeks naar de Brouwersgracht gereden.’
‘Waarom?’
‘Om verslag te doen van het recente onderhoud met ons.’
‘En om overleg te plegen?’
De Cock knikte nadrukkelijk.
‘Absoluut.’
Vledder reageerde verrast.
‘Uitgaande van jouw standpunt, dat Justus van Rijsbergen de man was die Matthijs van Slooten opdracht gaf tot moord… betekent dit, dat ook Alfred van der Broek bij de moord op de kunstenaar was betrokken.’
De Cock bromde instemmend.
‘Ik ben alleen benieuwd,’ sprak hij daarna gniffelend, ‘hoe de sluwe Justus van Rijsbergen straks zijn bezoek aan Van der Broek motiveert.’
‘Ha, hij zal nooit toegeven dat zijn bezoek ten doel had om te overleggen wat hen beiden nu te doen staat,’ zei Vledder. De Cock schudde zijn hoofd.
‘Dat verwacht ik ook niet. Maar de dood van Alfred van der Broek brengt onze Justus toch in een lastig parket.’
‘Hoezo?’
De Cock gebaarde voor zich uit.
‘Hij zal zich ongetwijfeld afvragen wie Alfred van der Broek van het leven beroofde en wat zijn of haar motief was.’
Vledder trok rimpels in zijn voorhoofd.
‘Ik begrijp je,’ reageerde hij opgetogen. ‘Dat motief kan heel goed ook betrekking hebben op hemzelf.’
De Cock keek bewonderend opzij.
‘Dick Vledder, je gaat vooruit. Het lijkt of jouw grijze hersencellen steeds beter worden geactiveerd.’
Vledder glimlachte.
‘Dat komt door jou. Jij dwingt mij voortdurend om na te denken.’
Na een rit met weinig oponthoud parkeerde Vledder de oude Golf op de Palmgracht. Ze stapten uit en slenterden naar de Brouwersgracht. Een vijftig meter verder, voor een open toegangsdeur van perceel 1039 troffen ze de lange Justus van Rijsbergen. De man zag bleek en zijn handen trilden. Hij wees naar de open deur.
‘Hij… eh, hij ligt in zijn woonkamer,’ sprak hij hakkelend. ‘Op het parket. Morsdood. Ik hield het daarbinnen bij die dode Alfred niet uit. Een verschrikkelijk gezicht. Die open ogen en al dat bloed.’ Hij stak twee vingers tussen zijn boord. ‘Ik kreeg het benauwd. Ik ben maar naar buiten gegaan om op u te wachten.’
‘Toen u hier kwam, stond de deur open toen open?’ vroeg De Cock onverstoord.
Justus van Rijsbergen knikte.
‘Ik vond dat al vreemd. Alfred van der Broek is altijd erg zorgvuldig. Ook in zijn werk. Ik dacht eerst aan een inbraak, maar aan de deur en aan de ramen zijn geen beschadigingen te zien.’
‘U bent naar binnen gegaan?’
‘Ik heb alle lichten aangedaan. Op de schakelaars in dit huis zult u beslist mijn vingerafdrukken vinden. Maar verder heb ik niets aangeraakt. Ook de dode Alfred niet. Ik heb van een paar meter afstand naar hem gekeken… durfde niet eens dichterbij te komen. Vrijwel onmiddellijk na mijn ontdekking ben ik naar buiten gegaan en heb u met mijn mobieltje gebeld.’
De Cock gebaarde naar de deur.
‘Gaat u mee naar binnen?’
Justus van Rijsbergen schudde zijn hoofd.
‘Ik wil dat niet nog eens zien als het niet hoeft.’
De Cock keek naar het bleke gezicht van de man.
‘U mag hier niet vertrekken. Ik wil straks nog even met u praten.’
Van Rijsbergen duimde over zijn rug.
‘Mag ik in mijn auto gaan zitten?’
De Cock zwaaide met zijn hand als instemming.
Met Vledder in zijn kielzog liep de oude rechercheur de woning van Alfred van der Broek binnen. Overal brandde licht. Bijna aan het eind van een brede gang troffen ze links een half openstaande deur, die naar de woonkamer leidde. Omzichtig betraden ze het vertrek. In het midden van de kamer stond een grote ronde tafel met rondom vier comfortabele lederen fauteuils. Rechts in het vertrek, naast een van de fauteuils, lag op zijn rug Alfred van der Broek. Zijn armen lagen iets gespreid naast zijn lichaam. De handen staken klauwend omhoog. Zijn fl etsgroene ogen boven de opbollende wangen staarden wijdopen in het niets. De Cock hurkte bij hem neer en bezag de bloedvlek op het hagelwitte overhemd. Met de rug van zijn hand voelde hij even aan de wang van het slachtoffer. Daarna keek hij schuin omhoog naar Vledder.
‘Als de wonden van de kogels weer dicht bij elkaar rond het hart zijn gegroepeerd, dan heeft deze moord veel weg van de moord op Matthijs van Slooten.’
Vledder knikte.
‘Dezelfde modus operandi,’ verzuchtte hij. ‘Ook nu moet het slachtoffer zelf de toegangsdeur tot zijn woning voor zijn moordenaar of moordenares hebben opengemaakt en die persoon zonder argwaan hebben toegelaten.’
De Cock kwam weer overeind.
‘Waarschuw de meute.’
‘Dat heb ik daarnet in de Warmoesstraat de wachtcommandant al laten doen.’
De Cock knikte goedkeurend.
‘Prima. Wacht jij hier op de fotograaf, de lijkschouwer en mogelijk de dactyloscoop. Dan maak ik buiten nog even een babbeltje met Justus van Rijsbergen… voor hij er ondanks mijn verzoek toch vandoor gaat.’
De Cock verliet de woning. Geparkeerd tussen de bomen aan de rand van de gracht stond een grote zwart glimmende Peugeot 607. De oude rechercheur trok het portier van de wagen open en ging naast Van Rijsbergen zitten. De man had weer wat kleur op zijn wangen. Met een blik van verwondering keek hij naar De Cock.
‘Bent u nu al klaar met uw onderzoek?’
In zijn stem klonk ongeloof.
De Cock glimlachte.
‘Dit is pas het begin. Ik wilde u niet te lang van uw tijd beroven.’
Hij pauzeerde even.
‘Was u bevriend met Alfred van der Broek?’
Van Rijsbergen schudde zijn hoofd.
‘Alfred van der Broek was niet meer dan een collega. Niet erg gezien onder het personeel, maar een prima kracht. Alfred had zich ziek gemeld. Omdat ik in de Warmoesstraat toch dicht bij hem in de buurt was, besloot ik om even naar hem toe te gaan om te zien hoe het met hem ging.’
De Cock glimlachte.
‘U hebt het gezien. Alfred van der Broek kunt u straks op het veilinghuis met volle overtuiging van de lijst van medewerkers schrappen.’
Van Rijsbergen draaide zich met een ruk naar hem toe. Zijn blauwe ogen fl itsten.
‘Dat is een onkiese, een onbetamelijke opmerking,’ sprak hij zwaar snuivend. ‘Ik had van een man van uw kaliber meer egards verwacht.’
De Cock trok achteloos zijn schouders op.
‘Het is onzinnig om een dode werknemer op de loonlijst te laten staan.’
Het gezicht van Justus van Rijsbergen kleurde felrood.
‘Ik zal mij over uw gedrag… uw uitlatingen bij de offi cier van justitie beklagen.’
De oude rechercheur grijnsde breed.
‘U kent mijn naam en weet hoe u die moet spellen… De Cock, met ceeooceekaa.’
Van Rijsbergen ademde diep.
‘Ik wil dat u mijn wagen verlaat.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik ben nog niet klaar met u. Ik acht het als mijn plicht u een paar zaken in overweging te geven.’
Van Rijsbergen klemde even zijn lippen opeen.
‘Daar sta ik niet voor open. U behoeft mij geen zaken in overweging te geven.’
De Cocks gezicht stond ernstig.
‘Toch wel. En ik raad u aan even goed naar mij te luisteren. Ik zeg dit zonder enige schroom. Ik verdenk u ervan de moord op Peter Karstens te hebben beraamd. Ik kan die verdenking niet onderbouwen. Ik heb daarvoor geen afdoende bewijs… nog niet.’
‘Onzin.’
De Cock negeerde de opmerking.
‘Ik ben er vrijwel van overtuigd, dat Alfred van der Broek van uw plannen inzake Peter Karstens op de hoogte was. Ik beken het u ruiterlijk… ook deze overtuiging is niet op feiten gebaseerd.’
Van Rijsbergen gromde.
‘Wat kletst u dan?’
De Cock ging onverstoorbaar verder.
‘Alfred van der Broek is dood… vermoord. Ik kwalifi ceer die moord als een wraakactie van iemand die zijn en uw plannen inzake Peter Karstens kende.’
De oude rechercheur zweeg even voor het effect.
‘Realiseert u zich,’ sprak hij met grote stelligheid, ‘dat degene die Alfred van der Broek vermoordde, vermoedelijk ook uw dood op het oog heeft. Ik geef u in overweging deze zaken te overdenken. Leg nu, in ieder geval vandaag nog, een bekentenis bij mij af. Het is wellicht de enige mogelijkheid om uw leven te redden.’
Justus van Rijsbergen startte de motor van zijn Peugeot.
‘Ik verzoek u nogmaals mijn auto te verlaten. Ik heb lang genoeg naar uw wartaal geluisterd.’
De Cock keek de man van terzijde aan.
‘U bent gehuwd?’
‘Ja.’
De Cock deed het portier open en zette één been buiten de wagen.
‘Ik hoop,’ sprak hij ernstig, ‘dat u uw nalatenschap afdoende hebt geregeld.’
Nadat Justus van Rijsbergen met zijn Peugeot 607 kwaad van de Brouwersgracht was weggereden, liep De Cock terug naar de woning van Alfred van der Broek. Hij vond Vledder in de woonkamer. De jonge rechercheur doorzocht diep voorovergebogen de inhoud van een ouderwetse secretaire. De Cock blikte om zich heen. Tot zijn verbazing was het lijk al uit de kamer verdwenen. Hij liep op Vledder toe.
‘Dat heb je snel gedaan,’ sprak hij bewonderend. De jonge rechercheur kwam overeind en draaide zich glimlachend om.
‘Iedereen had haast. Bram van Wielingen was in een paar minuten klaar met zijn foto’s en dokter Den Koninghe nam na de lijkschouwing niet eens de tijd om zijn bril zorgvuldig schoon te maken.’
De Cock lachte.
‘De lijkschouwer heeft toch wel tegen je gezegd dat het slachtoffer was overleden?’
Vledder grinnikte.
‘Verder dan: hij is dood, kwam hij niet.’
‘Tijdstip van overlijden.’
‘De dokter schatte dat het slachtoffer slechts enkele uren dood was.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Heeft hij de ogen van het slachtoffer gesloten?’
Vledder knikte.
‘Dat was het eerste wat hij deed.’
‘Heeft hij in de borst de kogelwonden bekeken?’
Vledder knikte weer.
‘Drie. Ze zaten net zo dicht bij elkaar als bij het lijk van Matthijs van Slooten.’
De jonge rechercheur keek op zijn horloge.
‘Ik moet er als de bliksem vandoor.’
‘Waarheen?’
Vledder gebaarde.
‘Naar het sectielokaal op Westgaarde. Vanmiddag om twee uur doet dokter Rusteloos de gerechtelijke sectie op het lijk van Matthijs van Slooten. Als ik jou eerst naar de Kit breng, kom ik te laat.’
‘Oké dan. Heb je de sleutels van dit pand gevonden?’
Vledder tastte in een zijzak van zijn leren jack en gaf De Cock een sleutelbos.
‘Ik heb de voordeur nog niet geprobeerd. Maar de sleutel van deze secretaire zit aan de bos.’
De Cock zwaaide naar de deur.
‘Ga jij maar. Ik sluit wel af en wandel op mijn gemak terug naar de Kit.’
Vledder sloeg plotseling met zijn hand tegen zijn voorhoofd. De Cock keek hem onderzoekend aan.
‘Wat is er?’
‘Ben ik vergeten.’
‘Wat?’
‘Jij had vanmorgen al bij Buitendam moeten komen.’
De Cock klopte op de deur van de kamer van de commissaris. Zonder op reactie te wachten deed hij de deur open en stapte naar het bureau van commissaris Buitendam. Daar bleef hij staan… zijn kin omhoog en zijn voeten iets uit elkaar. De lange statige chef van het politiebureau aan de Amsterdamse Warmoesstraat keek hem aan en strekte zijn rug.
‘De Cock,’ sprak hij geaffecteerd, ‘ik had je vanmorgen al bij mij op de kamer verwacht.’
De oude rechercheur knikte.
‘Dat was inderdaad ook de bedoeling. Maar de laatste dagen zijn voor Vledder en mij nogal stormachtig verlopen. We zijn verwikkeld in een onderzoek naar maar liefst drie afschuwelijke moorden.’
Commissaris Buitendam schudde zijn hoofd.
‘Dat is geen excuus.’
De Cock voelde hoe de woede in zijn aderen kroop. Het gebrek aan aandacht voor het werk waarmee hij en Vledder bezig waren kwelde hem. Om zijn woede te onderdrukken balde hij zijn vuisten zo krachtig, dat zijn nagels in de palmen van zijn handen drukten.
‘Als chef,’ sprak hij zacht, ‘zou ik de hoge werkdruk wel als excuus aanvaarden.’
Buitendam wuifde het onderwerp weg.
‘Gisteren al ben ik door de offi cier van justitie benaderd in verband met jouw weigering om aan de heer Van Eldersloo zijn eigendom af te staan.’
De Cock keek de commissaris meewarig aan.
‘Een schilderij, een Renoir, behorende tot de nalatenschap van de vermoorde kunstschilder Peter Karstens.’
Buitendam spreidde zijn handen.
‘De heer Van Eldersloo is een gewaardeerd burger van ons land… eigenaar van het gerenommeerde veilinghuis Brilliance of Art in onze stad. Waarom zou die man zijn eigen schilderij niet mee mogen nemen?’
‘Omdat ik het vermoeden heb, dat het veilinghuis Brilliance of Art zeer nauw betrokken is bij de moorden die ik in onderzoek heb.’
Commissaris Buitendam glimlachte.
‘Als ik goed ben geïnformeerd, heb jij daar nog geen enkel bewijs voor.’
De Cock trok zijn gezicht strak.
‘Wie heeft u geïnformeerd?’ vroeg hij achterdochtig. Buitendam wees naar zijn telefoon
‘Onze offi cier van justitie.’
‘En van wie heeft hij zijn informatie?’ vroeg De Cock fi jntjes. Buitendam trok zijn schouders op.
‘Dat weet ik niet.’
‘Ik wel! Dat is diezelfde heer Van Eldersloo.’
Het klonk triomfantelijk.
‘Ik heb het moeilijk met jou, De Cock,’ verzuchtte de commissaris. ‘Jij zult, vrees ik, toch van gedrag moeten veranderen. Nog geen halfuur geleden had ik opnieuw onze offi cier van justitie aan de lijn.’
‘En?’
‘Weer met een klacht over jouw optreden.’
De Cock glimlachte.
‘Wie heeft hem nu weer een oor aangenaaid?’
‘Dat is een respectloze opmerking!’ reageerde Buitendam fel.
‘Offi cieren van justitie worden geen oren aangenaaid.’
De Cock maakte een verontschuldigend gebaar.
‘Bij wie,’ verbeterde hij, ‘heeft hij zijn oor te luisteren gelegd?’
Buitendam keek naar een notitie op zijn bureau.
‘Ene heer Justus van Rijsbergen. Jij hebt, zo luidt zijn klacht aan de offi cier, over zijn vermoorde collega Van der Broek onbetamelijke opmerkingen gemaakt. Bovendien heb jij genoemde heer Van Rijsbergen zonder enige grond van moord beticht.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik heb gezegd dat de dode heer Van der Broek van de loonlijst kon worden geschrapt. Dat is geen onbetamelijke opmerking, maar een logisch advies. Verder heb ik de heer Van Rijsbergen naar eer en geweten aangeraden om vandaag nog een bekentenis af te leggen… als enige mogelijkheid om zijn leven te redden. En als het pogen een mensenleven te redden ook al een laakbare handeling is, dan vraag ik mij af welke normen en waarden onze offi cier van justitie met zijn gewillige en gevoelige oren hanteert.’
Commissaris Buitendam kwam met een wilde ruk uit zijn stoel overeind. Zijn gezicht zag rood en zijn handen trilden. Bevend strekte hij zijn rechterarm naar de deur.
‘Eruit.’
De Cock ging.