3

De Cock nam haar zacht dwingend vanuit de gang mee naar de grote recherchekamer. Hij zwiepte zijn oude hoedje missend naar de kapstok, leidde haar naar de stoel naast zijn bureau en liet haar plaatsnemen.

Met zijn regenjas nog aan ging hij achter zijn bureau zitten. Achteroverleunend keek hij haar scherp onderzoekend aan. Hij wachtte geduldig tot ze wat rustiger werd en boog zich daarna vertrouwelijk naar haar toe.

‘Je wist het al?’ vroeg hij vriendelijk.

Maria schudde haar hoofd. Haar lange zwarte haren golfden over haar schouders.

‘Ik vermoedde het.’

‘Waarom?’

Maria verschoof iets op haar stoel.

‘Peter liet zijn hond altijd ’s avonds om elf uur voor de laatste maal uit. De afspraak was, dat ik hem daarna nog even zou bellen… voor het contact… om elkaar goedenacht te wensen.’

De Cock knikte traag.

‘Ik begrijp het. Jij belde maar Peter nam de telefoon niet op.’

Ze schudde opnieuw haar hoofd.

‘Nee. Peter reageerde niet. Ik heb het steeds opnieuw geprobeerd… met kleine tussenpozen. Na de vijfde poging groeide in mij de absolute zekerheid dat er iets ernstigs met hem was gebeurd.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Toen ben je naar de Warmoesstraat gestapt.’

Maria liet haar hoofd iets zakken.

‘Ik wist dat Peter voor vanavond een afspraak met u had gemaakt.’

‘Je weet ook waarom?’

Ze knikte.

‘Om over zijn angst te spreken.’

De Cock hield zijn hoofd iets schuin.

‘Jij kende die angst?’

Maria zuchtte diep.

‘Peter was bang dat hem iets zou overkomen. Hij had signalen opgevangen dat men hem van het leven wilde beroven. Omdat hij er ernstig rekening mee hield dat ook ik daarbij betrokken zou kunnen raken, heeft hij tijdelijk een appartementje voor mij gehuurd op het Prinseneiland… weg, zoals hij dat noemde, uit de gevarenzone.’

‘Tijdelijk,’ vulde De Cock aan, ‘tot de dreigende wolken aan de horizon waren verdwenen.’

‘Precies.’

De Cock spreidde zijn handen.

‘Dat heeft Peter mij vanavond verteld. Maar wat hij mij niet vertelde was… uit welke hoek dat gevaar dreigde. Hoe de dreigende wolken contouren hadden gekregen. Hij wilde daar absoluut niets over kwijt. Hij weigerde ook iedere vorm van bescherming.’

Om de fraaie lippen van Maria gleed een matte glimlach.

‘Zo is, zo was Peter. Ook ik heb hem dikwijls om opheldering gevraagd, maar nooit uitleg gekregen. Dat weigerde hij pertinent. Hij zei altijd: waarom zou ik jou met mijn zorgen opzadelen?’

De Cock keek haar secondelang zwijgend aan.

‘Maria,’ sprak hij zacht, bijna fl uisterend, ‘ik weet niets van je. Ik heb nooit een woord met je gesproken. Ik heb je, wanneer ik Peter op de Noordermarkt bezocht, een paar maal in het halfduister bij kaarslicht ontmoet… en je schoonheid bewonderd.[3] Maria, maar ik weet niet eens hoe je verder heet.’

Ze schonk hem een glimlach.

‘Van Overloon… Maria van Overloon.’

‘Hoe jong ben je?’

Er gleed een grijns over haar gezicht.

‘U bedoelt hoe oud ik ben… tweeëndertig.’

‘Hoe lang was je met Peter samen?’

Maria van Overloon beet even op haar onderlip.

‘Ruim vijftien jaar. Ik was zeventien toen ik, tot paniek van mijn ouders, smoorverliefd bij hem introk.’

Ze zweeg even. Ook De Cock bleef verzonken in zijn eigen gedachten. Ineens keek ze weer op.

‘Sindsdien heb ik genoten van elke dag, elk uur en elke minuut die ik in zijn nabijheid was.’

De Cock knikte traag.

‘Ik begrijp dat.’

Maria ademde diep.

‘Hoe… eh, hoe stierf Peter?’

De Cock maakte een hulpeloos gebaar.

‘Snel, heel snel. Hij heeft niet geleden. Iemand schoot hem van dichtbij een paar kogels in zijn borst.’

‘Hij was direct dood?’

‘Vrijwel.’

‘Waar is de hond nu?’

Om tijdwinst wreef De Cock zich even in zijn nek.

‘De leonberger,’ sprak hij aarzelend, ‘moet om zijn baas te beschermen de moordenaar of moordenares in woede zijn gevolgd. Ik neem aan dat de dader door de actie van de hond is geschrokken. Wellicht heeft de hond hem gebeten. Er zat bloed in zijn bek. In ieder geval werd het dier met een paar kogelschoten afgemaakt.’

Maria kneep haar lippen samen.

‘Schoft.’

De Cock streek met zijn vlakke hand over zijn brede kin.

‘Vanavond, eh… Peter vroeg mij vanavond om persoonlijk het rechercheonderzoek te doen wanneer er iets met hem zou gebeuren. Ik heb hem uiteraard die toezegging gedaan. Ik beschouwde Peter als mijn vriend.’

Maria keek naar hem op.

‘Geloof me… dat was wederkerig. Peter was erg op u gesteld. Hij begreep alleen niet — zo drukte hij zich uit — dat een beslist intelligente kerel er zich ervoor leende om dat stomme politiewerk te doen.’

Om de lippen van De Cock dartelde een vage glimlach.

‘Peter was een kunstenaar. De rechtlijnigheid van wetten was Peter een gruwel.’

De oude rechercheur pauzeerde even en zuchtte.

‘Maria, ik beloof je,’ ging hij ernstig verder, ‘dat ik alles zal doen om de mensen die verantwoordelijk zijn voor zijn dood te ontmaskeren.’

Hij maakte een hulpeloos gebaar.

‘Maar ik sta met lege handen. Ik heb geen enkel aanknopingspunt naar de dader, of naar de mensen die mogelijk een opdracht tot die moord hebben gegeven.’

De oude rechercheur boog zich nog dichter naar haar toe.

‘Maria,’ sprak hij bijna smekend, ‘jij móét toch iets weten, je moet toch íéts hebben vermoed?’

Ze schudde haar hoofd.

‘Ik heb geen fl auw idee voor wie of wat Peter bang was en wie hem bedreigde. Ik kan mij geen incidenten voor de geest halen die daarop kunnen duiden.’

De Cock gebaarde heftig.

‘Maar voor Peter,’ sprak hij geëmotioneerd, ‘was het gevaar reeel, heel wezenlijk.’

‘Dat is ook de reden,’ sprak Maria nadrukkelijk, ‘dat hij niet wilde dat ik nog langer op de Noordermarkt verbleef.’

De Cock kneep zijn ogen even dicht.

‘De gevarenzone.’

Maria liet haar hoofd zakken. Haar lange zwarte haren gleden als een gordijn voor haar gezicht. Toen ze opkeek had ze tranen in haar ogen.

‘Gevarenzone,’ lispelde ze zacht. ‘Gevarenzone voor Peter en mij. Hij heeft dat goed ingeschat. Maar Peter is dood en ik leef.’

‘Dankzij hem.’

‘Ja.’

De Cock spreidde zijn handen.

‘Je moet verder, zonder hem. Als knappe jonge vrouw moet dat lukken.’

Om haar volle lippen dwarrelde een grijns.

‘Dat betwijfel ik.’

De Cock waagde nog een laatste poging om uit de impasse van zijn verhoor te raken.

‘Wat… eh, wat deed Peter de laatste tijd?’

Maria trok haar schouders iets op.

‘Wat hij altijd heeft gedaan… intens… met hartstocht en liefde schilderen… duplicaten maken van schilderijen die als kunstwerken te boek staan.’

‘En daar is een markt voor?’

‘Absoluut.’

Ze zweeg en De Cock vroeg niet verder.

Na enige tijd kwam ze langzaam uit haar stoel overeind, trok haar rok recht en gleed met kammende vingers door haar lange haren.

De Cock stond ook op.

‘Hoe ben je hier gekomen?’

‘Te voet.’

‘Vledder brengt je naar huis.’

Maria stapte dichter op hem toe.

‘Heeft Peter jou dat schilderij nog gegeven?’

‘Een fraaie Monet,’ sprak De Cock stralend. ‘Volgens mij de beste Franse impressionist. Ik ben er erg blij mee. Ik zal hem op een passende wijze laten inlijsten.’

Maria van Overloon glimlachte.

‘Doe dat. Bekijk het doek zorgvuldig. Peter kende jouw liefde voor Monet. Hij heeft het speciaal voor jou geschilderd en er erg zijn best op gedaan. Het is, volgens hem, nog beter dan het origineel.’

Met zijn handen diep in de zakken van zijn regenjas slenterde De Cock de volgende morgen over het brede trottoir van het Damrak. Hij was, komend van huis, op het Stationsplein uit de tram gestapt en volgde de stroom wandelaars in de richting van de Dam.

Een felle zuidwesterstorm was na enkele verwoestende uren in de nanacht weer gaan liggen. Windvlagen hadden de laatste regenwolken naar het noordoosten verjaagd. De hemel was strakblauw en een vriendelijk laaghangend zonnetje toverde goud op de geveltjes.

De Cock schoof zijn vilten hoedje ver naar achteren en blikte schuin omhoog. Links over het water lagen de achtergevels van de Warmoesstraat in de schaduw.

Bij de Oudebrugsteeg sprintte hij voor een aanstormende tramtrein van lijn 9 de rijbaan van het Damrak over. Een jong, hem tegemoetkomend hoertje lachte vrijuit. De Cock in draf was een koddig gezicht.

De oude rechercheur blies hijgend de lucht uit zijn longen en krulde zijn lippen in een zoete grijns. In het voorbijgaan lichtte hij beleefd zijn hoedje voor haar en slenterde verder langs de schippersbeurs naar de Warmoesstraat.

Hoe dichter hij bij het politiebureau kwam, hoe scherper de werkelijkheid tot hem doordrong, dat hij de avond tevoren een vriend had verloren. Gedurende de nacht had die gedachte hem niet gekweld, maar nu, met de uitgesleten stoep van het politiebureau aan zijn voeten, drong het besef tot hem door dat de dood van Peter Karstens hem voor een vrijwel onmogelijke opgave had geplaatst. Met een sombere trek op zijn gezicht liep hij in de hal aan de wachtcommandant voorbij en besteeg de stenen trappen naar de tweede etage.

Toen De Cock de grote recherchekamer binnenstapte, liet Vledder zijn rappe vingers op het toetsenbord van zijn computer rusten. Hij keek op.

‘Je bent laat,’ riep hij bestraffend.

De Cock schonk hem een droeve glimlach.

‘Beneden voor de stoep van het bureau had ik zelfs de neiging om helemaal niet te komen.’

Vledder knikte begrijpend.

‘De dood van Peter Karstens… je ziet tegen die vervelende klus op.’

‘Beslist.’

Vledder gebaarde naar de telefoon.

‘Ik heb al contact gehad met dokter Rusteloos. De sectie is vanmiddag om twee uur. Hij had er geen enkel bezwaar tegen om ook de hond bij zijn onderzoek te betrekken.’

‘Ik had niet anders verwacht.’

Vledder keek hem schuins aan.

‘Wil jij vanmiddag naar de gerechtelijke sectie op het lijk van Peter Karstens?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik voel er weinig voor om een verdere ontluistering van zijn lijf bij te wonen.’

Vledder keek zijn oude mentor onderzoekend aan.

‘Het zit je wel diep.’

De Cock gromde.

‘In ons werk zijn de meeste slachtoffers anoniem. Er is vrijwel nooit sprake van een persoonlijke betrokkenheid. Dit is anders.’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Dit is niet anders,’ reageerde hij scherp. ‘Voor ons niet. Moord is moord. Dat het slachtoffer jouw vriend was, mag geen rol spelen. Onze inzet kan en mag niet anders zijn. Ik wil dat je…’

De jonge rechercheur stokte. Er werd met kracht op de deur van de grote recherchekamer geklopt. Vledder strekte zijn rug en riep:

‘Binnen!’

Het klonk wat geïrriteerd.

In de deuropening verscheen de gestalte van een corpulente, tamelijk forsgebouwde man. De Cock schatte hem op achter in de veertig. Hij droeg een lichtgrijs gestreept kostuum. Met dreunende tred kwam hij naderbij.

Voor de bureaus van de beide rechercheurs bleef hij wat uitdagend staan.

‘Wie van u is rechercheur De Cock?’ vroeg hij hooghartig. De oude rechercheur reageerde niet. Hij keek omhoog en bezag het rode, ronde gezicht van de man. Zijn blik bleef rusten op de bijna achter opbollende wangen verscholen ogen… hard, kil en fl etsgroen.

‘Goedemorgen.’

De man zwaaide in zijn richting.

‘Bent u rechercheur De Cock?’

De grijze speurder knikte.

‘De Cock met… eh, met ceeooceekaa. Inschattend acht ik u een man die graag klachten schrijft. Het is mijn wens dat u mijn naam in zo’n geval goed spelt.’

De man reageerde niet. Hij wees naar de stoel naast het bureau van De Cock.

‘Kan ik daar gaan zitten?’

De Cock neeg zijn hoofd minzaam.

‘Als u ons openbaart wie u bent,’ sprak hij vriendelijk, ‘mag u daar gaan zitten.’

De man nam plaats en ademde diep.

‘Ik ben Alfred… Alfred van der Broek. Ik ben een medewerker van het veilinghuis Brilliance of Art hier in Amsterdam aan de Lijnbaansgracht.’

De Cock schoof zijn onderlip iets naar voren.

‘Een fraaie naam… Brilliance of Art.’

Alfred van der Broek wuifde de opmerking weg.

‘Ik was een uurtje geleden op de Noordermarkt bij het atelier van Peter Karstens. Het was gesloten. Een oudere man zag mij aan de deur morrelen. Hij kwam naar mij toe en vertelde dat er gisteravond op Peter Karstens was geschoten.’

‘Dat klopt.’

‘De man zei dat rechercheur De Cock van het bureau Warmoesstraat vermoedelijk de leiding van het onderzoek had. Hij had u gisteravond op de Noordermarkt aan het werk gezien.’

De oude rechercheur glimlachte.

‘Ook dat klopt.’

‘Hoe is het met hem?’

‘Met wie?’

‘Peter Karstens.’

‘Hij is dood.’

Van der Broek snoof.

‘Dat komt ons slecht uit.’

De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

‘Is dat uw enige reactie? Het bericht van zijn dood schokt u niet?’

Van der Broek schudde zijn hoofd.

‘Als iemand op hem heeft geschoten,’ sprak hij koel, ‘dan kan dat zijn dood betekenen. Ik herhaal wat ik u al zei: het komt ons slecht uit.’

De Cock keek hem vragend aan.

‘Wilt u mij dat nader uitleggen?’ vroeg hij scherp. Alfred van der Broek schraapte zijn keel.

‘Ons veilinghuis deed veel zaken met Peter Karstens. Hij is… was… een begenadigd kunstenaar. Wij veilden veel van zijn werken. De heer Karstens eiste altijd geld van ons voor hij aan de slag ging. Dat hebben wij steeds ingewilligd. Wij hebben kortgeleden voor een nieuwe serie schilderijen nog een aanzienlijk bedrag aan hem overgemaakt, maar sindsdien hebben wij nog geen doek van hem ontvangen.’

‘En nu?’

Van der Broek maakte een berustend gebaar.

‘Ik zeg u nogmaals: zijn overlijden komt ons slecht uit. Het wordt een gevoelige verliespost. We kunnen Peter Karstens niet meer tot leven wekken om zijn werk af te maken. Dood is onomkeerbaar.’

‘Hebt u enig idee wie wel belang had bij zijn dood?’

De man van het veilinghuis antwoordde niet direct. Zijn kille, fl etsgroene ogen bleven op De Cock gericht.

‘Peter Karstens was niet brandschoon.’

‘Hoe bedoelt u dat?’

Van der Broek trok een grijns.

‘Hij was ook een geniaal vervalser.’

‘Inderdaad.’

Van der Broek keek hem verrast aan.

‘Dat is u bekend?’

‘Al jaren,’ zei De Cock.

Van der Broek verschoof iets op zijn stoel.

‘Is… eh, is het niet denkbeeldig,’ sprak hij hakkelend, ‘dat iemand die in de overtuiging leeft dat hij een kostbare oude meester in zijn bezit heeft, tot de ontdekking komt dat hij een vrijwel waardeloze vervalsing aan zijn muur heeft hangen?’

De Cock gleed met zijn pink over de rug van zijn neus.

‘En dan uit woede de vervalser neerschiet?’

‘Dat bedoel ik.’

De Cock keek de man schattend aan.

‘Kent u iemand?’

Alfred van der Broek aarzelde.

‘In het huis van mijn directeur, Paul van Eldersloo, in Blaricum hangt een valse Renoir aan de muur.’

Загрузка...