9

De Cock schoof met een verveeld gezicht het beduimelde fototje van zich af.

‘Justus van Rijsbergen,’ verzuchtte hij, ‘inkoper van het veilinghuis Brilliance of Art. Hoe pakken we die vent aan? In feite hebben we niets. Die foto is geen enkel bewijs. De man staat er alleen op. Voor het feit dat hij op dat terras in gezelschap was van Matthijs van Slooten, hebben we alleen de verklaring van Barbara van Tollebeek.’

Vledder knikte.

‘Dat is waar.’

Vledder gebaarde voor zich uit.

‘Besef je, dat dit nu al de derde man van veilinghuis Brilliance of Art is met wie wij te maken krijgen. Alfred van der Broek, directeur Paul van Eldersloo en nu inkoper Justus van Rijsbergen. Het wordt tijd dat wij dat veilinghuis eens van dichtbij gaan bekijken.’

De Cock ging er niet op in.

‘Justus van Rijsbergen had hooglopende ruzie met de kunstschilder Peter Karstens. Dat weten we. Maar waarover die ruzie ging, de oorzaak van het geschil, dat kon of wilde Maria van Overloon ons niet vertellen. Achteraf herinnert ze zich alleen dat Peter Karstens, nadat Justus van Rijsbergen woedend uit zijn atelier was vertrokken, met een rood hoofd opmerkte…’

Vledder interrumpeerde lachend. ‘Die vent is een boef.’

De Cock grijnsde.

‘En daar moeten we het dan mee doen. Uit niets blijkt waarop die kwalifi catie “boef” is gebaseerd.’

Hij keek naar Vledder op.

‘Heb je hem al nagetrokken?’

‘Wie?’

‘Die Justus van Rijsbergen.’

‘Ja, zeker, maar Justus van Rijsbergen komt in onze administratie niet voor. Bij ons staat hij dus niet als “boef” te boek. Ook de beide andere heren van Brilliance of Art hebben een ongeschonden status.’

De Cock grinnikte.

‘Wij zouden hun op basis hiervan zonder enig bezwaar een bewijs van goed gedrag kunnen geven.’

Vledder moest er smalend om lachen.

‘Ik heb voor zo’n bewijs van goed gedrag wel enige bedenkingen. Ik heb zo het gevoel dat die drie heren van het veilinghuis heel nauw bij de moord op Peter Karstens zijn betrokken.’

‘Dat gevoel bekruipt mij ook,’ sprak De Cock traag. ‘Hoe bewijzen we dat?’

‘Dat zou jij moeten weten, De Cock. Jij bent een oude rot in het recherchevak.’

Er gleed een brede grijns over het gezicht van De Cock.

‘Dat is,’ gniffelde hij, ‘geen garantie voor het oplossen van een moord.’

‘Dacht ik.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Maar in verband met het fotootje van Barbara,’ sprak hij ernstig, ‘zullen we die Justus van Rijsbergen toch stevig moeten benaderen.’

Vledder knikte.

‘En denk eens aan de hoogoplopende ruzie tussen hem en Peter Karstens. Het kan voor Van Rijsbergen wel eens de aanleiding zijn geweest om zich met Matthijs van Slooten in verbinding te stellen.’

De Cock vulde aan:

‘Om met hem samenzwerend een doodvonnis over Peter Karstens uit te spreken.’

‘Dat zou best wel eens kunnen,’ zei Vledder.

De Cock trok een bedenkelijk gezicht.

‘Ik vond de reactie van Maria van Overloon vanmorgen opmerkelijk. Toen ik haar dat fotootje toeschoof verbleekte ze. De confrontatie met een afbeelding van die Justus van Rijsbergen bracht meer emoties bij haar teweeg dan ik had verwacht.’

Vledder keek hem vragend aan.

‘Jij bedoelt dat Maria vermoedelijk meer van die ruzie met Van Rijsbergen weet dan de simpele opmerking van Peter Karstens: “die man is een boef”.’

De Cock wreef zich even achter in zijn nek.

‘Die gedachte kwam bij mij boven toen ik haar gelaatsexpressies observeerde. Volgens mij steekt er achter de relatie tussen Peter Karstens en Justus van Rijsbergen meer dan een simpele ruzie.’

Vledder keek hem schuins aan.

‘Zouden de bedreigingen waar Peter Karstens over sprak van zijn kant zijn gekomen?’

‘Mogelijk.’

Vledder kwam half uit zijn stoel overeind.

‘Zullen we naar hem toe gaan?’

‘Naar Justus van Rijsbergen?’

‘Ja.’

‘Heb je zijn adres?’

Vledder knikte.

‘Hij staat gewoon in het telefoonboek,’ zei Vledder. ‘Justus van Rijsbergen, antiquair, Herengracht elfhonderdzevenentwintig.’

De Cock weifelde. Na luttele seconden beduidde hij Vledder om weer te aan zitten.

‘Ik ontmoet die man liever op mijn terrein. Bel hem maar en vraag of hij zich over een uurtje bij ons aan de Warmoesstraat wil vervoegen.’

Vledder keek hem onderzoekend aan.

‘En als dat voor hem aanleiding is om te vluchten?’

‘Vluchten,’ sprak De Cock, ‘is schuld bekennen.’

‘Hoe omkleed ik de redenen van ons verzoek?’

De Cock perste zijn lippen opeen.

‘Uitleg over de ruzie met Peter Karstens. Een uitleg die wij telefonisch niet accepteren.’

Vledder glimlachte.

‘Word jij autoritair?’

‘Dat was ik al.’

De lange slanke man die zonder te kloppen de deur opende en de grote recherchekamer binnenstapte, maakte een keurige indruk. Hij droeg een zwarte Eden-hoed, een donkerblauwe, iets glanzende regenjas, waaronder een witzijden sjaal. Met de punt van zijn zwarte ingevouwen paraplu tikte hij bij elke stap even op het balatum.

Bij het bureau van de grijze speurder bleef de man staan en nam met een elegante zwaai zijn hoed af. De Cock bezag zijn lang, smal gezicht, waarin een paar tintelende blauwe ogen. Met zijn iets terugwijkende zwarte haren, licht grijzend aan de slapen, schatte de oude rechercheur hem op achter in de veertig. De man maakte een lichte buiging in de richting van de grijze speurder.

‘Mister Die Cock… I presume?’

Het klonk spottend.

De oude rechercheur keek zwijgend omhoog en liet daarna zijn blik langs de gestalte van de man glijden. Vervolgens wees hij met een hoffelijk gebaar naar de stoel naast zijn bureau.

‘Neemt u plaats,’ sprak hij op beminnelijke toon. ‘Het is voor mij wat moeilijk om vanuit mijn stoel continu omhoog naar uw rijzige gestalte te kijken.’

Hij schonk de man zijn vriendelijkste glimlach en vervolgde zijn openingsceremonie.

‘Mijn naam is De Cock. De Cock met… eh, met ceeooceekaa. Hij wees voor zich uit. ‘En dat is mijn collega Vledder. Wij verheugen ons erop dat u aan ons verzoek hebt willen voldoen.’

De lange man ging zitten, knoopte zijn regenjas los en legde zijn fraaie hoed op zijn knieën.

‘U kent mijn naam,’ sprak hij geaffecteerd. ‘Justus van Rijsbergen. En uit uw telefoongesprek heb ik begrepen dat u uitleg wenst over de meningsverschillen die ik had met wijlen Peter Karstens.’

De Cock knikte.

‘We hebben sinds kort ervaren, dat u met hem op gespannen voet leefde.’

Van Rijsbergen glimlachte.

‘Op gespannen voet is te zwaar uitgedrukt voor de geringe meningsverschillen die zo nu en dan tussen Peter Karstens en mij optraden.’

‘Wat waren die geringe meningsverschillen?’

Van Rijsbergen boog even in de richting van De Cock.

‘Ik weet, dat mijn collega Alfred van der Broek u daarover al uitgebreid heeft geïnformeerd. Peter Karstens eiste van ons veilinghuis altijd betalingen vooraf… vooruit. Wij geraakten daardoor vaak in een netelige positie.’

‘Hoezo?’ vroeg de Cock argeloos.

Van Rijsbergen zuchtte.

‘Peter Karstens kwam zijn verplichtingen jegens ons niet altijd even nauwgezet na. Vaak moest ons veilinghuis maandenlang na de afgesproken datum wachten op de levering van de door ons reeds betaalde schilderijen.’

‘Was dat de enige bron van verwijdering?’

‘Er is in al die jaren nooit sprake geweest van enige verwijdering,’ sprak Van Rijsbergen afgemeten. ‘Tot aan zijn macabere dood aan toe was er een prettige verstandhouding tussen ons veilinghuis en Peter Karstens.’

De Cock glimlachte.

‘Behalve dan dat Peter Karstens door zijn plotselinge dood zijn verplichtingen jegens uw veilinghuis niet heeft kunnen nakomen.’

Van Rijsbergen trok zijn smalle gezicht in een ernstige plooi.

‘De schuld ligt uitsluitend bij zijn moordenaar. Als Karstens was blijven leven, dan was hij zijn verplichtingen, zoals altijd in het verleden, wel nagekomen.’ Hij pauzeerde even voor het effect. ‘Zij het dan met de gebruikelijke vertragingen.’

De Cock streek langzaam met zijn pink over de rug van zijn neus.

‘Peter Karstens noemde u bij gelegenheid een boef,’ zei hij. Van Rijsbergen lachte gemaakt vrolijk.

‘Het taalgebruik van Peter Karstens was niet altijd even genuanceerd. Zijn kwalifi caties blonken vaak uit door overdreven accenten.’

De Cock gniffelde.

‘Boef was zo’n overdreven accent?’

‘Absoluut.’

De Cock liet het onderwerp rusten.

‘Kent u… eh, kent u Matthijs van Slooten?’

Van Rijsbergen kneep zijn ogen halfdicht.

‘Matthijs van Slooten,’ herhaalde hij peinzend. ‘Die naam komt mij bekend voor.’

‘In welk verband?’

Van Rijsbergen gleed met zijn vingertoppen over zijn voorhoofd.

‘Nu moet ik eens even denken.’

De Cock keek hem strak aan.

‘U bent met hem gezien hier in Amsterdam op het Rembrandtplein, op een terras.’

De blik van de man verhelderde.

‘Ik weet het weer. Op het Rembrandtplein. Matthijs van Slooten. Een sollicitatiegesprek.’

De Cock trok zijn neus iets op.

‘Een sollicitatiegesprek op een terrasje?’

‘Als iemand voor een functie bij ons veilinghuis solliciteert,’ sprak Van Rijsbergen uit de hoogte, ‘kies ik voor een ontmoeting altijd een neutrale plek. Ik vind dit ten opzichte van de sollicitant eerlijker dan dat ik hem of haar op mijn kantoor ontvang.’

‘Hebt u hem aangenomen?’

‘Wie?’

‘Die Matthijs van Slooten.’

‘Die man was voor ons bedrijf niet geschikt. Hij had nauwelijks enige opleiding genoten.’

‘Naar welke functie solliciteerde hij?’

Van Rijsbergen glimlachte.

‘De jongeman kwam ons veilinghuis binnen en vroeg of wij een baantje voor hem hadden. Het deerde hem niet wat voor werk hij moest doen. Die houding frappeerde mij. Meestal hebben sollicitanten wel enig idee wat hun bezigheden zouden kunnen zijn.’

‘U hebt hem uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek?’

‘De volgende dag.’

‘Een zaterdag.’

Van Rijsbergen haalde zijn schouders op.

‘Mogelijk dat het op een zaterdag was. Dat herinner ik mij niet zo exact.’

De Cock boog zich naar hem toe.

‘Maar u herinnert zich nog wel het gesprek met die… eh, die Matthijs van Slooten?’

‘Zeker.’

‘De moordenaar.’

De blik van Justus van Rijsbergen vernauwde.

‘Moordenaar?’

De Cock sprak verder met een emotieloze stem.

‘Hij was de man die op de Noordermarkt Peter Karstens en zijn hond doodschoot. Mij intrigeert de vraag wie hem daartoe de opdracht gaf.’

Justus van Rijsbergen ademde diep. Zijn fraaie Eden-hoed viel van zijn knieën. Het ontging hem. Hij vouwde zijn handen. De Cock bezag de witte knokkels en schatte de spanningen waaraan de man blootstond.

‘Kent u het antwoord?’

Van Rijsbergen schudde zijn hoofd.

‘U… eh, u kent,’ hakkelde hij, ‘u kent Matthijs van Slooten. U kent hem als de moordenaar van Peter Karstens. Waarom vraagt u hem zelf niet wie zijn opdrachtgever was?’

De Cock trok zijn kin iets op.

‘Matthijs van Slooten is dood,’ antwoordde hij kalm. ‘Voordat hij kon spreken joeg iemand hem met dodelijke precisie drie kogels door mijn hart.’

Toen de rijzige Justus van Rijsbergen met zijn paraplu zacht tikkend op het balatum uit de grote recherchekamer was verdwenen, boog Vledder zich over naar De Cock.

‘Ik geloof,’ sprak hij bijna fl uisterend, ‘dat Peter Karstens gelijk had: Justus van Rijsbergen is een boef, een slimme, elegante boef.’

De Cock glimlachte om de interpretatie.

‘Hij had in ieder geval een scherp en passend antwoord op alle vragen.’

Vledder keek hem wat verholen aan.

‘Van jouw… eh, jouw stevige aanpak is weinig terechtgekomen.’

De Cock maakte een hulpeloos gebaar.

‘Ik heb het geprobeerd, maar het lukte me niet zijn pantser te doorbreken. Zijn dekking was perfect.’

‘Jammer.’

De Cock trok een grijns.

‘En de tortuur is niet meer toegestaan. We mogen verdachte personen, vroeger heel toepasselijk biechtkinderen genoemd, geen duimschroeven meer aanzetten zoals een paar eeuwen geleden.’

‘En dat spijt je?’

De Cock lachte vrijuit.

‘Als in ons strafsysteem weer folteringen worden toegestaan neem ik ontslag. We leven in een beschaafd land, waar de mogelijkheden van ons, opsporingsambtenaren, uiterst beperkt zijn.’

Vledder snoof.

‘Er zijn mensen die daar beslist anders over denken.’

‘Het zij zo,’ gaf De Cock toe. ‘Ik moet je eerlijk bekennen dat ik soms even heb genoten van de intelligente uitvluchten van Justus van Rijsbergen. Dat sollicitatiegesprek op een terrasje op het Rembrandtplein was een goede vondst.’

‘Jij gelooft dat niet?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik ben er vrijwel van overtuigd, dat daar op die zaterdag met Matthijs van Slooten het plan is uitgewerkt om Peter Karstens te vermoorden.’

Vledder gebaarde heftig.

‘Maar waarom?’

De Cock zuchtte diep.

‘Ik ben bang dat Peter Karstens de vragen rond het motief meeneemt in zijn graf.’ Hij keek even op. ‘Help mij herinneren dat ik zijn begrafenis bijwoon. Dat heb ik Maria van Overloon beloofd.’

‘Peter Karstens wist waarom iemand zijn dood zocht?’

‘Absoluut.’

‘Stom, dat hij dat jou niet heeft willen vertellen.’

De Cock knikte.

‘Ik vermoed,’ reageerde hij rustig, ‘dat Peter Karstens mijn capaciteiten als speurder schromelijk heeft overschat. Hij ging er blijkbaar vanuit dat ik ook zonder dat ik het feitelijke motief kende, de dader of daders zou kunnen ontmaskeren.’

Vledder keek hem medelijdend aan.

‘Wordt dit je eerste nederlaag?’

De Cock spreidde zijn handen.

‘Justus van Rijsbergen is ongetwijfeld het intelligente brein achter de moord. De vraag die onmiddellijk opdoemt is: zijn er ook anderen? Trad Justus van Rijsbergen namens die anderen op?

Gingen die anderen akkoord met het plan om Peter Karstens te vermoorden?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘We zijn er nog lang niet,’ verzuchtte hij.

De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde. Vledder reikte naar het toestel en luisterde.

De Cock zag hoe het gezicht van de jonge rechercheur verbleekte. Na enkele seconden legde Vledder zonder iets te zeggen de hoorn op het toestel terug.

De Cock keek hem onderzoekend aan.

‘Wie was dat?’

Vledder slikte.

‘Justus van Rijsbergen.’

De Cocks gezicht was één vraagteken.

‘Justus van Rijsbergen?’

‘Ja.’

‘Wat is er met hem?’

‘Hij is in het huis van Alfred van der Broek.’

‘En?’

‘Van der Broek is dood.’

‘Vermoord?’

Vledder knikte.

‘Justus van Rijsbergen vond hem in zijn woonkamer liggend op zijn rug met een met bloed besmeurd overhemd.’

Загрузка...