Toen Alfred van der Broek na een gemompeld afscheid met dreunende tred uit de grote recherchekamer was vertrokken, keken de beide rechercheurs elkaar enige tijd zwijgend aan. Het relaas van de man had hen zichtbaar verrast en hun denken aangescherpt. Het was Vledder die het zwijgen verbrak.
‘Jouw vriend Peter Karstens was een notoire vervalser,’ opperde hij. ‘Toch was hij een man voor wie je als rechercheur, ondanks zijn duistere praktijken, wel sympathie kon opbrengen.’
‘Absoluut.’
Vledder snoof.
‘Maar deze vent, deze Alfred van der Broek, wekt alleen maar weerzin bij mij op. Ik kan er niets aan doen, zijn kop staat mij niet aan.’
‘Niet moeders mooiste.’ De Cock zei het met een lach.
‘Dat niet alleen,’ zei Vledder hoofdschuddend, ‘naar mijn gevoel is die Alfred van der Broek een ordinaire fraudeur. Een gemene oplichter. Ik vertrouw hem voor geen meter.’
De Cock grinnikte.
‘Een snelle analyse.’
‘Vertrouw jij hem?’ vroeg Vledder.
De Cock krabde zich even achter in zijn nek.
‘Wees voorzichtig met je conclusies,’ waarschuwde hij. ‘De meeste fraudeurs hebben juist een beminnelijke uitstraling. Ze zijn vaak charmant en welbespraakt.’ Hij schudde zijn hoofd.
‘Leer van mij… je mag nooit alleen op het uiterlijk van iemand afgaan.’
‘Alleen het uiterlijk?’ vroeg Vledder minachtend. ‘Zonder enige terughoudendheid, zonder enige gêne beschuldigt hij zijn directeur Paul van Eldersloo van moord.’
De Cock maakte een afwerend gebaar.
‘Hij openbaarde ons alleen dat zijn directeur Paul van Eldersloo in zijn huis in Blaricum een valse Renoir aan de muur heeft hangen.’
Vledder snoof.
‘Geschilderd door Peter Karstens.’
‘Dat moet nog blijken.’
Vledder zwaaide heftig.
‘Daar kun je toch vergif op innemen,’ riep hij geëmotioneerd.
‘Het veilinghuis Brilliance of Art aan de Lijnbaansgracht deed uitgebreid zaken met Peter Karstens.’
De Cock knikte.
‘Peter Karstens… een man van wie men wist dat hij een geniaal vervalser was.’
‘En?’
De Cock spreidde zijn handen.
‘Als Paul van Eldersloo weet,’ sprak hij nadrukkelijk, ‘dat de Renoir die hij aan de muur van zijn huis in Blaricum heeft hangen, een door Peter Karstens geschilderde vervalsing is, dan mist hij het motief voor moord. Er is dan geen sprake van misleiding of bedrog.’
De oude rechercheur zweeg even.
‘Ik heb nu,’ ging hij rustig verder, ‘twee door Peter Karstens vervalste schilderijen van Monet in mijn bezit. Ik weet dat. En ik ben er blij mee. Ik koester geen haat of wraakgevoelens jegens Peter. Integendeel… ik ben hem dankbaar.’
Vledder trok een bedenkelijk gezicht.
‘Toch voel ik wel wat voor de stelling van Alfred van der Broek.’
De Cock gebaarde voor zich uit.
‘Je bedoelt, dat iemand die in de absolute overtuiging leeft dat hij een kostbare oude meester in zijn bezit heeft en tot de ontdekking komt dat het slechts een waardeloze vervalsing is, wel gevoelens van wraak en haat jegens de vervalser koestert?’
‘Ja.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Wanneer een vervalser — Peter Karstens in dit geval — alleen maar vervalst, speelt hij in het spel van list en bedrog slechts een ondergeschikte rol.’
Vledder keek hem niet-begrijpend aan.
‘Een ondergeschikte rol?’
De Cock glimlachte.
‘Iedereen mag toch proberen om de Nachtwacht na te schilderen. Het gedrag van een vervalser wordt eerst laakbaar en verwerpelijk, wanneer hij zijn vervalsingen als echt en onvervalst presenteert.’
Vledder grinnikte.
‘Of als hij verzwijgt dat het vervalsingen zijn.’
De Cock stak zijn beide handen naar voren.
‘Dat is exact de kern van de zaak. Wat weet de koper, de ontvanger, de verkrijger, op het moment dat hij in het bezit van een kunstwerk komt. Weet hij dat het een vervalsing is of een replica, of acht hij het kunstwerk echt, onvervalst en authentiek?’
Vledder knikte begrijpend.
‘Met andere woorden, wat is hem of haar bij de koop, bij het verkrijgen van het kunstwerk gesuggereerd, wat is hem voorgespiegeld?’
‘Precies.’
Vledder keek De Cock onderzoekend aan.
‘Verkocht Peter Karstens zijn vervalsingen wel eens als echt en onvervalst?’
De Cock zuchtte.
‘Ik heb een paar maal een aangifte tegen hem in behandeling gehad.’
‘En?’
De oude rechercheur schudde zijn hoofd.
‘Ik heb in het verleden nooit kunnen bewijzen dat hij bedrog had gepleegd. In het wereldje van de kunsthandel weet eenieder dat Peter Karstens erkende kunstwerken imiteert. Dat is geen geheim. Iemand die een doek van Peter Karstens koopt, kent de oorsprong.’
Vledder boog zich iets naar voren.
‘Peter Karstens was dus volgens jou eerlijk, brandschoon en onbevlekt?’
De Cock keek hem bestraffend aan.
‘Onbevlekt vind ik in dit verband bezoedeld taalgebruik.’
Vledder grinnikte om het woord bezoedeld.
‘Acht jij,’ ging hij ernstig verder, ‘Peter Karstens op een of andere manier schuldig aan zijn eigen dood?’
De Cock liet zijn hoofd iets zakken.
Hij begon aarzelend.
‘Ik weet,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘dat ik in jouw visie nu een hachelijke uitsprak doe… Peter Karstens heeft, zo is mijn overtuiging, het vertrouwen dat iemand, wie dan ook, in hem stelde, nooit beschaamd.’
Vledder stak in een gebaar van wanhoop zijn beide armen omhoog.
‘Wat is dan het motief? Waarom schoot iemand zijn revolver op hem leeg?’
De Cock knikte traag.
‘Een zinnige vraag, waarop ik spoedig een antwoord hoop te vinden.’
De Cock kwam uit zijn stoel overeind.
‘Heb jij gisteravond met onze Golf de knappe Maria van Overloon naar haar appartementje op het Prinseneiland gebracht?’
‘Ja.’
‘Heeft ze onderweg nog iets gezegd?’
‘Je bedoelt over de moord op Peter Karstens?’
‘Uiteraard.’
Vledder trok zijn schouders iets op.
‘Niets van belang. Ze was alleen erg verdrietig en huilde voortdurend. Ik heb nog een moment overwogen om met haar mee naar binnen te gaan, om haar te troosten.’
‘En?’
De jonge rechercheur glimlachte.
‘Het leek mij als gezagsdrager niet verstandig.’
De Cock slofte naar de kapstok en greep zijn hoedje. Vledder stond op en kwam hem na.
‘Waar ga je heen?’
De Cock draaide zich half om.
‘Ik ga met je mee.’
‘Waar naartoe?’
‘Westgaarde.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
‘Wil je toch de sectie bijwonen?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik wil alvast de huissleutels van Peter Karstens.’
‘Waarvoor?’
De Cock gebaarde.
‘Terwijl jij bij dokter Rusteloos de gerechtelijke sectie bijwoont, snuffel ik wat rond in zijn atelier aan de Noordermarkt. De zaak is nog zo mistig. Misschien vind ik een of andere aanwijzing.’
Vledder keek hem schuins aan.
‘Heb je daar,’ vroeg hij grijnzend, ‘de huissleutels van Peter Karstens bij nodig?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Je hebt toch jouw apparaatje van Handige Henkie?’
De Cock keek zijn jonge collega verrast aan.
‘Dat gebruik ik alleen als ik geen andere mogelijkheden zie om ergens binnen te komen. Ik kan nu over de echte sleutels van het atelier van Peter Karstens beschikken.’
Vledder trok een beteuterd gezicht.
‘Daar was ik graag bij.’
‘Waarbij?’
‘Dat snuffelen in laden en kasten laat je in de regel aan mij over. Ik heb daar ervaring in.’
De Cock glimlachte.
‘Je hebt gelijk, doen wij dat “snuffelen” straks, na afl oop van de sectie, nog eens dunnetjes over… samen.’
Vledder reageerde opgewekt.
‘We kunnen het combineren met een summier buurtonderzoek. Misschien heeft iemand gisteravond vanuit het raam van zijn woning de dader gezien. Het is toch opmerkelijk dat zich nog geen enkele getuige van de schietpartij heeft gemeld.’
‘Zo rond de klok van elf uur ’s avonds is er op de Noordermarkt niet veel meer te beleven.’
Ze verlieten de grote recherchekamer en liepen binnendoor naar de houten steiger achter het bureau. Voor ze in hun Golf stapten, bleef Vledder aarzelend staan.
‘Hoe kom jij straks van Westgaarde naar de Noordermarkt?
Neem je de Golf mee?’
De Cock maakte een grimas.
‘Autorijden in een stad als Amsterdam lokt mij niet. Ik ga vanaf Westgaarde wel met de tram.’ Hij stak waarschuwend zijn wijsvinger omhoog. ‘En vergeet niet dokter Rusteloos er op te wijzen dat hij een monster neemt van het bloed op het gebit van de hond.’
‘dna.’
De Cock knikte.
‘Dee-en-aa. Een toverformule van het vrijwel onuitspreekbare Engelse Desoxyribo Nucleic Acid.’
Vledder stapte soepel naast De Cock in de Golf.
‘Hoe… zei je?’
De Cock grijnsde.
‘Desoxyribo Nucleic Acid, om je tong te breken.’
De oude rechercheur wreef grijnzend over zijn brede kin.
‘Voor ons recherchewerk is in feite alleen van belang het zogenoemde dna-patroon, het voor elk individu unieke, in alle lichaamscellen voorkomende patroon van dna-structuren, waarmee iemand aan de hand van een haar, speeksel, bloed enzovoort geïdentifi ceerd kan worden.’
Vledder startte de Golf en reed van de steiger weg. Hij blikte opzij en trok denkrimpels in zijn voorhoofd.
‘Heb jij in het verleden bij jouw onderzoeken wel eens gebruik gemaakt van dna?’
De Cock schudde zijn hoofd. Om zijn lippen gleed een besmuikte glimlach.
‘Die mogelijkheid was er nog niet. Wij hadden voor de identifi catie alleen de vingerafdruk… meer niet.’ De grijze speurde plukte aan het puntje van zijn neus. ‘Als we in het verleden dna hadden gekend, dan had ik meer moorden opgelost dan nu.’
Vledder keek hem plagend aan.
‘Hoeveel heb je er noodgedwongen laten liggen… niet opgelost?’
De Cock schoof zijn onderlip naar voren.
‘Dat is,’ sprak hij aarzelend, ‘voor een oude rechercheur een pijnlijke vraag. In twee gevallen heb ik destijds de daders heel dicht kunnen benaderen, maar uiteindelijk heb ik geen sluitende bewijsvoering kunnen leveren.’
‘Foutjes gemaakt?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Het lag niet aan mij. Ik had destijds niet meer mogelijkheden. Met gevonden haren, speeksel, bloed en sperma kon men toen nog niet veel. De forensische geneeskunde heeft pas later een grote vlucht genomen.’
‘Jammer.’
De Cock knikte traag.
‘Die beide oude moordzaken zijn allang verjaard en de daders die ik op het oog had, hebben inmiddels terechtgestaan voor een Rechter die bij Zijn oordeel geen bewijsvoering nodig heeft.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
‘Ze zijn dood, bedoel je?’
De Cock spreidde zijn handen.
‘Ze stierven kort na elkaar.’
Vledder glimlachte.
‘Niet meer geschikt voor een cold case-project.[4]’
De Cock stapte op het Stationsplein uit de tram en kuierde op zijn gemak in de richting van de Noordermarkt. Het begon weer te regenen. De oude rechercheur trok de kraag van zijn regenjas omhoog en schoof zijn vilten hoedje iets naar voren. Ineens kwam het beeld in zijn herinnering terug van het moment dat hij gisteravond met het schilderij onder zijn rechterarm geklemd het atelier van Peter Karstens verliet… een stille en verlaten Noordermarkt op. Hij twijfelde. Of was de plek niet verlaten… was daar ergens de moordenaar, wachtend op zijn prooi? Had hij de man of vrouw wel gezien, maar niet opgemerkt? De grijze speurder besefte dat zijn waarneming op dat moment mogelijk was vertroebeld door de emotie, het gevoel van opwinding door het plotselinge geschenk van zijn vriend. Hij zuchtte diep en verdreef de sombere gedachten naar de rommelige zolderkamer van zijn herinnering.
Op de Noordermarkt bleef De Cock voor de deur van het atelier van Peter Karstens even staan en blikte om zich heen. De regen had op de straat de bloedplekken van de avond tevoren wat verwaterd. Maar ze waren nog duidelijk herkenbaar. Hij deed een paar passen achteruit en keek omhoog naar de ramen die uitzicht boden op de Noordermarkt.
Ineens voelde De Cock een sterk verlangen in zich opborrelen om overal aan te bellen… te vragen om inlichtingen. Na een kort innerlijk gevecht bedwong hij dat verlangen en besloot die taak later op te dragen aan Vledder. Mogelijk met assistentie van Appie Keizer en Fred Prins bood dat meer succes. Met onvaste hand opende hij de deur van het atelier en ging naar binnen. Na enig zoeken vond hij de schakelaar van het licht. Felle lampen brachten de kleuren van de schilderijen op de vele ezels tot leven. Peter Karstens had de gewoonte om aan meerdere schilderijen tegelijk te werken. De Cock herkende de warme kleuren en de brede schildertrant van Auguste Renoir… zijn favoriete kleurengamma tussen roze en rood. Hij ontdekte ook een Chagall in wording. Hij herkende diens ‘double portrait au verve de vin’.
Na een tijdje rondneuzen in het atelier liep hij naar het einde van het vertrek. Via de wenteltrap bereikte hij de smalle gang en zocht met hulp van zijn zaklantaarn de deur naar de hem vertrouwde intieme ruimte met de lage zoldering. De kaarsen op de tafel waren uitgebrand. Naast een bijna lege fl es stond een halfgevuld glas rode wijn. De Cock bescheen het etiket op de fl es. ‘Château Camansac,’mompelde hij in zichzelf,
‘van een gezegend wijnjaar.’
Het ovale licht van zijn zaklantaarn danste door het vertrek. Toen hij de schakelaar van het licht had gevonden, bleef hij plotseling staan. Zijn scherpe gehoor had het geluid van schuivende voetstappen waargenomen. Het kwam van boven. Hij liep terug naar de smalle gang en trok zich langs de trap behoedzaam naar boven.
Midden in het atelier, met zijn rug naar hem toe, stond een breedgeschouderde man. De Cock schatte hem op achter in de veertig. Hij droeg een groene trenchcoat met schouderfl appen waar de regen vanaf drupte.
De Cock wachtte tot hij de vloer van het atelier had bereikt. Voorzichtig, op de toppen van zijn tenen, sloop hij dichterbij en tikte de man op zijn schouder.
Als door de bliksem getroffen draaide de man zich om. Zijn onderlip trilde en in zijn blauwe ogen glansden schrik en verbazing.
‘Wie… eh, wie bent u?’
De oude rechercheur toonde zijn beminnelijkste glimlach.
‘Rechercheur De Cock, met… eh, met ceeooceekaa. Ik ben verbonden aan het politiebureau in de Warmoesstraat. En wie bent u?’
De man aarzelde even.
‘Van Eldersloo… Paul van Eldersloo.’
‘En wat komt u hier doen?’
‘Mijn schilderij ophalen.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Uw schilderij?’
Paul van Eldersloo knikte.
‘Ik heb een afspraak met de schilder hier… met Peter Karstens.’
De Cock keek de man schuins aan.
‘Al lang van tevoren gepland?’
De man knikte opnieuw.
‘Een paar maanden. Hij zou voor mij een Renoir schilderen. Vanmiddag zou ik dat doek komen afhalen.’ Hij wees naar een ezel met een schilderij in warme roze tot rode kleuren erop. ‘Dat doek. Dat is mijn Renoir, mijn eigendom. Ik heb Peter Karstens onmiddellijk bij het doen van mijn opdracht betaald.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Dat doek blijft hier. Er gaat hier niets de deur uit.’ De oude rechercheur gebaarde om zich heen. ‘Al deze werken zijn door mij in beslag genomen en worden ter beschikking van de justitie gesteld.’
Van Eldersloo wond zich zichtbaar op.
‘Dat is onzin, pure onzin. Waar is die vent. Waar is Peter Karstens?’
De Cock keek de man strak aan.
‘In de hemel… hoop ik. Gisteravond schoot een of andere idioot zijn revolver op hem leeg.’