Met de opwekkende gloed van twee cognackies in hun aderen liepen de beide rechercheurs over de walletjes terug naar de Kit. Het was er aanmerkelijk drukker dan een uurtje tevoren. De bevrijdende regenvrije avond bracht eindelijk het koor van behoeftige mannen op de been. De vele toegeschoven gordijnen duidden op hoertjes in vol bedrijf en bij Gabrielle, een recent gelanceerde exotische schoonheid uit Venezuela, stonden de mannen in de rij.
Vledder wees ernaar.
‘Snap jij dat?’ vroeg hij misprijzend.
‘Ik snap het niet,’ zei De Cock, ‘maar ik zie op de Walletjes dergelijke bonte taferelen al zolang ik dienstdoe aan bureau Warmoesstraat, en dat is al bijna dertig jaar. Exotische nieuwelingen hebben altijd al veel belangstelling gekregen. Ik vermoed dat de hoerenkerels van die nieuwelingen een andere aanpak verwachten.’
Vledder lachte.
‘Kan dat?’
De Cock grinnikte en probeerde zijn jeugdige collega bij te houden.
‘In het oudste beroep van de wereld zullen in de loop der eeuwen wel enige variaties zijn geslopen, vermoed ik. En misschien zijn er ook wel culturele verschillen ontstaan. Het is een metier dat ik, ondanks talloze gesprekken met prostituees, qua dienstverlening nooit geheel heb kunnen doorgronden.’
Ze liepen een tijdje rustig door. Zo nu en dan lichtte De Cock beleefd zijn hoedje voor een vriendelijk groetend hoertje. Vledder blikte opzij.
‘Stom, dat ik vanavond bij de foto van Matthijs van Slooten ook niet de foto van Justus van Rijsbergen bij me heb gestoken.’
‘Had je die willen tonen?’
‘Ja, misschien dat Smalle Lowietje ons had kunnen vertellen of Justus van Rijsbergen in zijn etablissement al contact met Matthijs van Slooten heeft gezocht.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Dat beduimelde kiekje van Barbara van Tollebeek is van een bedroevend slechte kwaliteit. We gaan straks nog even naar hem toe.’
Vledder keek hem verrast aan.
‘Naar Justus van Rijsbergen?’
De Cock keek opzij.
‘We vragen van hem een recente foto… een duidelijk portret waarop hij goed is te herkennen. Die kunnen we altijd nog aan Smalle Lowietje laten zien.’
De oude rechercheur liep zwaar ademend naast Vledder.
‘Bovendien,’ vervolgde hij zijn betoog, ‘is de dag nog niet om. Ik heb Justus van Rijsbergen tot vandaag de tijd gegeven om te bekennen dat hij Matthijs van Slooten de opdracht heeft verstrekt om Peter Karstens te vermoorden… en om ons iets te vertellen van het motief, het waarom van dat onzalige moordplan.’
‘Ik heb er geen vertrouwen in,’ zei Vledder. ‘Het wordt vanavond een vergeefse reis. Van Rijsbergen is een sluwe, intelligente man. Die bekent nooit. Vooral na de dood van Matthijs van Slooten en zijn kompaan Alfred van der Broek zal hij zich volkomen veilig voelen.’
De Cock trok zijn gezicht strak.
‘Ik wil hem nog even boven op zijn huid zitten. Die man moet toch ergens kwetsbaar zijn?’
‘Ik ben bang van niet.’
Vledder moest zijn pas inhouden. Zijn oude collega liep niet zo snel.
‘Tenzij wij het aandeel van Paul van Eldersloo als directeur van Brilliance of Art verkeerd inschatten.’ De Cock hijgde terwijl hij sprak.
‘Hoe bedoel je?’ vroeg Vledder, die weer naast De Cock liep, zodat ze niet zo luid hoefden te spreken.
‘Dat Van Eldersloo toch een leidende rol in deze moordaffaire speelt.’
‘Acht jij die kans groot?’
De Cock trok een bedenkelijk gezicht en bleef even staan.
‘Volgens Jan van Oldehove moet Van Eldersloo een uitstekend schutter zijn… trots op de onderscheidingen van zijn schietvereniging, die hij geruime tijd in zijn kantoor aan de wand had hangen.’
Vledder reageerde wat geprikkeld.
‘Je geeft geen antwoord op mijn vraag. Acht jij de kans groot dat hij bij de moorden is betrokken.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Eerlijk gezegd… nee.’
‘Blijft dus Justus van Rijsbergen.’
De Cock knikte en begon weer te lopen.
’Justus van Rijsbergen is naar mijn gevoel nog de enige man die ons naar de oplossing van de raadsels kan leiden, die ons kan vertellen hoe en waar het begon.’
De oude rechercheur sjokte vanaf de Achterburgwal de brug over naar de Korte Niezel.
‘We gaan eerst naar de Kit. Misschien zijn er bij Jan Rozenbrand nieuwe berichten binnengekomen.’
Toen ze de hal van het politiebureau betraden, wenkte de wachtcommandant De Cock met een kromme vinger. De oude rechercheur liep vermoeid op hem toe.
‘Je weet het: nog een lijk en ik ga gillen.’
Jan Rozenbrand schudde zijn hoofd.
‘Ik heb geen nieuw lijk. Gelukkig niet. Wel een geval van zware mishandeling. Het slachtoffer ligt met een ernstige hoofdwond in het ziekenhuis; het amc. Ik heb Fred Prins maar laten opdraven. Voor jou zit boven een jonge vrouw op je te wachten. Een bloedmooie vrouw. Ze is al eens eerder bij je op bezoek geweest.’
De Cock schoof zijn onderlip vooruit.
‘Bloedmooie vrouwen,’ grapte hij, ‘hebben vaak de neiging om telkens bij mij terug te komen.’
De oude rechercheur draaide zich lachend om en besteeg opmerkelijk kwiek de stenen trappen naar de tweede etage. Vledder nam de treden met twee tegelijk.
Op de bank bij de toegangsdeur naar de grote recherchekamer zat een jonge vrouw. De Cock herkende haar onmiddellijk. Maria, de beeldschone vriendin van wijlen Peter Karstens. In haar nauwsluitende zwarte mantelpakje en een regenjas over haar arm kwam ze van de bank overeind en liep op hem toe.
‘Ik wil u er nog even aan herinneren,’ sprak ze zacht, ‘dat Peter morgen wordt begraven.’
‘Ik weet het,’ zei De Cock vriendelijk, ‘morgen op Zorgvlied, om twee uur. Ik zal er zeker zijn, beslist.’
De oude rechercheur ging haar voor naar de grote recherchekamer. Daar wierp hij zijn oude hoedje missend naar de kapstok. Met zijn regenjas nog aan sjokte hij verder de kamer in. Met een hoffelijk gebaar liet hij haar op de stoel naast zijn bureau plaatsnemen. Daarna nam hij de regenjas van haar over, pakte bij de kapstok zijn oude hoedje van de vloer en hing beide kledingstukken op. Rustig liep hij terug naar zijn bureau.
‘Heb je al omlijnde plannen voor de toekomst?’ vroeg hij beminnelijk. ‘Je zult het in de toekomst zonder Peter moeten klaren.’
Langs haar mond gleed een smartelijke trek.
‘Het leven gaat door. Peter zou niet hebben gewild dat ik bij de pakken bleef neerzitten.’
De Cock boog zich iets naar haar toe.
‘Zijn er de laatste dagen nog herinneringen bij je bovengekomen… uitlatingen over zaken die ons mogelijk iets verder kunnen helpen bij ons onderzoek.’
Maria keek hem scherp aan.
‘Heeft Van Rijsbergen al bekend dat hij een huurmoordenaar opdracht heeft gegeven om Peter te vermoorden?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Vanmorgen op de Brouwersgracht, zittend in zijn fraaie Peugeot, ben ik nog geruime tijd met hem bezig geweest. Ik heb hem echt pittig onder handen genomen. Ik heb hem er gewoon rechtstreeks van beschuldigd dat hij een moordenaar had ingehuurd, maar hij ontkent categorisch elke betrokkenheid bij de dood van Peter.’
Maria trok haar lippen strak.
‘Volgens mij is hij de aanstichter, het boze brein. Ik vermoed dat Peter daar ook zo over dacht, hoewel hij mij dat nooit rechtstreeks heeft gezegd.’
De oude rechercheur reageerde niet. Even later vroeg hij:
‘Ken jij Alfred van der Broek?’
Maria van Overloon antwoordde niet direct.
‘Van… eh, van het veilinghuis Brilliance of Art?’ vroeg ze weifelend.
‘Ja.’
‘Die ken ik,’ zei Maria terwijl ze knikte. ‘Hij is op de Noordermarkt een paar maal voor zaken bij ons in het atelier geweest.’
De Cock keek strak naar haar gezicht.
‘Hij is dood.’
Ze fronste haar wenkbrauwen.
‘Vermoord?’
De Cock lette op haar reactie.
‘Inderdaad… vermoord.’
‘Door wie?’
‘De moordenaar is niet op ons blijven wachten.’
Over de fraaie gelaatstrekken van Maria van Overloon gleed een glimlach.
‘Ge-rech-tig-heid.’
Het klonk als een bevrijding.
De Cock keek haar schattend aan.
‘Je bedoelt, dat hij zijn dood heeft verdiend?’
Maria knikte overtuigend.
‘Hij was een onaardige man. En dan druk ik mij voorzichtig uit. Hij was een man die je op zijn gezicht al tien jaar gevangenisstraf zou geven. Mijn Peter had ook een hekel aan hem.’
‘Je hebt gelijk,’ zei De Cock. ‘Hij was ook bij het personeel van het veilinghuis niet erg geliefd.’
Maria trok een denkrimpel in haar mooie voorhoofd.
‘Hebt u… eh, hebt u de Monet die u van Peter heeft gekregen al laten inlijsten?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Daar ben ik nog niet aan toe gekomen. Sinds de dood van Peter heb ik weinig nachtrust genoten. Er was weinig tijd om aan andere dingen te denken.’
Maria knikte begrijpend. Secondelang keek ze hem lief en bemoedigend aan. Ineens schonk ze hem een betoverende glimlach.
‘Neem het schilderij morgen mee naar de begrafenis,’ sprak ze opgewekt. ‘Om Peter naar zijn laatste rustplaats te begeleiden heb ik ook Gerard Verbruggen uitgenodigd. Gerard was net als u een vriend van Peter en een voortreffelijk lijstenmaker. Gerard Verbruggen zal die Monet van u zeker willen inlijsten. Daar krijgt u beslist geen spijt van. Gerard is een vakman met een kunstenaarsziel. In vele opzichten leek hij op Peter.’
Toen Maria van Overloon met haar regenjas aan licht heupwiegend uit de grote recherchekamer was verdwenen, stond Vledder van zijn stoel op.
‘Gaan we nu naar de Herengracht?’
De Cock keek hem niet-begrijpend aan.
‘Wat moeten we aan de Herengracht?’
Vledder gebaarde wild.
‘Herengracht elfhonderdzevenentwintig,’ riep hij luid, ‘daar woont Justus van Rijsbergen.’
De Cock glimlachte.
‘Dat was ik even vergeten.’
De oude rechercheur tikte met zijn wijsvinger op een bruine envelop voor zich op zijn bureau.
‘Dit is, denk ik, het eerste rapport van het Gerechtelijk laboratorium in Rijswijk. Even lezen wat ze ons te melden hebben.’
Vledder liet zich weer in zijn stoel zakken. Met een verongelijkt gezicht keek hij omhoog naar de grote klok boven de toegangsdeur.
‘Het is bijna elf uur. Jouw ultimatum aan Van Rijsbergen,’ sprak hij spottend, ‘loopt om twaalf uur af. Veel tijd hebben we niet meer.’
De Cock zweeg. Hij maakte de envelop open, nam daaruit een rapport en las onverstoorbaar. Na een minuut of tien deed hij het rapport weer in de envelop en keek op.
‘Tegen Matthijs van Slooten,’ sprak hij gedragen, ‘hebben we een vrijwel ronde zaak.’
Vledder grijnsde breed.
‘Daar hebben we wat aan,’ bromde hij grimmig. ‘Die vent is dood. Je kunt dat rapport voor mijn part wel in de prullenbak gooien.’
De Cock negerde de opmerking.
‘De kogels uit het lichaam van Peter Karstens zijn afgevuurd met de Webley & Scott van Matthijs van Slooten. Het is op het laboratorium in Rijswijk ook gelukt om het dna-patroon van het bloed op de tanden van de hond vast te stellen. Dat heeft blijkbaar nogal wat moeilijkheden opgeleverd. Het moest absoluut gescheiden blijven van het dna-patroon van de leonberger zelf.’
Vledder keek hem vragend aan.
‘En het dna-patroon van het bloed op de tanden van de hond, komt dat overeen met het dna-patroon van Matthijs van Slooten?’
De Cock wees naar de envelop.
‘Dat onderzoek is kennelijk nog niet afgesloten.’
Ver onderuitgezakt, zijn oude hoedje vertrouwd tot op zijn neus, zat De Cock naast Vledder in de gammele Golf en dommelde. De gevolgen van een te geringe nachtrust deden zich gelden. De spieren rond zijn oude botten verstijfden. De oude rechercheur droomde van een schone, lieve wereld zonder misdaad en geweld, een wereld van vrede op aarde met louter vrolijke, opgewekte mensen in de zon, allen gekleed in een wit vormloos hemd en een fraai lichtend aureooltje zwevend boven hun kruin. Het hobbelen over een slecht stukje wegdek deed hem ontwaken. Hij schoof zijn hoedje terug en drukte zich wat omhoog. Tot zijn niet geringe verbazing zag hij links het glinsterende water van de Amstel en rechts de coniferenhaag van de begraafplaats Zorgvlied. Hij keek opzij naar Vledder aan het stuur.
‘Hier moet ik morgenmiddag om twee uur pas zijn.’
Vledder glimlachte.
‘Je viel hier naast mij zo vredig in slaap, dat ik besloot eerst een klein ommetje te maken voordat we naar de Herengracht reden.’
De Cock strekte zijn rug, ademde diep en glimlachte.
‘Bedankt voor het korte dutje. Ik droomde glashelder van een vredige, lieve wereld zonder criminaliteit. Blijkbaar moet ik diep in mijn hart misdaad verafschuwen.’
Vledder snoof.
‘Wij leven ervan.’
‘Inderdaad… heel bescheiden.’
Bij de begraafplaats draaide Vledder de Golf en reed terug naar de binnenstad. Op de Herengracht vond hij nog een redelijk parkeerplaatsje aan de wallenkant tussen de bomen. Toen ze uitstapten scharrelde een eenzame rat tussen hun voeten. Perceel 1127 bleek een prachtig grachtenpand met een imposante halsgevel. Vledder keek omhoog.
‘Handel in kunst schijnt een lucratief bedrijf te zijn. Het kost nogal wat om in zo’n pand te wonen.’
De Cock reageerde niet. Hij besteeg de blauwstenen trap naar het bordes. Vledder volgde.
Naast een zware donkergroen gelakte deur hing een koperen naambord met ‘Justus van Rijsbergen — antiquair’ in zwarte verzonken letters.
Onder het naambord trok De Cock aan een bewerkte koperen knop.
In het inwendige van het pand klok een bel.
De oude rechercheur wachtte een paar minuten. Toen op het bellen niet werd gereageerd, belde hij voor de tweede maal. Opnieuw nam hij een wachttijd van een paar minuten. Toen er nog geen reactie kwam, tastte hij in een steekzak van zijn regenjas naar het apparaatje dat hij eens van Handige Henkie had gekregen.
‘Misschien is hij niet thuis,’ sprak Vledder gehaast. ‘Misschien slaapt hij al en hoort hij de bel niet. Misschien is hij al op weg naar de Warmoesstraat om bij jou een bekentenis af te leggen.’
De Cock luisterde niet. Hij koos met kennersblik uit het koperen houdertje de juiste sleutelbaard en in luttele seconden had hij de groene deur van het slot. Met zijn knie duwde hij de deur open en ging naar binnen.
Vledder volgde mopperend.
Via de hal bereikten ze een brede marmeren gang met een eikenhouten lambrisering. De Cock pakte zijn zaklantaarn en liet het lichtovaal voor zich uit dansen. Even scheen hij omhoog naar wulpse engeltjes aan het plafond. Daarna schuifelde hij voorzichtig verder.
Ongeveer in het midden van de gang stond links een deur op een kier. De Cock duwde de deur met zijn knie verder open en stapte behoedzaam de kamer erachter binnen. Het was aardedonker in het vertrek. De Cock bleef staan. Het ovaal van zijn zaklantaarn gleed over een zestal lederen fauteuils om een grote ronde tafel. Aan een wand van het vertrek was een monumentale schouw. De oude rechercheur aarzelde. Even overwoog hij of hij naast de deurstijl in de kamer naar een schakelaar van het licht zou zoeken. Hij besloot daarmee te wachten. Langzaam schuifelde hij verder in de richting van de schouw.
Naast een van de fauteuils trof hij het lichaam van een man. Hij lag op zijn rug. Zijn voeten iets uit elkaar. Zijn armen vrijwel gestrekt langs het lichaam. De handen geklauwd omhoog. De Cock hield het gezicht van de man in het licht van zijn zaklantaarn gevangen. Vledder hijgde in zijn nek.
‘Justus van Rijsbergen.’
De Cock vulde aan:
‘Met revolverschoten afgemaakt.’