2

Ze reden met hun oude Golf vanaf de houten steiger achter het politiebureau naar de Oudebrugsteeg en vandaar naar het Damrak. Het regende. De felle lichtreclames van het Damrak spiegelden in het natte asfalt. De Cock had er geen oog voor. Om het zicht op de zwiepende ruitenwissers te vermijden had hij zich diep onderuit laten zakken en zijn hoedje naar voren geschoven met de rand tot op zijn neus.

Naar het gevoel van De Cock reed Vledder veel te hard, maar hem ontbrak de moed om daar iets over te zeggen. Hoewel de oude rechercheur vurig hoopte dat de neergeschoten man die zijn hond uitliet niet Peter Karstens was, groeide in zijn hart de overtuiging dat hij zijn dierbare vriend had verloren. Na de snelle rit parkeerde Vledder de wagen bij de hervormde kerk.

Ze stapten uit en sloften met lome tred naar de Noordermarkt. Agenten van een surveillancewagen hadden de omgeving met rood-wit lint afgezet. Op het trottoir voor de deur van het hol van de schilder lag onder het bruine dekzeil van de surveillancewagen het lichaam van een man. De Cock liep er schoorvoetend heen. Hij tilde het zeil op en keek in het verstarde gelaat van Peter Karstens.

Een enkele blik was voldoende om te zien dat de kunstenaar niet meer leefde. Toen de oude rechercheur het zeil verder wegtrok zag hij op de glanzende zwartzijden blouse van Peter Karstens ter hoogte van zijn borst een grote donkere vlek. Met trillende handen dekte hij het lichaam van zijn vriend weer toe.

Iets verderop, bijna op de hoek van de Noorderkerkstraat, lag een verstilde leonberger. Met een door tranen versluierde blik sjokte De Cock naar de dode hond en knielde bij hem neer. Het dier was duidelijk met kogelschoten afgemaakt. De Cock bekeek de zwarte kop, die hij een uur tevoren nog had geaaid. Terwijl hij zijn tranen de vrije loop liet, deed hij het opnieuw… zacht, voorzichtig, alsof het dier zijn hand nog kon voelen. Daarna tilde hij de wangen van het beest iets op, zodat zijn kaken zichtbaar werden. Aan de scherpe tanden kleefde bloed.

De Cock keek omhoog naar Vledder, die zijn bewegingen gadesloeg.

‘Is de meute al gewaarschuwd?’

‘Dat heeft de wachtcommandant al gedaan,’ zei Vledder.

De Cock wees naar de dode hond.

‘Ik wil dat tezamen met Peter Karstens straks ook die hond naar Westgaarde wordt gebracht.’

‘Waarom?’

‘Dan kan dokter Rusteloos morgen gelijk sectie op het dier verrichten.’

Vledder keek zijn oude leermeester verwonderd aan.

‘Op die hond?’

De Cock knikte.

‘Er kleeft bloed aan zijn gebit. Ik wil weten of dat bloed van de hond zelf is of dat hij in zijn poging om zijn baas te verdedigen de moordenaar heeft gebeten. In dat geval moet het dna-patroon van het bloed worden vastgesteld.’

Vledder trok een bedenkelijk gezicht.

‘Doet dokter Rusteloos dat? Sectie op een hond?’

De Cock kwam overeind en ging voor Vledder staan.

‘Ik heb in een grijs verleden eens een moord opgelost nadat de patholoog-anatoom in de strot van een hond twee afgebeten vingers vond. Ik hoefde toen alleen maar naar een man met twee afgekloven vingers te zoeken.’

‘En vond je die?’

‘Ja.’

Vledder keek hem scherp onderzoekend aan.

‘Je hebt gehuild?’

In zijn stem klonk verwondering.

Met de rug van zijn rechterhand veegde De Cock de laatste tranen uit zijn ogen.

‘Dat is voor het eerst… tijdens mijn werk als rechercheur.’ Hij zweeg even. ‘En ik schaam mij er niet voor.’

Vledder draaide zich om en wees naar het lichaam van Peter Karstens.

‘Jij hield van die man,’ stelde hij vast.

De Cock maakte een schouderbeweging.

‘Houden-van is zo’n beladen begrip. Die man had mijn sympathie… mijn genegenheid. Ik heb me dikwijls afgevraagd waarom ik die gevoelens had. Was het zijn kunstenaarschap, zijn uitstraling, zijn voorkomen, zijn onbekommerde stijl van leven? Ik weet het niet. Ik werd door die man gefascineerd. Hij handelde en dacht volkomen in tegenstelling tot mijn opvattingen en tot mijn gedrag. In feite was Peter Karstens volkomen mijn tegenpool. Ik zou die man vanuit mijn functie als gezagsdrager met argwaan hebben moeten bezien.’

Om zijn mond gleed een droeve glimlach.

‘Dat is mij nooit geheel gelukt.’

Hij trok zijn rug recht en zuchtte diep.

‘Laten we gewoon aan het werk gaan. Vraag aan de dienders of ze op straat patroonhulzen hebben gevonden en bekijk eens of de woning van Peter Karstens slotvast is afgesloten. Of er wellicht sporen van braak aanwezig zijn. Of er mogelijk iets uit zijn atelier is verdwenen.’

‘Dat doe ik straks,’ zei Vledder, ‘maar ik geloof niet dat het iets oplevert. Ik vermoed dat Peter Karstens onmiddellijk nadat hij met zijn hond naar buiten kwam is neergeschoten en dat de dader daarna is gevlucht.’

‘Achtervolgd door een woedende leonberger… die hij neerschoot om aan achtervolging te ontkomen,’ sprak De Cock verbeten.

‘Zo zal het zijn gegaan.’

De Cock zwaaide om zich heen.

‘We moeten morgen maar eens een buurtonderzoek instellen. Misschien heeft iemand de vluchtende man gezien.’

‘Man?’

De Cock trok zijn schouders op.

‘Misschien was het wel een vrouw. Ik heb geen idee. Peter Karstens weigerde mij te zeggen uit welke hoek de dreiging kwam.’

Ze liepen van de dode hond terug naar de plek waar het slachtoffer lag. Vledder wees naar het atelier.

‘Misschien heeft hij binnen iets aan het papier toevertrouwd… een paar aantekeningen… een naam.’

De Cock trok een bedenkelijk gezicht.

‘Dan had hij mij ook een gesloten envelop kunnen geven, die ik gesloten moest houden en alleen mocht openen als er iets met hem gebeurde.’

Vledder maakte een hoofdbeweging in de richting van het slachtoffer.

‘Misschien vertrouwde hij jou toch niet helemaal.’

‘Mogelijk.’

Vledder grijnsde.

‘In ieder geval heeft jouw goede vriend ons wel met een bijna onoplosbaar probleem opgezadeld.’

Bram van Wielingen liep met zijn aluminium koffertje in de hand op De Cock toe. Hij tikte demonstratief op het glas van zijn polshorloge.

‘Ik lag al in bed,’ sprak hij kribbig.

De Cock schonk hem een beminnelijke glimlach.

‘Maar dan was je,’ sprak hij liefjes, ‘vast nog niet ingeslapen. Anders kon je hier niet zo snel zijn.’

De politiefotograaf reageerde daar niet op.

‘Weet je al wie het is?’

De Cock bukte zich en trok het dekzeil weg.

Van Wielingen verbleekte.

‘Peter Karstens.’

De Cock keek hem schuins aan.

‘Ken je hem?’

‘Hij heeft eens een prachtig portret geschilderd van mijn oudste dochter. Sindsdien heb ik al mijn kinderen door hem laten vereeuwigen.’

Er klonk bewondering in de stem van de fotograaf.

De Cock wees.

‘Verderop ligt een leonberger… zijn hond. Ze zijn allebei koelbloedig neergeknald.’

‘Dader?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Geen dader en voorzover ik weet ook geen getuigen. Ik vermoed dat iemand hier in de omgeving schoten heeft gehoord en daarna de politie heeft gebeld.’

Van Wielingen boog zich over het slachtoffer.

‘Een snelle dood. Hij is door meerdere kogels geraakt. Op zijn borst ligt een hele plas bloed.’ De fotograaf zette zijn aluminium koffertje op de straat, nam daaruit zijn Hasselblad en keek omhoog naar De Cock. ‘Wat wil je van me? Heb je nog bijzondere wensen?’

De oude rechercheur gebaarde om zich heen.

‘Een overzicht van de omgeving, plaatjes van het slachtoffer en van de hond. Veel meer heb ik niet nodig.’

‘Je hebt je plaatjes morgen op je bureau.’

De Cock draaide zich om. Vanachter een ambulancewagen met zwaailicht ontwaarde hij dokter Den Koninghe. In zijn kielzog verschenen twee geüniformeerde broeders van de Geneeskundige Dienst met hun onafscheidelijke brancard.

De grijze speurder liep op de oude lijkschouwer toe en begroette hem hartelijk. De Cock had een zwak voor de excentrieke dokter met zijn ouderwetse grijze slobkousen onder een deftige streepjesbroek, zijn stemmig zwarte jacquet en zijn verfomfaaide groen uitgeslagen garibaldihoed.

‘Hoe maakt u het?’ vroeg hij uitbundig.

Dokter Den Koninghe zwaaide.

‘Best. Sinds ik allopurinol heb ontdekt, heb ik geen last meer van mijn jicht.’

De Cock duwde Bram van Wielingen, die net in het dode gelaat van Peter Karstens had gefl itst, iets opzij en wees naar het slachtoffer.

‘Het lijkt op een liquidatie in het criminele circuit. Maar daarover heb ik toch mijn twijfels.’

De dokter nam zijn hoed af en liet die naast het slachtoffer op de straat vallen. Daarna trok hij de pijpen van zijn streepjesbroek iets omhoog en knielde bij de dode neer.

Al na luttele seconden pakte hij zijn hoed van de straat, schoof die op zijn hoofd en kwam weer overeind.

Zijn oude knieën kraakten.

Met precieze bewegingen nam hij zijn bril af, pakte zijn witzijden pochet uit het borstzakje van zijn jacquet en poetste de glazen. De Cock kende de bewegingen. Het was een reeks gebaren om tijdwinst.

‘Hij is dood,’ sprak de dokter laconiek.

De oude rechercheur knikte met een strak gezicht.

‘Dat begreep ik,’ reageerde hij simpel.

Dokter Den Koninghe keek naar de dode.

‘Nog maar kort. Zijn lichaam is nauwelijks afgekoeld en het bloed op zijn hemd is nog vrijwel niet verkleurd.’ Hij zette zijn bril weer op en plooide zijn pochet terug in het borstzakje van zijn jacquet.

‘Inwendige bloedingen,’ legde hij uit. ‘Je kunt er wel vanuit gaan dat een van de kogels zijn hart heeft geraakt.’

De Cock knikte.

‘Wilt u nog even naar de hond kijken?’

‘Is die tegelijk met het slachtoffer gedood?’

‘Ja.’

‘Hoe?’

‘Een paar schoten in zijn lijf.’

De kleine lijkschouwer schudde zijn hoofd.

‘Ik ben niet geïnteresseerd in dode honden,’ sprak hij verveeld. ‘Het is ook mijn taak niet om de dood van honden vast te stellen.’ Hij duimde over zijn schouder. ‘Er ligt volgens jouw collega’s ergens in de Indische buurt nog een lijk op mij te wachten. Het is druk vanavond. Komt zeker door het weer.’

Hij draaide zich gehaast om en wuifde ten afscheid.

De Cock wendde zich tot de fotograaf, die zijn fraaie Hasselblad behoedzaam in zijn koffertje teruglegde.

‘Ben je klaar?’

Bram van Wielingen knikte.

‘Ik heb alles keurig voor je vastgelegd, compleet met dode hond.’

De Cock schonk hem een glimlach.

‘Bedankt. Bel de dactyloscopische dienst maar af. Er is hier voor hen toch niets te kwasten.’

De fotograaf klapte zijn koffertje dicht.

‘Doe ik.’ Hij zwaaide joviaal. ‘Nou, ajuus. Tot je volgende klus… liefst overdag.’

De Cock reageerde niet. Hij wenkte de broeders van de Geneeskundige Dienst naderbij. Ze legden hun brancard naast het lichaam van Peter Karstens.

De Cock gebaarde naar de leonberger.

‘Ik wil dat jullie ook die dode hond meenemen naar Westgaarde. Er is in de wagen naast het slachtoffer nog wel een plekje voor hem vrij.’

De broeders knikten als een tweeling.

‘Moet hij ook in de koeling?’

De Cock knikte.

‘Dokter Rusteloos zal morgen ook sectie op de hond verrichten.’

Een van de broeders grinnikte.

‘Dat heb ik nog niet meegemaakt.’

De Cock keek hem aan.

‘Ik wel.’

De oude rechercheur bezag hoe de broeders wat onwennig en met zichtbaar veel moeite de zware hond naar de ambulancewagen droegen. Eerst daarna legden ze het slachtoffer op de brancard, drapeerden een laken over hem heen en sloegen de canvasfl appen dicht.

Toen ze het lichaam van Peter Karstens zacht wiegend naar de ambulancewagen droegen, slofte De Cock met gebogen hoofd aan hun zijde mee. Hij keek toe hoe zij de brancard voorzichtig naar binnen schoven. De oude rechercheur deed een stapje terug. Het beeld van de dode hond liggend naast de brancard trof hem.

De broeders sloten de achterdeuren, stapten in en reden weg. De Cock bleef staan en tuurde de wagen na tot het rode achterlicht in de avondnevel oploste.


Zwijgend en in een bedrukte stemming reden ze met hun Golf van de hervormde kerk weg.

Het begon weer zachtjes te regenen. Het was Vledder die het zwijgen verbrak.

‘De deur van zijn atelier was op slot,’ rapporteerde hij. ‘Er waren ook geen sporen van braak.’

De Cock blikte opzij.

‘Patroonhulzen?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Die waren er niet. Het moordwapen was vrijwel zeker een revolver.[2]

De jonge rechercheur gebaarde voor zich uit.

‘De moord heeft volgens mij ook niets met roof te maken. Ik vermoed dat de dader enige tijd de gangen van Peter Karstens heeft nagegaan en wist dat de schilder op een bepaald tijdstip zijn hond uitliet.’

‘Rond de klok van elf uur,’ antwoordde De Cock. ‘Ik vind het een akelige gedachte. Misschien stond de man, of de vrouw, die Peter Karstens vermoordde al klaar toen ik met mijn Claude Monet onder de arm van het huis van Peter wegliep.’

‘Jou is niets bijzonders opgevallen?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik was op dat moment wellicht niet alert genoeg. Het gesprek met Peter en het geschenk dat hij mij gaf hadden mij wat verward.’

‘Heb jij een idee over de dader?’

De Cock maakte een hulpeloos gebaar.

‘Het is moeilijk om nu al een daderprofi el te maken. Volgens mij was het in elk geval geen professional.’

‘Waarom niet.’

‘De dader heeft de reactie van de leonberger niet voorzien… of verkeerd ingeschat.’

Vledder gromde.

‘Hopelijk wordt die hond zijn of haar ondergang,’ sprak hij grimmig.

De Cock knikte.

‘Neem morgen voordat dokter Rusteloos met zijn sectie begint, uit de kleding van Peter Karstens zijn huissleutels mee. Ik wil toch eens zien of we íéts kunnen vinden dat enig licht op de zaak werpt.’

Vledder blikte even opzij.

‘En de kogels uit zijn lijf?’

De Cock reageerde wat geschokt.

‘Allicht… de kogels uit zijn lijf. Maar wees voorzichtig. Er kunnen ook uitgetreden kogels in de kleding van het slachtoffer zijn blijven hangen. Dat is mij in het verleden na een schietpartij al een paar keer overkomen.’

Vledder grijnsde.

‘Ik zal erop letten.’

De jonge rechercheur parkeerde de oude Golf op de steiger achter het bureau. Ze slenterden door de Oudebrugsteeg naar de Warmoesstraat. Toen ze de hal van het politiebureau binnenstapten wenkte Jan Rozenbrand hen met een kromme vinger.

De Cock liep op hem toe.

‘Nog een lijk en ik ga gillen.’

De wachtcommandant schudde zijn hoofd.

‘Boven zit een jonge vrouw op je te wachten… een bloedmooie vrouw. Ze kwam hier een paar minuten geleden huilend binnen en vroeg naar jou.’

De Cock besteeg opmerkelijk kwiek de stenen trappen naar de tweede etage.

Vledder volgde lichtvoetig.

Op de bank bij de toegangsdeur tot de grote recherchekamer zat een jonge vrouw. De Cock herkende haar onmiddellijk: Maria, de beeldschone vriendin van Peter Karstens.

Ze kwam van de bank overeind en liep huilend op hem toe.

‘Hij is dood, hè… hij is dood.’

De Cock sloeg zijn armen om haar heen… voelde hoe haar lichaam schokte. Daarna hield hij haar iets van zich af, keek in haar betraande gezicht en knikte.

Загрузка...