13

Ze stapten op de houten steiger achter het politiebureau in hun oude Golf. Vledder keek naar het in linnen gewikkelde pak dat De Cock onder zijn arm gekneld hield.

‘Wat heb je daar?’

‘Herken je het niet?’ vroeg De Cock verwonderd. ‘Je was er toch bij toen Maria van Overloon mij gisteren aanraadde om de Monet die ik van Peter Karstens had gekregen, te laten inlijsten door ene Gerard Verbruggen?’

Vledder maakte een nonchalant gebaar

‘Ik had niet gedacht,’ sprak hij loom, ‘dat jij op die invitatie zou ingaan.’

De Cock maakte een schouderbeweging.

‘Volgens Maria is die Gerard Verbruggen een voortreffelijke lijstenmaker en een vriend van Peter.’

Vledder glimlachte.

‘Neem hem straks even apart. Misschien kent hij als vriend wel achtergronden van de moord op Peter Karstens.’

‘Ik zal het proberen,’ reageerde De Cock gedwee. Ze reden zonder veel oponthoud via de Rozengracht, Nassaukade en Stadhouderskade naar de Amsteldijk. Rechtop gezeten genoot De Cock intens van het panorama dat het uitzicht over de Amstel bood.

Vledder parkeerde de oude Golf pal bij de ingang van de begraafplaats Zorgvlied. De jonge rechercheur keek op zijn polshorloge.

‘Dokter Rusteloos verwacht mij om halfdrie op Westgaarde. Zal ik je na het bijwonen van de sectie op het lijk van Alfred van der Broek hier ophalen?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik verwacht niet dat de begrafenis van Peter Karstens lang zal duren. Ik kom wel op eigen gelegenheid naar de Kit. Misschien is Maria van Overloon bereid om mij een lift te geven.’

‘Als ze een auto heeft…’

De Cock glimlachte.

‘Welke moderne vrouw heeft tegenwoordig geen auto?’

De oude rechercheur stapte uit de Golf en slenterde met het schilderij onder zijn arm de begraafplaats op. Het grove grind knerpte onder zijn voeten. Hij trok de kraag van zijn regenjas iets op. Het was koud voor de tijd van het jaar. Een snijdende wind kriebelde aan zijn oren.

Ineens herinnerde hij zich dat hij jaren geleden op diezelfde begraafplaats Zorgvlied, te midden van een kring belangstellenden rond het graf van ene Hendrik-Jan van Assumburg, een merkwaardige ontdekking deed. Daar stond Ronald Kruisberg, een man van wie hij wist dat hij twee jaar tevoren was gestorven.[7]

De Cock drukte de herinnering uit zijn gedachten. Hij keek naar een paar mannen en vrouwen die steunend tegen de muur van de aula enige beschutting zochten tegen de wind. Onder hen ontdekte de oude rechercheur Hannes van der Laar, de gepensioneerde man van de gemeentetram, die hem op het spoor van Matthijs van Slooten had gebracht. Hij liep blij lachend op de man toe.

‘Komt u de begrafenis van Peter Karstens bijwonen?’ vroeg hij vriendelijk.

Hannes van der Laar knikte.

‘Maria zei dat ze het op prijs zou stellen als ik ook zou komen.’

‘Kent u Maria?’ De Cock was verrast.

Hannes van der Laar knikte opnieuw.

‘Ik wist dat ze het vriendinnetje van die kunstschilder was. Toen ik haar de volgende dag op de Noordermarkt zag, heb ik haar aangesproken en haar gecondoleerd met het verlies van… eh, van haar man.’

‘Dat was vóór u naar ons, naar de recherche aan de Warmoesstraat kwam?’

Hannes van der Laar schudde zijn hoofd.

‘Kort daarna.’

‘En u hebt haar hetzelfde verteld als hetgeen u aan ons hebt verklaard?’

Hannes van der Laar keek De Cock enigszins geschrokken aan.

‘Was… eh, was dat niet goed?’

De Cock haastte zich om de man gerust te stellen. Voor hij verder kon vragen, tikte iemand hem op zijn schouder. De oude rechercheur draaide zich om. Voor hem stond een vriendelijk ogende man met grijs golvend haar.

‘U bent rechercheur De Cock?’ vroeg hij.

De grijze speurder knikte.

‘De Cock met…’

Hij slikte de rest in.

De man stak hem zijn hand toe.

‘Mag ik mij aan u voorstellen? Ik ben Verbruggen… Gerard Verbruggen.’ Hij wees naar het schilderij onder de arm van De Cock. ‘Ik zie dat u het doek hebt meegenomen.’

De rechercheur knikte.

‘Op verzoek van Maria van Overloon. Ze zei dat u een voortreffelijke lijstenmaker bent.’

Gerard Verbruggen glimlachte gevleid.

‘Zal ik het doek van u overnemen?’ vroeg hij bereidwillig. ‘Dan leg ik het alvast in mijn wagen, die staat iets verder bij de aula.’

De Cock reikte de man zijn Monet aan en Verbruggen liep naar zijn auto.

Vrijwel op hetzelfde moment kroop een glanzende lijkwagen over het grind van het toegangspad naderbij. Op enige afstand stopte één enkele volgwagen.

Maria van Overloon stapte uit. In haar zwarte mantelpakje en keurige hoedje over haar lange krullende haar was ze een opvallende verschijning. Met kleine pasjes liep ze op De Cock en Hannes van der Laar toe.

‘Is Gerard Verbruggen er nog niet?’

De Cock duimde over zijn schouder.

‘Die legt mijn schilderij vast in zijn auto. Dan hoef ik er niet mee te slepen.’

Maria knikte begrijpend.

‘Dan zal hij zo wel komen.’

De deuren van de aula gleden open en een met bloemen bedekte baar werd uit de lijkwagen getild. Stram in de houding, met ontbloot hoofd, zijn oud hoedje in zijn hand, keek De Cock toe hoe de baar langs hem werd gedragen. Toen de baar in de aula was gebracht, wendde hij zich tot Maria van Overloon.

‘Heb jij een uitvaartdienst georganiseerd?’

Maria trok haar gezicht strak.

‘Peter geloofde in God noch gebod. Hij noemde dat verlakkerij. Volgens Peter werden de mensen middels de religie bedrogen.’

De Cock knikte.

‘Peter was star in zijn opvattingen.’

Maria zuchtte.

‘Ik was het ook niet met hem eens. Wij hadden daar wel eens woorden over. Hoewel ik, nadat ik bij Peter ben ingetrokken, geen enkele kerkdienst meer heb bezocht, is toch iets van mijn christelijke opvoeding blijven hangen. De kern daarvan is nooit uit mijn ziel verdwenen. Ik vond dat een korte uitvaartdienst het laatste was wat ik voor Peter doen kon.’

De Cock wees naar de mensen die de aula binnengingen.

‘Heb jij die uitgenodigd?’

Maria schudde haar hoofd.

‘Ik heb mij door de begrafenisondernemer laten vertellen dat er altijd mensen zijn die elke auladienst bijwonen, ongeacht wie er wordt begraven.’

De Cock snoof.

‘Een vreemde hobby.’

Met Gerard Verbruggen in hun midden gingen ze de aula in en namen vooraan plaats.

Een keurig in zwart geklede heer ging achter een kathedertje staan. Hij rangschikte enige papieren voor zich, kuchte en bracht zijn beide armen in een theatraal gebaar schuin naar voren.

‘God,’ sprak hij met stemverheffing, ‘schenke u Zijn zegen en geve u vrede. Amen.’ Hij liet zijn armen zakken en ging rustiger verder. ‘Ziende op de Heer, die gesproken heeft: Ik ben de opstanding en het leven, die in Mij gelooft zal leven; ook al is hij gestorven, en eenieder die leeft…’

De Cock liet de zalvende woorden van de predikant over zich heen daveren. Hij vroeg zich af of dominees bij begrafenissen geen andere tekst gebruikten. Hij kende deze woorden al bijna uit zijn hoofd. Zo vaak had hij ze gehoord.

Na een vurig gebed daalden zware orgelklanken over de aanwezigen neer. De predikant verdween en het kathedertje werd weggehaald. De ‘kraaien’ schaarden zich aan beide zijden van de baar. De auladeuren gingen open en de dragers droegen de baar wiegend naar buiten.

Na een korte plechtigheid aan het graf, waar Gerard Verbruggen enige woorden van rouw en troost sprak, liepen ze terug naar de aula.

Maria wees naar Hannes van der Laar.

‘Hebt u eigen vervoer?’

De gepensioneerde man schudde zijn hoofd.

‘Dan kunt u met mij in de volgwagen meerijden,’ sprak ze liefjes. ‘Ik moet toch nog even in Peters atelier aan de Noordermarkt zijn.’

Maria wees naar De Cock.

‘Komt uw assistent u ophalen?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Dat hebben wij niet afgesproken. Vledder is naar een gerechtelijke sectie.’

Maria lachte naar Gerard Verbruggen.

‘U kunt meneer De Cock wel een lift geven?’

‘Absoluut en met genoegen.’

Met Hannes van der Laar aan haar zijde liep Maria van Overloon, na een korte groet tot afscheid, naar de volgwagen, waarmee ze was gekomen. De Cock keek haar na. De oude rechercheur had een vreemd, niet beredeneerbaar gevoel, dat dit de laatste glimp was die hij van haar opving.

Gerard Verbruggen keek De Cock van terzijde aan.

‘Hebt u wel eens,’ vroeg hij verrassend, ‘in een vooroorlogse Ford gereden?’

De Cock lachte.

‘Langgeleden.’

Verbruggen ging hem voor.

‘Dan zal ik u dat genoegen nog eens laten beleven.’

Ze stapten in een goed onderhouden Ford V8.

Verbruggen, aan het stuur, blikte opzij.

‘Maakt u al vorderingen met uw onderzoek?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Mij besluipt al enige tijd de treurige gedachte dat dit mijn eerste zaak wordt die ik niet tot een oplossing heb kunnen brengen.’

Verbruggen glimlachte.

‘Niet zo somber.’

De Cock spreidde zijn armen.

‘Alle mensen die mij iets over de raadselen rond deze affaire kunnen vertellen, zijn dood… vermoord.’

Gerard Verbruggen reageerde niet direct.

‘Ik zal u,’ sprak hij na een poosje op ernstige toon, ‘op korte termijn de raadselen rond de dood van mijn vriend Peter Karstens zichtbaar maken.’

De Cock trok zijn neus iets op.

‘Zichtbaar maken?’

Gerard Verbruggen knikte.

‘Ik zal ze helder voor u oplossen.’

De Cock grijnsde meesmuilend.

‘U?’

‘Ja.’

‘Heeft Peter Karstens u in vertrouwen genomen? Heeft hij u uitgelegd…’

De Cock maakte zijn zin niet af.

Verbruggen schudde zijn hoofd.

‘Niets. Peter Karstens heeft mij niets verteld. Ik weet alleen dat hij zich bedreigd voelde. Over de oorzaak daarvan… over de richting waaruit die bedreiging kwam, heeft hij nooit iets losgelaten.’

De Cock grinnikte vreugdeloos.

‘Toch zult u mij de vele raadselen rond zijn dood zichtbaar maken?’

‘Ja… ik.’

De Cock schudde zijn hoofd vol ongeloof.

‘U… eh, u lijkt mij een betrouwbaar man. U kunt uw toezeggingen waarmaken?’

‘Absoluut.’

‘U vertelt geen sprookjes?’

Gerard Verbruggen schudde zijn hoofd.

‘Geen sprookjes.’

‘Hoe dan?’ vroeg De Cock, waarbij hij een radeloos gebaar maakte.

Verbruggen richtte al zijn aandacht op het verkeer.

‘Wacht rustig af.’

De Cock keek toe hoe Vledder met hangende schouders de grote recherchekamer binnenkwam en zich met een plof op de stoel achter zijn bureau liet zakken. Hij monsterde het gezicht van zijn jonge collega.

‘Ik zal je maar niet vragen hoe de sectie was.’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Dat kun je wel aan mij zien,’ sprak hij moedeloos. ‘Ik ben het zat. Spuugzat. Allemaal kerels met schotwonden in hun borst. Eerst Peter Karstens, toen Matthijs van Slooten, daarna Alfred van der Broek en morgenmiddag buigen dokter Rusteloos en ik ons over het lijk van Justus van Rijsbergen. Weet je, daar zakt mijn broek van af.’

‘Daar kan ik mij iets bij voorstellen,’ sprak De Cock bedaard. Hij glimlachte.

‘Ik beloof je, als in deze zaak nog een dode valt, ga ik voor jou de sectie bijwonen.’

Vledder lachte.

‘Ik zou bijna hopen,’ sprak hij gnuivend, ‘dat er nog een slachtoffer kwam.’

De Cock reageerde niet.

‘Is Adelheid[8] vandaag vrij?’

‘De hele dag,’ zei Vledder en zijn gezicht lichtte op.

‘Ga straks op tijd naar huis, drink gezellig samen met haar een wijntje en ga vroeg naar bed.’

Vledder keek naar de oude speurder op.

‘Wat doe jij?’

‘Nadenken.’

‘Waarover?

‘Wat Gerard Verbruggen mij heeft gezegd.’

Vledder trok zijn wenkbrauwen samen.

‘Die lijstenmaker?’

De Cock knikte.

‘Maria van Overloon bracht met een volgauto Hannes van der Laar naar huis en ik…’

Vledder onderbrak hem.

‘Was Hannes van der Laar ook bij de begrafenis?’ vroeg hij gespannen.

De Cock knikte opnieuw.

‘Op uitnodiging van Maria van Overloon. Ze stelde prijs op zijn aanwezigheid.’

Vledder keek hooglijk verbaasd.

‘Kent ze Hannes van der Laar?’

‘Ja.’

‘Hoe?’

‘Hannes van der Laar,’ legde De Cock geduldig uit, ‘kende Maria als het vriendinnetje van Peter Karstens. Hij heeft haar na de moord op de Noordermarkt ontmoet. Van der Laar is toen op haar toe gestapt en heeft haar gecondoleerd met het verlies van haar man. En om je volledig in te lichten… dat was kort na zijn bezoek aan Hans Rijpkema bij de Herkenningsdienst.’

Vledder keek de oude rechercheur met grote ogen aan.

‘En Hannes van der Laar heeft Maria van Overloon na dat condoleren alles verteld… over zijn waarnemingen, en de man die hij van de foto’s heeft herkend?’

‘Ja.’

Vledder greep met zijn handen naar zijn hoofd.

‘Allemachtig. Ze wist dus op dat moment al wie haar Peter had vermoord?’

‘Maar of ze ook zijn adres kende,’ antwoordde De Cock, ‘daar ben ik nog niet achter. Een blik in het telefoonboek zou haar niets hebben opgeleverd. Matthijs van Slooten had geen telefoonaansluiting.’

Vledder maakte aanstalten om uit zijn stoel op te staan.

‘Zullen we haar toch maar ophalen?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Als Maria van Overloon geen andere informatie had dan wat Hannes van der Laar haar vertelde, dan kan zij Matthijs van Slooten onmogelijk hebben vermoord.’

Vledder keek hem geschrokken aan.

‘Waarom niet?’

De Cock zuchtte diep.

‘Je vergeet één ding: Matthijs van Slooten was om halfzes al dood. Toen vond zijn vriendin, Barbara van Tollebeek, hem met kogelgaten in zijn borst. En dat was enige uren voordat wij met Hannes van der Laar naar de Herkenningsdienst reden, dus ook enige uren voordat Maria van Overloon haar informatie kreeg.’

Vledder ging weer zitten. Zijn gezicht zag grauw.

‘Jammer. Ik had even een sprankje hoop.’

Загрузка...