De Cock had moeie voeten.
Het was er ineens, onaangekondigd. Het was als een donderslag bij heldere hemel. Hij leunde achterover en legde zijn voeten op een hoek van zijn bureau. Met een van pijn vertrokken gezicht bevoelde hij zijn kuiten. Het was alsof geniepige kleine duiveltjes uit pure boosaardigheid met duizend spelden in zijn kuiten prikten. Hij kende de pijn, die uit de holte van zijn voeten kwam, langs zijn hielen omhoogtrok en zich vastzette in zijn kuiten. Hij wist ook wat die pijn betekende. Telkens als een zaak slecht verliep, als zijn onderzoek dreigde te verzanden en als hij het machteloze gevoel had volkomen in het duister te tasten, gaven die helse duiveltjes acte de présence. Vledder keek hem bezorgd aan.
‘Is het weer zover?’
De Cock knikte en sloot zijn ogen. Enkele minuten bleef hij zo zitten, bewegingloos en geconcentreerd. Zijn markante gezicht leek een stalen masker. Om de pijn te verdrijven zette hij zijn tanden in zijn onderlip.
‘Het gaat wel weer over,’ sprak hij mat. ‘De pijn is nog wel te verdragen, maar de wetenschap dat wij na vier moorden en dagen van intensief speuren nog geen stap verder zijn gekomen met ons onderzoek, bezorgt mij een angstig voorgevoel.’
Vledder keek zijn oudere collega met een blik vol ongeloof aan.
‘Jij denkt dat wij er niet uitkomen en dat wij de dader nooit zullen vatten?’
‘Dat kan toch?’ reageerde De Cock kalm. ‘Hoeveel moorden blijven niet onopgelost?’
Vledder schudde resoluut zijn hoofd.
‘Niet bij ons,’ sprak hij ferm. ‘Wij zijn er samen nog altijd uitgekomen.’
Op het gezicht van De Cock brak een glimlach door.
‘Misschien is het bijgeloof.’
‘Wat?’
‘Dat mijn moeie voeten iets met de stand van ons onderzoek te maken hebben.’
Vledder lachte bevrijd.
‘Vast.’
De Cock streek nog eens over zijn kuiten.
‘Hoe laat moet jij op Westgaarde zijn?’
Vledder trok een verveeld gezicht.
‘Dokter Rusteloos, onze grote kleine patholoog-anatoom, verwacht mij om twee uur, sectie op het lijk van Justus van Rijsbergen.’ Hij blikte steels naar De Cock. ‘Voorlopig het laatste slachtoffer?’
De oude rechercheur reageerde niet. Hij tilde omzichtig zijn benen van zijn bureau. De pijn in zijn kuiten trok langzaam weg. Hij wees naar Vledder.
‘Rij op weg naar Westgaarde eerst even naar het atelier van Peter Karstens en zet mij daarna bij het hoofdbureau af. Ik leen daar wel een wagen.’
Vledder keek hem verwonderd aan.
‘Waar wil je heen?’
‘Naar Blaricum. Ik ga Paul van Eldersloo zijn schilderij brengen. De Renoir die hij bij Peter Karstens had besteld. Ik heb vanmorgen naar het veilinghuis Brilliance of Art aan de Lijnbaansgracht gebeld. Ik kreeg Jan van Oldehove aan de lijn. Hij vertelde mij dat hij sinds de dood van Alfred van der Broek en Justus van Rijsbergen de feitelijke leiding over het veilinghuis op zich heeft gekregen. Directeur Van Eldersloo is, volgens zijn mededeling, al meer dan een week niet op zijn kantoor verschenen. De directeur heeft zich ziek gemeld. Volgens zijn arts is het niet te verwachten dat hij spoedig in het bedrijf terug zal keren.’
Vledder grijnsde.
‘Je gaat op ziekenbezoek?’
De Cock plooide zijn lippen in een tuitje.
‘Zo zou je het kunnen noemen. Ik zal hem beterschap wensen en hem vragen hoe hij dacht zijn bedrijf voort te zetten nu hem twee prominente medewerkers zijn ontvallen.’
Vledder snoof misprijzend.
‘Dat is alles?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik zal hem, in ruil voor de prompte levering van zijn Renoir, vragen om zijn medewerking bij de ontmaskering van de moordenaar.’
‘Hoe?’
‘Door als lokaas te dienen.’
De Cock voelde zich nerveus en tot het uiterste gespannen. Het kogelvrije vest dat hij droeg, knelde hem. Hij droeg zo’n vest niet graag.
In zijn ontmaskeringsplan, zo besefte hij, zaten tal van risico’s. Gezien de gezondheidstoestand van Paul van Eldersloo, die zijn woning liever niet wilde verlaten, had hij als locatie uiteindelijk toch de kapitale villa van de directeur aan de Blaricumse Schapendrift gekozen. Het huis was omringd door een omvangrijke tuin met veel rododendrons. Die struiken omzoomden ook de beide zijden van de brede oprijlaan.
De Cock had zich weer van de hulp verzekerd van zijn twee trouwe vrienden en collega-rechercheurs Appie Keizer en Fred Prins. Vooral Fred Prins, wist hij, was een prima schutter. Hij had beiden uitgerust met van het hoofdbureau geleende professionele handscanners en hen tevens gedwongen om kogelvrije vesten te dragen. Ook Vledder droeg zo’n vest. De moeilijkheid was de beveiliging van Paul van Eldersloo. Hij droeg wel een kogelvrij vest, maar voor alle zekerheid had De Cock onder dat vest nog een zware stalen plaat laten aanbrengen. De man kon zich amper nog bewegen. Uitgaande van de recente moorden was de oude rechercheur ervan overtuigd dat de dader gewoon aan de villadeur zou aanbellen in de overtuiging direct na het bellen toegelaten te worden. Dat was tevens de zwakke schakel. Paul van Eldersloo woonde alleen in het grote huis. Hij zou dus zelf de deur voor de moordenaar moeten openen. Volgens de modus operandi van de dader vuurde die drie kogels snel achter elkaar, gericht op het hart van het slachtoffer. De vraag die De Cock kwelde, was: wat zou de dader doen op het moment dat hij of zij besefte dat de kogels geen doel hadden getroffen? Hoe lang duurde de verbijstering van de dader voordat hij of zij tot verdere actie overging? En was dat tijdsbestek groot genoeg voor hem en Vledder om in te grijpen?
Na ampele overwegingen besloot De Cock om zijn oorspronkelijke plan te wijzigen en Paul van Eldersloo op het bellen niet te laten reageren.
Hij gaf Appie Keizer en Fred Prins de opdracht om de persoon die op het afgesproken tijdstip aan de deur verscheen, onmiddellijk te arresteren. De bewijsvoering werd dan wat moeilijker, maar hij wilde het leven van Paul van Eldersloo niet in gevaar brengen.
De oude rechercheur blikte op zijn horloge. Het was vijf minuten voor tien. Het moest nu gauw gebeuren. De afspraak was om tien uur.
De minuten vergleden langzaam. Het leek soms of de tijd even stilstond. Toen de grote staande klok in de hal van de villa tien uur sloeg, wachtten De Cock en Vledder gespannen op het rinkelen van de bel. Dat gebeurde niet.
Er werd helemaal niet gebeld en om elf uur blies De Cock de operatie af.
Toen De Cock de volgende morgen, gewoontegetrouw, een halfuur te laat de grote recherchekamer binnenstapte, trof hij Vledder achter zijn computer. Zijn rappe vingers dansten over de toetsen.
De Cock liet zich in de stoel achter zijn bureau zakken. Vledder ging nog even door. Daarna liet hij zijn vingers rusten en keek op.
‘Je was na afl oop niet te genieten. Een gezicht van oude lappen. Daarom heb ik maar niets gevraagd. Wat ging er gisteravond fout?’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Geen fl auw idee,’ verzuchtte hij. ‘Ik heb deze truc al een paar maal toegepast… steeds met succes.’
‘Welke truc? Zover ik je ken is jouw trukendoos onuitputtelijk.’
De Cock ademde diep.
‘Ik had Paul van Eldersloo een brief laten schrijven waarin hij openbaarde dat hij wist waarom Van der Broek en Van Rijsbergen waren vermoord. Hij eiste het geld terug dat aan Peter Karstens was verstrekt voor de reeks schilderijen die de kunstschilder door zijn dood niet kon leveren. Wanneer ze dat niet deed zou hij zijn wetenschap aan mij, rechercheur De Cock, doorspelen.’
Vledder schoot met een ruk naar voren.
‘Dat heb ik toch goed gehoord… je zei “ze”… wanneer “ze” het niet deed? Wie is “ze”?’
De Cock antwoordde niet direct. Hij gleed met de pink van zijn linkerhand over de rug van zijn neus. Het was een gebaar om tijdwinst.
Vledder drong aan.
‘Wie is “ze”?’
De Cock liet zijn hoofd zakken.
‘Maria… Maria van Overloon.’
‘Jij denkt dat zij die moorden heeft gepleegd?’
‘Ja.’
Vledder grinnikte vreugdeloos.
‘Waarom arresteren wij haar niet?’
De Cock zuchtte opnieuw.
‘Als Maria van Overloon stug blijft ontkennen, hebben we niets. Als ze gisteravond was verschenen op basis van de brief die ik Paul van Eldersloo had gedicteerd… met moordplannen in haar hoofd… een geladen revolver in haar tasje…’
De oude rechercheur maakte zijn zin niet af. Er werd luid op de deur van de grote recherchekamer geklopt en Vledder riep:
‘Binnen!’
Het klonk onvriendelijk.
Met een in wit linnen gewikkeld schilderij onder zijn arm geklemd kwam een man met grijs haar de grote recherchekamer in. Hij stapte op De Cock toe en overhandigde hem het schilderij.
‘Ik hoop dat mijn werk u bevalt,’ sprak hij vriendelijk. De Cock nam het linnen weg en straalde.
‘Prachtig,’ riep hij, ‘prachtig! Een schitterende klassieke lijst… een sieraad voor mijn huiskamer.’
Gerard Verbruggen glimlachte. Hij wees naar de stoel naast het bureau van De Cock.
‘Mag ik daar even gaan zitten?’
De Cock knikte nadrukkelijk. Hij legde het schilderij met een liefdevol gebaar voor zich op zijn bureau en nam zelf ook plaats.
Gerard Verbruggen boog zich iets naar voren.
‘Ik kom ook mijn belofte na,’ sprak hij plechtig. De Cock trok zijn wenkbrauwen samen.
‘Belofte?’
Gerard Verbruggen knikte.
‘Het zichtbaar maken van de raadselen die u kwellen.’