11

Vledder liet zich steunend en kreunend in de stoel achter zijn bureau zakken. Hij nam met een loom gebaar een doorschijnend plastic zakje uit een zak van zijn jack en wierp het De Cock toe.

‘Drie kogels uit het lichaam van Matthijs van Slooten,’ sprak hij verklarend. ‘Negen millimeter. Dokter Rusteloos heeft ze netjes uit zijn lijf gepeuterd en ik heb het bloed er afgespoeld.’

De Cock bekeek de kogels en wierp het zakje terug.

‘Je weet waar ze heen moeten. Jij hebt goede relaties met de motordienst. Misschien hebben ze iemand vrij om de kogels vandaag nog naar Rijswijk[6] te brengen.’

Vledder schoof de kogels in een lade van zijn bureau.

‘Ik zal straks bellen.’

‘Hoe was de sectie.’

Vledder snoof.

‘Ik heb in mijn korte leven bij de recherche al zoveel gerechtelijke secties bijgewoond,’ sprak hij zuchtend. ‘Ik kan de procedure wel dromen. Nog een paar en dan doe ik de secties zelf… hebben we Rusteloos niet meer nodig.’

De Cock lachte.

‘Vledder, onze nieuwe patholoog-anatoom.’

De jonge rechercheur trok een grijns.

‘Morgen sta ik met dokter Rusteloos bij het lijk van Alfred van der Broek. Wanneer komt er een eind aan? Deze affaire begint aan mijn zenuwen te knagen en ik zie voorlopig nog geen licht in deze zaak.’

De Cock maakte een lichte schouderbeweging.

‘De schutter die Matthijs van Slooten en Alfred van der Broek vermoordde voelt zich tot nu vrij zeker van zijn zaak. We moeten hopen op een foutje… een overschatting van zijn superioriteit.’

‘En wanneer komt dat?’

‘Geen fl auw idee.’

Vledder keek De Cock schattend aan.

‘Ben je al bij Buitendam geweest.’

‘Ja.’

‘En?’

De Cock krabde op zijn achterhoofd.

‘Hommeles.’

‘Heeft hij jou weer eens van zijn kamer gejaagd?’

‘Hij begon mij te verwijten dat ik vanmorgen niet bij hem was gekomen. Toen ik verwees naar onze werkdruk, vond hij dat geen excuus.’ De Cock zei het laconiek.

‘Is hij belazerd!’ riep Vledder.

De Cock grinnikte om de reactie van zijn jonge collega.

‘Ik heb hem niet gevraagd of hij belazerd is. Dat leek mij niet behoorlijk.’ De oude rechercheur veranderde van toon. ‘Commissaris Buitendam,’ sprak hij rustig, ‘is vaak een angsthaas. Hij buigt als een knipmes voor de offi cier van justitie. Als die met een klacht komt, weet hij zich geen raad. Hij moet meer van zich afbijten en zijn personeel in bescherming nemen.’

‘Wie had geklaagd?’

‘Paul van Eldersloo.’

‘Directeur van Brilliance of Art?’

‘Volgens de officier van justitie had ik hem zonder dralen zijn Renoir moeten meegeven. De tweede klager was Justus van Rijsbergen. Hij had zich bij de offi cier van justitie beklaagd omdat ik hem zonder enige reden en zonder enig bewijs van moord had beticht.’

‘Heb je dat echt gedaan?’ vroeg Vledder lachend. De Cock grinnikte smalend.

‘Op de Brouwersgracht, toen ik naast hem in zijn prachtige Peugeot zat.’

‘Hoe reageerde hij?’

‘Woest. Ik kletste maar wat… kraamde wartaal uit.’

Vledder keek hem schuins aan.

‘Jij meende die rechtstreekse beschuldiging?’

‘Zeker meende ik dat,’ antwoordde De Cock beslist. ‘Ik verdenk Van Rijsbergen er niet alleen van dat hij Matthijs van Slooten tot moord heeft aangezet, maar ik houd ook de mogelijkheid open dat hij daarna zelf Van Slooten heeft vermoord om van een lastige getuige af te zijn.’

‘Bewijs?’

De Cock maakte een droef gebaar.

‘Daar mankeert het aan. Ik heb Justus van Rijsbergen aangeraden vandaag nog een bekentenis af te leggen. Volgens mij is dat voor hem de enige mogelijkheid om zijn leven te redden.’

Vledder fronste zijn wenkbrauwen.’

‘Jij ziet hem als volgende slachtoffer?’

‘Absoluut.’

‘Moeten we hem dan niet beschermen?’ vroeg Vledder. De Cock spreidde zijn handen.

‘Hoe… een post voor zijn deur? Ik kan mijn overtuiging niet wettelijk onderbouwen. Bescherming zonder een deugdelijke bewijsvoering als basis, krijg ik bij Buitendam niet voor elkaar. Ik heb Van Rijsbergen uitdrukkelijk gewaarschuwd. Meer kan ik niet doen. Het is zelfs de vraag of Van Rijsbergen een eventuele bescherming zou accepteren.’

De oude rechercheur klapte met zijn vuist op het blad van zijn bureau.

‘Als ik wist,’ ging hij geïrriteerd verder, ‘wie het op zijn leven heeft gemunt, dan kon ik die man of vrouw arresteren en op die manier voorkomen dat Justus van Rijsbergen wordt vermoord. Ik hoop door zijn bekentenis dichter bij de waarheid te komen.’

‘Ik zie Van Rijsbergen niet komen,’ sprak Vledder hoofdschuddend.

De Cock zuchtte.

‘Ik ook niet.’

Er werd op de deur van de grote recherchekamer geklopt en Vledder riep:

‘Binnen!’

Het klonk wat rauw.

De deur ging open en in de deuropening verscheen een nog betrekkelijk jonge man. De Cock schatte hem achter in de twintig. Hij droeg een blauwe spijkerbroek met daarop een pompeus blauw jack, dat hem een imposant voorkomen gaf. In een lichte tred liep hij naar het bureau van De Cock en bleef daar staan. De oude rechercheur bezag zijn krullende blonde haren, zijn lichtgroene, bijna lachende ogen en zijn brede kin. Daarna gebaarde de grijze speurder welwillend naar de stoel naast zijn bureau.

‘Neemt u plaats.’

De jongeman ging zitten.

‘U bent toch rechercheur De Cock?’ vroeg hij.

De oude rechercheur knikte.

‘De Cock, met ceeooceekaa.’

De jongeman lachte.

‘Leuk.’

‘Wat is daar voor leuks aan?’ vroeg De Cock terwijl hij hem verwonderd aankeek.

De jongeman lachte opnieuw.

‘Mijn moeder is een fan van de boeken over u. Toen ik haar belde om haar te zeggen dat ik besloten had naar u toe te gaan, vond ze dat enig. Ze zei vrolijk: let op als hij zich voorstelt.’

De Cock ging er niet op in.

‘U besloot naar mij toe te gaan?’ vroeg hij zakelijk.

‘Ja.’

‘Waarom?’

Op het gezicht van de jongeman kwam een ernstige trek.

‘Ik ben Jan van Oldehove. Ik werk al een paar jaar bij het veilinghuis Brilliance of Art aan de Lijnbaansgracht. Vanmiddag kwam de heer Van Rijsbergen bij ons en vertelde dat hij Alfred van der Broek dood in zijn woning had aangetroffen… doodgeschoten.’

De Cock knikte.

‘Dat klopt.’

Jan van Oldehove schudde zijn hoofd.

‘Het verbaast mij niets.’

‘Wat?’

‘Dat ze hem hebben gemold.’

‘U had dat verwacht?’ vroeg De Cock met een tikkeltje ongeloof in zijn stem.

‘Alfred van der Broek was een ettertje van het zuiverste water.’

De jonge Van Oldenhove sprak met een plat Amsterdams accent.

‘Iedereen had de pest aan hem. Maar dan ook iedereen. Het personeel kon zijn bloed wel drinken. Hij was een arrogante klootzak. Zijn enige plezier in het leven was anderen te pesten.’

De Cock glimlachte.

‘Dat is toch geen reden voor moord?’

‘U hebt die man nog nooit van nabij meegemaakt,’ zei Jan grijnzend. ‘Het broeit al lange tijd onder het personeel. Een van ons heeft al eens het plan opgevat om een zwaar beeld op zijn hoofd te laten vallen. Zogenaamd per ongeluk… snapt u?’

‘Dat is niet gebeurd?’

‘Hij werd verraden.’

‘Door wie?’

De jongeman gebaarde heftig met zijn handen.

‘Een ander lid van het personeel, ook zo’n goor vies gluipertje, ging naar Van Rijsbergen en vertelde van het plan. Toen werd onze plannenmaker op staande voet ontslagen.’

De Cock trok een ernstig gezicht.

‘Had de heer Van Rijsbergen geen hekel aan die vervelende Alfred van der Broek?’

Jan van Oldehove keek bedenkelijk.

‘Blijkbaar niet. Die twee konkelden met elkaar. Twee handen op één buik, volgens mij.’

‘En de heer Van Eldersloo?’ vroeg De Cock glimlachend.

‘Onze directeur?’

‘Ja.’

Jan van Oldehove schudde snuivend zijn hoofd.

‘Daar snap ik niets van. Trouwens, niemand van ons die er iets van begrijpt. Het lijkt wel of Van Eldersloo overal buiten staat, of hij er helemaal niet bij hoort. Van der Broek en Van Rijsbergen regelen alles.’

Jan van Oldehove trok zijn hoofd tussen zijn schouders.

‘En hij weet het,’ ging hij grommend verder. ‘Van Eldersloo weet wat voor een ettertje die Van der Broek was. Een delegatie van het personeel is wel eens bij hem geweest om over zijn gedrag te klagen.’

‘En?’

‘Het hielp niet,’ sprak de jongeman somber. Er gleed een glimlach langs zijn mond. ‘Toen de heer Van Rijsbergen ons vertelde, dat Van der Broek was doodgeschoten, kogels in zijn borst, heb ik toch even aan Van Eldersloo gedacht.’

De Cock keek hem schattend aan.

‘Hoezo?’

Jan van Oldehove grijnsde.

‘Van Eldersloo is in Blaricum lid van een schietvereniging. Hij was daar al tweemaal kampioen.’

Toen Jan van Oldehove met verende tred uit de grote recherchekamer was verdwenen, boog Vledder zich lachend naar voren.

‘Wat doen we met dit verhaal?’

De Cock trok zijn schouders op.

‘Dat die Alfred van der Broek een ettertje van het zuiverste water was, wil ik best geloven, maar dat scherpschutter Van Eldersloo voor zijn dood verantwoordelijk is…’

Hij maakte zijn zin niet af.

‘Dat wil er bij jou niet in?’ vulde Vledder aan en keek zijn leermeester schuins aan.

‘Motief?’ vroeg De Cock.

‘Misschien was hij het vervelende en ook eigengereide optreden van Van der Broek zat en gaat hij straks op weg om ook diens kompaan Van Rijsbergen een paar goed gerichte kogels door zijn hart te jagen.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Je vergeet even,’ sprak hij docerend, ‘dat scherpschutter Van Eldersloo dan ook verantwoordelijk moet zijn voor de dood van Matthijs van Slooten… eenzelfde perfecte groepering van kogelinslagen.’

Vledder bracht zijn beide handen naar zijn hoofd.

‘Misschien zitten wij,’ sprak hij met een zweem van wanhoop, ‘met die Justus van Rijsbergen wel op het verkeerde spoor en is niet hij de man die aanzet gaf tot de moord op Peter Karstens, maar directeur Paul van Eldersloo.’

‘Motief?’

Vledder zuchtte diep.

‘We draaien steeds in een kringetje rond. We komen niet tot de essentie, tot de kwintessens, het waarom van de gepleegde moorden.’

De Cock stond van zijn stoel op.

‘Steek de foto van Matthijs van Slooten bij je.’

De oude rechercheur sjokte naar de kapstok.

Vledder kwam hem na.

‘Waar ga je heen?’

De Cock schoof zijn oude hoedje over zijn grijze haardos.

‘Naar Lowietje. Mijn droge keel snakt naar het fl uweel van een cognackie.’

Lowietje, ter aanduiding van zijn geringe borstomvang meestal Smalle Lowietje genoemd, trok zijn levendige muizensmoeltje in een vriendelijke plooi en staakte het glazen spoelen. Hij veegde zijn vingers langs zijn morsige vest en stak de oude rechercheur spontaan een hand toe.

‘Welkom in mijn etablissement.’

De Cock drukte de klamme hand en hees zijn zware lijf op een barkruk naast Vledder.

‘Ook goedenavond,’ reageerde hij laconiek.

‘Hetzelfde recept?’

Zonder op antwoord te wachten dook de tengere caféhouder onder de tapkast en kwam weer boven met een fl es pure Franse cognac Napoleon, die hij met een haast devoot gebaar voor de grijze speurder neerzette.

‘Nog van mijn oude voorraad,’ lispelde hij vergenoegd. Hij pakte drie bolle glazen en schonk in, plechtig, als gold het een ceremonieel gebeuren.

Rechercheur De Cock keek vrolijk glunderend toe. Hij hield van die momenten. En hoewel hij wist dat de smalle caféhouder een dief was, een heler, een man die in zijn leven vrijwel alles had gedaan wat God in zijn wijsheid had verboden… hield hij van Lowietje.

‘Proost.’

Hij nam zijn glas op, schommelde het in zijn hand en snoof de prikkelende geur van de cognac op. Voorzichtig nam hij een slokje. Zacht gleed het fl uwelen vocht langs zijn dorstige keel. Met een peinzende blik keek hij naar het glas en zette het met een teder gebaar op de tapkast terug.

‘Als ik gepensioneerd ben, zal ik dit missen.’

Smalle Lowietje keek hem verbaasd aan.

‘Je kunt toch blijven komen? Daar heb je de Kit toch niet voor nodig. Mijn heerlijk etablissement zal voor jou altijd toegankelijk zijn.’

‘Bedankt, Lowie,’ antwoordde De Cock vertederd. ‘Peracti labores jucundi.’

De caféhouder keek hem niet-begrijpend aan.

‘Wat is dat?’

De Cock lachte.

‘Latijns voor: na gedane arbeid is het zoet rusten. En ik hoop dat men na mijn dood van mij zal zeggen: non moritur, cujus fama vivit.’

‘En dat betekent?’

‘Hij sterft niet, wiens roem nog voortleeft.’

Smalle Lowietje keek hem schattend aan.

‘Ben je in gedachten al met je pensionering bezig?’

‘Daar heb ik geen tijd voor,’ sprak De Cock lachend. ‘De misdaad houdt mij bezig.’

‘Druk aan de Kit?’

De Cock knikte.

‘We zijn met drie moorden tegelijk bezig.’

Smalle Lowietje schonk nog eens in.

‘Behoort bij die drie moorden ook de moord op Peter Karstens, de meestervervalser?’

‘Ja.’

‘Dat was toch jouw vriend?’

De Cock trok zijn gezicht strak.

‘Ik heb in de penoze twee vrienden,’ sprak hij gedragen. ‘De ene was de schilder Peter Karstens, de andere ben jij.’

Smalle Lowietje gniffelde.

‘De Cock, je laat mij blozen.’

De oude rechercheur stootte Vledder met zijn elleboog aan.

‘Laat hem de foto zien?’

De jonge rechercheur pakte de politiefoto van Matthijs van Slooten en hield die Smalle Lowietje voor.

‘Ken jij die man?’ vroeg De Cock.

Smalle Lowietje knikte.

‘Dat is Matthijs. Zijn achternaam ken ik niet.’

‘Kwam hij hier vaak?’

‘Een paar maal in de week.’

‘Wat weet je van hem?’

‘Een vreemde gozer… een dom mannetje.’ Lowietje spreidde zijn handen. ‘Hij liet bijna aan iedereen zijn blaffer zien.’

‘Wat voor een blaffer?’

‘Ik heb niet zoveel sjoege van blaffers,’ zei Lowietje met een onschuldig gezicht. ‘Volgens mij was het een revolver. Een… eh, een Webley & Scott.’

De Cock lachte.

‘Jouw kennis van blaffers valt nog wel mee.’

Smalle Lowietje snoof.

‘Sommige gozertjes lopen er gewoon open en bloot mee tussen hun broekriem.’

‘Die Matthijs was zo’n gozertje?’

Smalle Lowietje snoof opnieuw.

‘Nog erger. Hij vroeg aan iedereen: weet jij iemand die wat te doen heeft voor mij en mijn revolver?’

De mond van De Cock zakte iets open.

‘Hij bood zich openlijk aan als moordenaar?’

‘Exact.’

Загрузка...