De Cock sloeg zijn armen over elkaar en wachtte geduldig tot Barbara van Tollebeek weer enigszins tot bedaren was gekomen. Hij wist uit ervaring dat het wegebben van een explosie aan emoties enige tijd vergde. Zo nu en dan keek hij bezorgd in haar richting. Haar herhaalde kreet ‘het is niet waar’ verstomde. Langzaam veranderde haar houding. De zachte, lijdzame trekken in haar gezicht verdwenen en verhardden. Haar huid werd strakker. Het was alsof ze van gedaante veranderde… alsof ze geheel metamorfoseerde. Met een scherpe blik keek ze de grijze speurder uitdagend aan.
‘Wat voor bewijzen heeft u,’ vroeg ze bijna ijzig.
‘Wat bedoelt u?’
‘Bewijzen dat Matthijs een moord heeft begaan?’
De veranderde opstelling van Barbara van Tollebeek bracht De Cock enigszins in verwarring.
‘Wij… eh, wij zijn,’ sprak hij aarzelend, ‘Matthijs van Slooten op het spoor gekomen door een man die hem enige dagen achtereen op de Noordermarkt, in de luwte van de hervormde kerk, had opgemerkt.’
De lippen van Barbara vormden een smalle lijn.
‘En?’
De Cock spreidde zijn handen.
‘Het slachtoffer, de kunstschilder Peter Karstens, woonde op de Noordermarkt en had daar ook zijn atelier. Blijkbaar heeft Matthijs van Slooten het gedrag van de kunstschilder eerst enige tijd geobserveerd voor hij op het juiste moment toesloeg.’
Barbara van Tollebeek wuifde nonchalant voor zich uit.
‘Dat is uw interpretatie,’ reageerde ze minachtend. ‘En niet meer dan dat.’
De Cock knikte traag.
‘Dat is volkomen juist… een interpretatie. Maar er is meer. We hebben in zijn woning aan de Haarlemmer Houttuinen een revolver gevonden, een Webley & Scott. Uit proeven in het Gerechtelijk laboratorium in Rijswijk zal blijken dat de kogels die Peter Karstens en zijn hond troffen, met deze Webley & Scott zijn afgevuurd.’
Barbara van Tollebeek snoof.
‘Zal blijken,’ herhaalde ze op verachtelijke toon. ‘Dat heb ik toch goed gehoord? U zei: zal blijken. In feite hebt u nog geen enkele vorm van bewijs. Mijn vriend Matthijs was een wapengek. Hij was verzot op vuurwapens… vooral revolvers. Hij noemde zijn Webley & Scott een brave vriend.’
Ze schudde verwoed haar hoofd.
‘Maar die bezetenheid bestempelt hem nog niet tot moordenaar. Altijd, of we nou naar de bioscoop gingen of naar een restaurant, Matthijs stak altijd zijn wapen bij zich. Het was een gewoontegebaar van hem.’
De Cock maakte een afwerend gebaar.
‘Staak je verzet, Barbara. Geloof me, het heeft geen enkele zin. Jouw halsstarrige houding leidt tot niets. De hond die door Matthijs werd doodschoten, had hem kort tevoren in zijn bil gebeten. Ik heb de beet van die hond, de wond aan de bil van Matthijs van Slooten, gezien. Ik heb ook het bloed gezien op de tanden van de dode hond. Ik heb er vertrouwen in dat uit tests zal blijken dat de dna-patronen van beide bloedmonsters overeenstemmen.’
De oude rechercheur pauzeerde even.
‘Het wettig en overtuigend bewijs,’ ging hij rustig verder, ‘dat jouw vriend Matthijs verantwoordelijk is voor de dood van Peter Karstens de kunstschilder en zijn hond, zal ik zeker kunnen leveren. Absoluut. Het is gewoon een kwestie van tijd.’
Barbara van Tollebeek stak haar kin iets omhoog.
‘Daar wacht ik dan op.’
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
‘Jij, Barbara van Tollebeek, vormt zelfs een deel van mijn bewijsvoering.’
‘Ik?’
De Cock knikte nadrukkelijk.
‘De bruidsschat die Matthijs verwachtte als inbreng bij jullie huwelijk.’
‘Wat is daarmee?’
‘Die bruidsschat van Matthijs van Slooten zal zeker aan mijn bewijsvering bijdragen, een bewijs dat hij geld verwachtte voor een nog te plegen moord.’
Barbara van Tollebeek verschoof iets op haar stoel.
‘Ik zal daar offi cieel nooit een verklaring over afl eggen,’ reageerde ze fel. ‘Ik bijt liever mijn tong af.’
De Cock boog zich iets naar haar toe. In zijn ogen lag een haast smekende blik.
‘Jouw vader en moeder sturen je naar mij toe voor een advies. Zelf vraag je mij om raad. Die raad geef ik je. Accepteer dat Matthijs van Slooten een moord pleegde voordat hij zelf werd vermoord.’
Barbara van Tollebeek reageerde niet direct. Ze keek De Cock secondelang strak aan.
‘En dan?’
‘Wat bedoel je?’
‘Als ik dat gegeven accepteer?’
De Cock liet een glimlach om zijn lippen zweven.
‘Dan gaan jij en ik op zoek naar de moordenaar van Matthijs, naar de mensen die hem met een mooie belofte van veel geld tot moord hebben uitgelokt.’
Barbara hield haar hoofd iets schuin.
‘Daar gelooft u in?’
De Cock knikte heftig.
‘Absoluut.’ Hij wees met een bezwerende hand in haar richting.
‘Begrijp,’ sprak hij dwingend, ‘dat hij die moord feitelijk pleegde uit liefde voor jou, uit een wellicht misplaatst eergevoel… een drang om een volledige partner van jou te zijn.’
‘Stommeling.’
De Cock liet zijn hoofd iets zakken. Hij keek voor zich uit naar zijn open handen. Hij hield niet van verhoren vol van sentimenten. Ze vraten zijn ziel op. Na enige tijd keek hij haar opnieuw aan.
‘In het begin van ons onderhoud vanavond,’ begon hij voorzichtig, ‘heb jij jezelf aan mij gepresenteerd als een zachte, lieve wat naïeve jonge vrouw. Het was een pose. Ik heb aan dat beeld dat jij van jezelf schetste nooit een moment geloofd.’
Barbara schudde haar hoofd.
‘Ik heb mij niet anders voorgedaan, dan ik ben.’
De Cock negeerde haar opmerking.
‘Toen Matthijs van Slooten,’ ging hij rustig verder, ‘voor de eerste keer met jou over zijn zogenaamde bruidsschat sprak, was jij niet zo naïef om te denken dat Matthijs dacht dat hij spoedig een grote prijs in de loterij zou winnen. De bruidsschat waarover Matthijs sprak, moest, en dat begreep jij deksels goed, uit een geheel andere bron komen.’
De oude rechercheur boog zich dichter naar de jonge vrouw toe.
‘Waar?’
Barbara liet haar hoofd iets zakken. Het was alsof ze haar antwoord overwoog. Na enkele seconden knikte ze traag.
‘Waar.’
De Cock slaakte een zucht.
‘Goed,’ sprak hij berustend. ‘En wat heb jij gedaan om achter het geheim van die bruidsschat te komen?’
Barbara had duidelijk moeite met haar bekentenis.
‘Het… eh, het was laf wat ik deed,’ sprak ze bijna fl uisterend.
‘Heel geniepig. Dom… achterbaks. Jegens Matthijs een grove blijk van wantrouwen.’
‘Wat?’
Barbara keek de grijze speurder aan. Haar onderlip trilde.
‘Ik… eh, ik heb hem een paar maal gevolgd. Ik heb gekeken waar hij heen ging en ik wilde weten met wie hij contact had. Ik heb hem ook op de Noordermarkt zien staan… bij de achteringang van de hervormde kerk. Ik begreep niet wat hij daar te zoeken had. Ik heb hem dat ook nooit durven vragen.’
‘Waarom niet?’
Over haar gezicht gleed een smartelijke trek.
‘Ik had hem dan moeten opbiechten dat ik stiekem zijn gangen naging. Dat wilde… dat durfde ik niet.’
‘Dat begrijp ik,’ sprak De Cock haast vaderlijk. Barbara sloeg haar handen voor haar gezicht. Toen ze haar handen weghaalde, stonden haar ogen vol tranen.
‘Geen moment,’ riep ze snikkend, ‘geen moment is de gedachte bij me opgekomen dat Matthijs bezig was een moord te beramen. Geen moment. Als ik daar ook maar een fl auw vermoeden van had gehad, dan had ik dat rotding toch van hem afgenomen.’
‘Zijn revolver?’
‘Ja.’
De Cock leunde wat vermoeid achterover.
‘Heb je tijdens jouw speurtochten nog gezien met wie Matthijs contact had?
Barbara knikte traag. Ze tastte in de zakken van haar mantel, nam daaruit een foto en schoof die De Cock toe.
‘Heb ik stiekem genomen. Op het Rembrandtplein. De foto is niet erg scherp. Ik moest het snel doen. Het is ook maar een print uit mijn computer. Maar de man met wie Matthijs daar op het terras zat, is toch wel te herkennen.’
De oude rechercheur bekeek de al wat beduimelde onscherpe kleurenfoto van een man, zittend achter een tafeltje met een glas bier.
‘Welk terras was het?’
‘Dat weet ik niet. Daar heb ik niet op gelet. Misschien kan ik het u wijzen.’
‘Wie is die man?’
Barbara schudde haar hoofd.
‘Geen fl auw idee.
‘Wanneer vond die ontmoeting plaats?’
‘Vorige week zaterdag. Ik was vrij en kwam bij hem op bezoek. Ik had mijn digitale camera meegenomen om foto’s van ons te maken.’
‘In de Haarlemmer Houttuinen?’
Barbara knikte.
‘Tot mijn verwondering stond Matthijs met zijn jas aan bij zijn eigen voordeur. Hij begroette mij niet eens behoorlijk. Hij keek op zijn horloge. “Ik heb om twee uur een afspraak,” zei hij wat verward. “Maak intussen maar wat lekkers klaar. Binnen een uurtje ben ik wel terug.” ’
‘Toen ben je hem gevolgd?’
‘Ja, Matthijs heeft geen auto en geen fi ets. Hij doet alles te voet.’
Om haar volle lippen gleed een grijns.
‘En… hij kijkt nooit om.’
Toen Barbara van Tollebeek de grote recherchekamer had verlaten, boog Vledder zich ver voorover en pakte de foto van het bureau van De Cock. Hij liet zich terugvallen in zijn stoel en bekeek de man op de foto aandachtig.
‘Een gewone vent.’
De Cock lachte.
‘Wat had je dan gedacht? Een man met hazenlip, een scheve neus of een dikke bult op zijn voorhoofd? De plastische chirurgie heeft voor de politie alle mooie signalementen bedorven.’
Vledder gromde.
‘Hoe komen wij erachter wie die kerel is?’
De Cock schoof zijn onderlip naar voren.
‘Dat is niet eenvoudig. We kunnen onze fotografi sch dienst vragen om het beeld wat te verbeteren, maar daar schieten we niet veel mee op.’
De oude rechercheur trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.
‘Ik heb een moment overwogen om Barbara op het Rembrandtplein het terrasje aan te laten wijzen waar zij die foto heeft genomen.’
‘En?’
‘Ik zie er maar vanaf.’
‘Waarom?’
De Cock trok een schoolmeestersgezicht.
‘Als je met de foto van die man op het Rembrandtplein gaat leuren, loop je kans dat je de foto laat zien aan iemand die de betrokkene persoonlijk kent en hem waarschuwt dat wij belangstelling voor hem hebben. Dat wil ik per se voorkomen.’
Vledder schoof de foto naar De Cock.
‘Hoe wil je er dan achter komen wie die man is?’
De oude rechercheur tikte met zijn wijsvinger op de beduimelde foto.
‘Maria van Overloon.’
‘De vriendin van Peter Karstens?’ vroeg Vledder verrast.
‘Matthijs van Slooten werd, zo neem ik aan, benaderd door iemand die er belang bij had dat Peter Karstens uit dit aardse tranendal verdween.’ De Cock tikte opnieuw op de foto. ‘Als ons vermoeden juist is, dan moet er tussen hem en Peter Karstens een relatie hebben bestaan. En wie kan ons daarover inlichten?’
Vledder grijnsde.
‘Maria van Overloon.’
De Cock knikte.
‘Bel haar morgenochtend op en vraag of ze even bij ons aan de Warmoesstraat wil komen.’
‘Morgenochtend?’
De Cock wees naar de grote klok boven de deur van de grote recherchekamer.
‘Het is bijna twee uur. We kunnen Maria van Overloon toch niet midden in de nacht naar ons toe laten komen om haar een fotootje te laten zien.’
‘Kunnen we niet beter naar haar toe gaan?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik wil niet dat iemand ons daar herkent en zich afvraagt wat wij aan het doen zijn. Het is volgens mij beter dat voorlopig niemand weet waar Maria verblijft.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
‘Waar ben je bang voor?’
De Cock zuchtte.
‘Zolang wij niet weten waarom Peter Karstens werd vermoord, mogen wij haar leven niet in de waagschaal stellen. Peter moet een dwingende reden hebben gehad om haar uit de gevarenzone te houden.’
De Cock liet zich in de stoel achter zijn bureau zakken. Hij keek naar Vledder, die achter zijn computer zat.
‘Heb je haar gebeld?’
De jonge rechercheur stopte even en knikte.
‘Ze heeft beloofd om tien uur hier te zijn.’
De Cock keek op zijn horloge.
‘Dan ben ik net op tijd.’
Maria van Overloon kwam in een natte zwarte regenmantel de grote recherchekamer binnen. Ze nam haar hoedje in de vorm van een zuidwester af en sloeg het uit. Regendruppels kletsten tegen het balatum. Ze liep naar het bureau van De Cock en bleef daar staan.
‘Weet u al wie Peter vermoordde?’
De Cock antwoordde niet. Hij gebaarde naar de stoel naast zijn bureau.
‘Ga zitten,’ sprak hij vriendelijk.
Maria liep naar de kapstok en deed haar natte regenjas uit. In een keurig, nauwsluitend zwart mantelpakje stapte ze terug naar De Cock en ging zitten. Ze frommelde even aan haar kraagje.
‘Gistermorgen gekocht. Peter wordt overmorgen begraven. Ik had nooit zwart in mijn garderobe.’
‘Het staat je goed.’
Maria van Overloon schonk hem een droeve grijns.
‘Zwart is mijn kleur niet.’
‘Waar wordt hij begraven?’
‘Op Zorgvlied, om twee uur. Bij zijn moeder in een eigen graf. Ik reken erop dat u ook komt.’
‘Ik kom,’ antwoordde De Cock bedaard.
Maria verschoof iets op haar stoel.
‘Weet u al iets?’
De Cock aarzelde even.
‘Wij weten wie Peter en zijn hond vermoordde.’
Ze reageerde verrast.
‘Werkelijk?’
‘Ja.’
‘Wat hebben jullie met hem gedaan?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Niets.’
‘Niets?’ Verward keek ze hem aan.
De Cock wreef even met zijn vlakke hand over zijn gezicht.
‘Toen we hem vonden was hij dood.’
‘Vermoord?’
De Cock knikte.
‘Iemand schoot drie kogels door zijn hart.’
‘Wie?’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Geen fl auw idee.’
‘Weet u waarom die man op Peter schoot?’
De Cock antwoordde niet direct.
‘Wij vermoeden,’ formuleerde hij toen voorzichtig, ‘dat hij dat deed in opdracht van iemand die hem daarvoor veel geld beloofde.’
‘Een huurmoordenaar.’
De Cock tuitte zijn lippen.
‘Zo zou je hem kunnen noemen.’
‘Lafbek!’ zei ze fel.
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
‘Huurmoordenaars zijn ook mijn vrienden niet.’
Maria van Overloon keek hem uitdagend aan.
‘En nu?’
‘Wat?’
‘Onderzoek gesloten?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Wij hebben een beduimeld fotootje van de man met wie die huurmoordenaar contact heeft gehad. Dat fotootje wilden wij jou graag laten zien. Het is een slechte opname, in grote haast genomen. Hij is een beetje onscherp, maar volgens mij is de man wel te herkennen.’
Maria strekte haar rug.
‘Laat zien!’ antwoordde ze scherp.
De Cock nam de foto uit de lade van zijn bureau. Terwijl hij haar gezicht scherp in de gaten hield, schoof hij de foto langzaam naar haar toe. Hij zag hoe haar gelaatsexpressie veranderde. Haar ogen werden groot en haar mond zakte open.
‘Ken je die man?’
‘Dat… eh, dat is Justus van Rijsbergen,’ lispelde ze, ‘inkoper van het veilinghuis.’
‘Brilliance of Art?’
Maria knikte.
‘Met hem had Peter de grootste ruzie.’