7

Na enig zoeken vond Vledder aan een minuscuul haakje in de keuken de sleutel van de voordeur. Ze verlieten de kleine woning van Matthijs van Slooten. Vledder sloot de deur slotvast af en stak de sleutel in zijn zak.

‘Ik heb voor morgenmiddag,’ sprak hij verklarend, ‘een afspraak met Ben Kreuger van de dactyloscopische dienst. Hij kon zich niet eerder vrijmaken. Het personeelstekort bij hen is nog steeds niet opgelost. Er zijn geen mensen te vinden om het tekort op te vangen.’

De Cock snoof.

‘Zolang ik mij kan herinneren,’ gromde hij, ‘beloven alle politieke partijen bij de aanloop naar de verkiezingen met grote stelligheid dat de politie op korte termijn aanzienlijk zal worden uitgebreid en dat de veiligheid van de burger wordt gegarandeerd.’

Hij trok een grijns.

‘Maar het personeelstekort bij de Amsterdamse politie bestaat, zoals ik weet, al zeker veertig jaar.’

Hij gromde opnieuw, minachtend.

‘Veiligheid… vraag eens aan de vele slachtoffers van beroving hoe het voelt: een mes op je keel en een vreemde hand aan je portefeuille.’

De rechercheurs zakten beiden mopperend drie trappen af en sloften naar hun oude Golf. Somber zwijgend stapten ze in en reden van de Haarlemmer Houttuinen weg.

Het was weer gaan regenen. Dikke, vette regendruppels kletsten tegen de voorruit en trommelden op het dak. Vledder zette de ruitenwissers aan en De Cock liet zich diep onderuitzakken. Om de hypnotiserende aanblik van de zwiepende ruitenwissers te ontwijken schoof hij de rand van zijn hoedje tot op de rug van zijn neus. Na een poosje schoof hij zijn hoedje terug en blikte schuin omhoog.

‘Geen correspondentie gevonden?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Er was in de hele woning geen brief te vinden, geen kladje. Er was ook geen lijstje met telefoonnummers. Geen rekeningen, niets. Ongewoon. Matthijs van Slooten had zelfs geen telefoonaansluiting.’

‘Vreemd.’

‘Och, met een mobieltje heb je geen vaste aansluiting meer nodig.’

De Cock grinnikte.

‘Misschien was hij analfabeet. Die komen in ons landje nog steeds veelvuldig voor.’

‘Ongelofelijk.’

‘We moeten morgenochtend maar eens met het bevolkingsregister bellen. Mogelijk dat er familieleden bestaan die iets over hem kunnen zeggen. En neem ook eens contact op met de rechercheur van het derde district, die in het begin van dit jaar de schietpartij heeft behandeld waarvan Matthijs van Slooten werd verdacht.’

Vledder keek schuin op zijn oude leermeester neer.

‘Je bent vandaag wel scheutig met je opdrachten.’

De Cock drukte zich iets omhoog, grijnsde breed, maar gaf verder geen commentaar. Vledder parkeerde de Golf op de steiger achter het bureau. Via de Oudebrugsteeg bereikten ze de Warmoesstraat, zoals ze dat al honderden, zo niet duizenden keren gedaan hadden. Toen ze de hal van het politiebureau binnenstapten wenkte Jan Rozenbrand De Cock met een kromme vinger. De oude rechercheur stapte loom op hem toe.

‘Toch geen nieuwe zaken?’ vroeg hij wat vermoeid. De wachtcommandant glimlachte.

‘Er zit boven een jonge vrouw op je te wachten.’

‘Op mij?’

Jan Rozenbrand knikte.

‘Ze vroeg naar rechercheur De Cock. En zover ik weet hebben we daar maar één van.’

De oude rechercheur keek op zijn horloge.

‘Het is halftwaalf.’ In zijn stem trilde ergernis. ‘Mag ik ook eens een keer naar huis.’

Jan Rozenbrand maakte een verontschuldigend gebaar.

‘Ik had via het hoofdbureau gehoord dat je om de meute had gevraagd. Ik weet wat dat betekent en verwachtte jou niet zo gauw terug. Dat vertelde ik haar, maar ze stond erop te blijven wachten.’

‘Wanneer was dat?’

‘Een goed uur geleden.’

‘Dus ze zit al een uur op mij te wachten?’

‘Minstens.’

De Cock draaide zich om en besteeg moeizaam de trappen naar de tweede etage.

Vledder volgde met lichte tred.

Op de bank bij de deur van de grote recherchekamer zat een jonge vrouw. Toen ze De Cock in het oog kreeg stond ze op en liep langzaam naar hem toe.

De Cock schatte haar op achter in de twintig. Ze had een lief, vriendelijk gezicht, een matbleke huid en grote donkerbruine ogen. Haar blonde haren lagen nat en geplakt op haar hoofd. Een te ruime beige regenmantel verborg al haar vormen. Met een wat melancholieke blik keek ze naar de grijze speurder op.

‘U bent rechercheur De Cock?’

De grijze speurder knikte.

‘De Cock met… eh, met ceeooceekaa.’

Er gleed een glimlach om haar lippen.

‘Ze zeiden dat u zo zou reageren.’

‘Wie zeiden dat?’

Ze wuifde wat vaag in de ruimte.

‘Mijn vader en mijn moeder. Op hun aanraden ben ik naar de Warmoesstraat gegaan om u te consulteren. Vader wilde aanvankelijk met mij meekomen, maar dat heb ik geweigerd. Ik heb mijzelf in de problemen gebracht, ik moet er ook zelf weer uitkomen.’

De Cock glimlachte.

‘Door mij te consulteren?’

Ze knikte nadrukkelijk.

‘Ik wil uw raad.’

De Cock ging haar voor naar de recherchekamer en liet haar op de stoel naast zijn bureau plaatsnemen. Ze knoopte haar regenjas los en sloeg die iets terug. De oude rechercheur bezag haar fraaie buste, die door een zwart, nauwsluitend bloesje priemde.

‘Wie bent u?’

Ze verschoof iets op haar stoel.

‘Barbara… Barbara van Tollebeek.’

‘Waar woont u?’

‘Bij mijn ouders op de Brouwersgracht in een tot appartementen omgebouwd pakhuis.’

‘Dat oude pakhuis ken ik,’ zei De Cock. ‘De Brouwersgracht is voor mij bekend terrein.’

Hij boog zich iets naar haar toe en schonk haar zijn beminnelijkste glimlach.

‘Ik ben klaar voor het consult.’

Barbara van Tollebeek weifelde even.

‘Zal ik bij het begin beginnen?’

De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.

‘Dat lijkt mij zinvol.’

Ze wreef zich even in de handen.

‘Ik… eh, ik heb,’ begon ze voorzichtig, ‘begin van dit jaar in een discotheek een jongen leren kennen. Ik vond hem wel aardig. We hebben samen wat gedanst en na enige tijd vroeg hij of hij mij naar huis mocht begeleiden. Ik had daar geen bezwaar tegen. Integendeel. Ik voelde mij gevleid.’

Ze nam een kleine pauze.

‘We hadden net de disco verlaten,’ ging ze verder, ‘toen er buiten op straat ergens een schot klonk. Er was bijna onmiddellijk politie ter plaatse. Blijkbaar verwachtte men al enige tijd narigheid in en om die discotheek. De jongeman van wie ik u vertelde, werd gefouilleerd. Toen ze bij hem een wapen vonden, werd hij gearresteerd.’

‘Op grond waarvan?’

Barbara van Tollebeek stak haar handen met gespreide vingers open naar voren.

‘Ze verdachten hem ervan dat hij de man was die had geschoten.’

Ze schudde heftig haar hoofd.

‘Dat was niet waar. Hij had het wapen dat hij bij zich had in mijn bijzijn niet gebruikt.’

De Cock keek Barbara onderzoekend aan.

‘Daarvan hebt u bij de recherche van het derde district een getuigenis afgelegd?’

Barbara van Tollebeek knikte nadrukkelijk.

‘Hij is ook na een dag weer vrijgelaten.’

De Cock knikte begrijpend.

‘En sindsdien hebt u contact met hem onderhouden?’

‘Ja.’

‘Tot wanneer?’

‘Wat bedoelt u?’

‘Hebt u nog contact met hem?’

Barbara liet haar hoofd zakken. Haar natte blonde haren gleden als een gordijn voor haar gezicht.

Toen ze na enige tijd weer opkeek, had ze tranen in haar ogen.

‘Tot… eh, tot… eh,’ ze stotterde, ‘tot vanmiddag.’

De Cock liet van zijn vermoedens niets merken.

‘Hij… eh, hij verbrak de omgang?’

Het was een overbodige vraag.

Barbara schudde haar hoofd.

‘Iemand zorgde ervoor dat ik nooit meer contact met hem zou kunnen hebben.’

De Cock veinsde onbegrip.

‘Wie zorgde voor wat?’

Barbara bracht haar handen voor haar gezicht.

Haar lichaam schokte.

De Cock wachtte geduldig tot ze wat rustiger werd en haar handen van haar gezicht wegnam.

‘Wie zorgde ervoor dat u nooit meer contact met hem zou kunnen hebben?’

Barbara van Tollebeek schudde haar hoofd.

‘Ik… eh, ik weet niet wie hem heeft vermoord.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Vermoord?’

Barbara knikte traag.

‘Matthijs… zo heet hij… Matthijs van Slooten. Hij heeft een kleine woning op de derde etage in de Haarlemmer Houttuinen. We hadden afgesproken dat ik vanmiddag na mijn werk bij hem zou komen.’

‘Hoe laat?’

‘Halfzes. Ik werk tot vijf uur. Matthijs had mij een sleutel gegeven van de buitendeur. Ik ging de trap op naar zijn etage. Daar vond ik tot mijn verbazing de deur van zijn woning openstaan.’

‘Dat vond u vreemd?’

Barbara knikte.

‘Ik kreeg onmiddellijk het gevoel dat er iets was gebeurd. In eerste instantie dacht ik aan inbraak. Voorzichtig, op alles voorbereid, ging ik naar binnen.’

Ze ademde diep.

‘Toen vond ik hem. Hij lag bij de haard, die hij zelf had gemetseld. Ik zag meteen dat hij dood was… zijn hemd vol bloed en zijn ogen… zijn grote blauwe ogen starend in het niets.’

‘Wat hebt u gedaan?’

Barbara slikte.

‘In paniek ben ik weggerend, de trap af en hollend naar huis. De afstand tussen de Brouwersgracht en de Haarlemmer Houttuinen is niet zo groot.’

‘Thuis hebt u alles aan uw ouders verteld?’

‘Ja. Ik was al eens eerder bij Matthijs op bezoek geweest. Dat wisten mijn ouders. Mijn vader was nu bang dat bij het onderzoek van de recherche in de woning van Matthijs mijn vingerafdrukken zouden worden gevonden… zodat ik mogelijk van de moord op Matthijs kon worden verdacht.’

De Cock trok een ernstig gezicht.

‘Een verstandig man, uw vader.’

Barbara knikte.

‘Na ampele overwegingen raadde mijn vader mij aan om mij met u in verbinding te stellen. Volgens hem was u, rechercheur De Cock van het oude bureau Warmoesstraat, een vakbekwaam en betrouwbaar man.’

De oude rechercheur onderging de lof gelaten.

‘Werkte Matthijs van Slooten?’

Barbara schudde haar hoofd.

‘Matthijs heeft een handicap.’

‘Lichamelijk?’

‘Nee… Matthijs is nooit op school geweest. Hij kan niet lezen en schrijven. Ik ben al maanden bezig om hem enig begrip van taal bij te brengen.’

‘Dat lukte?’

‘Redelijk.’

‘Wat waren uw plannen?’

‘Hoe bedoelt u?’

‘Toekomstverwachtingen?’

Barbara zuchtte. Er gleed een smartelijke trek over haar gezicht.’

‘We hadden trouwplannen.’

De Cock keek haar scherp onderzoekend aan.

‘Trouwplannen?’ herhaalde hij verrast.

‘Ja. Ik heb Matthijs een tijdje geleden al aan mijn ouders voorgesteld. Ze vonden hem wel een aardige jongen. Ik heb hun ook mijn plannen uitgelegd. Ik werk al jaren op een gerenommeerd advocatenkantoor en heb een redelijk goed salaris. Daar zouden Matthijs en ik best samen van kunnen rondkomen.’

De Cock hield zijn hoofd iets schuin.

‘Hoe… eh, hoe reageerde Matthijs op uw plannen?’

Het gezicht van Barbara versomberde.

‘Matthijs vond zichzelf voor mij niet zo’n beste huwelijkskandidaat.’

De Cock toonde verbazing.

‘Waarom niet? Hij had geen lichamelijke gebreken en u bent een aantrekkelijke jonge vrouw.’

Barbara van Tollebeek sloot even haar ogen.

‘Ik denk,’ formuleerde ze voorzichtig, ‘dat Matthijs het niet zo’n prettig idee vond om volledig van mij afhankelijk te zijn. Ik denk dat hij ook een eigen inbreng in ons huwelijk wilde.’

‘Een fi nanciële inbreng?’

‘Ja.’

‘Hoe?’

Barbara staarde even voor zich uit. Er gleed een glimlach om haar volle lippen.

‘Matthijs was de laatste tijd nogal optimistisch. Hij sprak over een bruidsschat.’

De Cock trok zijn neus op.

‘Een bruidsschat is het geld of goed dat een bruid mee ten huwelijk brengt.’

‘Dat weet ik,’ zei Barbara, ‘maar de taalkennis van Matthijs is gering. Hij bedoelde een schat die hij als man bij ons huwelijk zou kunnen inbrengen.’

De Cock kauwde even op zijn onderlip.

‘Hoe… eh, hoe kwam hij aan die bruidsschat?’

Barbara maakte een hulpeloos gebaar.

‘Dat weet ik niet.’ Haar stem trilde een beetje. ‘Matthijs deed daar nogal geheimzinnig over.’

De Cock snoof.

‘Zo’n bruidsschat komt toch niet uit de lucht vallen?’

Barbara gebaarde afwerend.

‘Wanneer ik het onderwerp “bruidsschat” aanroerde, werd Matthijs kriegelig, bits. Hij wilde er niet over spreken. Ik heb het onderwerp toen maar laten rusten.’

De Cock boog zich weer iets naar haar toe.

‘U bent een intelligente jonge vrouw,’ sprak hij nadrukkelijk.

‘U zult toch geïnteresseerd zijn geweest naar de herkomst van die zogenaamde bruidsschat?’

Barbara liet haar hoofd iets zakken.

‘Natuurlijk was ik dat. Maar Matthijs was in zijn beleving vaak een groot kind, bij wie realiteit en fi ctie niet altijd scherp zijn gescheiden. Ik heb wel eens aan de mogelijkheid gedacht dat Matthijs in de overtuiging leefde dat hij een grote prijs in de loterij zou winnen.’

De Cock schonk haar een meelijwekkend lachje.

‘Kinderlijk.’

Barbara reageerde ongewoon fel.

‘Zo is… zo was Matthijs. Onvolwassen… met de emoties van een puber. Ik heb bij mijzelf wel eens een analyse gemaakt waarom ik van hem hield, en ik kwam tot de conclusie dat juist dat kinderlijke in hem mij zo aantrok… zijn geestelijke onvolwassenheid.’

De Cock keek haar verward aan.

‘Is dat een aantrekkelijk facet?’

‘Voor mij wel,’ zei Barbara met een strak gezicht. De Cock nam een kleine pauze. Hij streek met zijn volle hand over zijn brede kin. Hij voelde dat hij het moment had bereikt dat hij opening van zaken diende te geven, dat hij de jonge vrouw niet langer met zijn verhoor mocht pijnigen.

‘Ik heb het vermoeden, liever gezegd ik weet vrijwel zeker hoe Matthijs verwachtte zijn bruidsschat te kunnen verwerven.’

De jonge vrouw keek hem gespannen aan.

‘Ja?’

De Cock knikte.

‘Bloedgeld. Matthijs van Slooten heeft, ik weet nog niet in opdracht van wie, gisteravond op de Noordermarkt de kunstschilder Peter Karstens vermoord en diens waakhond doodgeschoten.’

Barbara van Tollebeek keek hem met open mond aan. Haar ogen rolden in de kassen. Bevend liet ze haar armen op het bureau van De Cock vallen.

‘Het is niet waar… het is niet waar… het is niet waar…’

Ze herhaalde het als een echo.

Загрузка...