10

Vledder liet de motor gieren, schakelde en trok de oude Volkswagen ruw van de trottoirrand weg. Zijn gezicht zag rood en om zijn mond lag een norse trek.

De Cock keek hem van terzijde een tijdje geamuseerd aan. ‘Is er wat?’ vroeg hij overbodig.

De jonge rechercheur nam wat gas terug en draaide zich naar hem toe. ‘Hoe kon je in godsnaam aan dat mens vragen of ze aan karate deed?’ vroeg hij geprikkeld. ‘Ze was duidelijk gepikeerd.’ De Cock trok een onnozel gezicht. ‘Waarom zou juffrouw Gravensteijn niet aan karate doen?’ antwoordde hij met een zweem van verwondering. ‘Ze leek mij het type vrouw dat daar plezier in heeft.’ Vledder kneep zijn lippen samen. ‘Je hebt het gehoord,’ reageerde hij nukkig. ‘Juffrouw Gravensteijn deed niet aan karate. Ze wist niet eens wat het was.’

De Cock krabde zich peinzend achter in de nek. ‘Jammer,’ zei hij met een zucht. ‘Ze zou gewoon een ideale verdachte zijn.’

De jonge rechercheur keek hem verrast aan. ‘Juffrouw Gravensteijn?’ vroeg hij verbaasd.

De Cock knikte gelaten. ‘Ga maar na,’ zei hij kalm. ‘Ze heeft vrijwel alle slachtoffers persoonlijk gekend, wist uit hoofde van haar beroep alles over hun omstandigheden, hun leefwijze, en genoot hun vertrouwen.’ De grijze speurder zweeg even, staarde voor zich uit op de weg. ‘Bovendien heeft juffrouw Gravensteijn een hekel aan gescheiden vrouwen, althans die gescheiden vrouwen die hun ex-man schaamteloos uitbuiten.’ Hij wreef over zijn brede kin en grinnikte vreugdeloos. ‘Het zou mij niets verbazen als wij in haar boekenkast Esther Vilar aantroffen.’ ‘Wie is Esther Vilar?’

De Cock keek zijn jonge collega bestraffend aan. ‘Je zou eens wat meer moeten lezen. Esther Vilar is een arts en schrijfster van De gedresseerde man en Het polygame geslacht… twee boeken die vooral in Duitsland nogal wat opschudding hebben veroorzaakt.’

Vledder snoof minachtend. ‘Wat heeft dat met deze moorden te maken?’

De Cock plukte nadenkend aan zijn dikke onderlip. ‘Misschien niets,’ antwoordde hij aarzelend, ‘misschien ook alles. De moeilijkheid bij deze vrouwenmoorden is, dat schijnbaar het motief ontbreekt. Zeker, ten opzichte van elk individueel slachtoffer zal steeds wel iets te vinden zijn, maar in het geheel, collectief gezien, is er geen duidelijke reden voor moord, is er geen motief.’ Hij sloeg plotseling met zijn vuist op het dashboard. ‘Toch moet er een grondgedachte zijn, een gevoelde motivering.’ Hij keek naar de jonge Vledder op. ‘In de verwrongen geest van de moordenaar. Er moet iets zijn dat hem drijft, bezielt.’

De jonge rechercheur wuifde ongeduldig. ‘O.k., maar wat heeft dat met die schrijfster van doen?’

De Cock ademde diep. ‘Esther Vilar valt haar eigen seksegenoten nogal heftig aan. Ze stelt in haar boeken, dat de vrouwen de mannen in een lang proces hebben gedresseerd tot min of meer brave en hardwerkende verzorgers van henzelf en hun kinderen. De seksuele contraprestatie van de vrouw is, in vergelijking daarmee, vrijwel te verwaarlozen. Die seksuele contraprestatie wordt in vele gevallen ongeïnteresseerd en te plichtmatig bedreven, zodat bij de man een neiging tot polygamie ontstaat, een neiging waaraan hij slechts zelden kan toegeven, omdat hem daartoe in de regel de financiële middelen ontbreken. Kortom, de man is door de vrouw tot slaaf gedegradeerd.’ Hij grijnsde breed. ‘Met als grootste tragiek, dat hij het zelf nauwelijks merkt.’ ‘En als hij het wel merkt?’

De Cock streek over het grijze haar. De grillige accolades rond zijn mond vergleden tot een milde glimlach. ‘Dan stapt hij naar Smalle Lowietje.’

Vledder lachte. ‘Dat geldt voor een man. Akkoord. Maar wat doet juffrouw Gravensteijn met de theorieën van die Esther Vilar?’ De Cock knikte voor zich uit. ‘Inderdaad, dat is de vraag. Maar misschien is het nog beter om te stellen; wat doen de theorieën van Esther Vilar met juffrouw Gravensteijn?’

Vledder keek hem aan; reageerde scherp.

‘Ze zei toch, dat ze geen karate kende.’

De belangstelling was groot. Er waren velen die Antoinette Henriëtte van Deijl naar haar laatste rustplaats vergezelden. Toen de deuren van de aula opengingen stapten ze naar binnen en namen plaats op de stoelen naast de met bloemen bedekte baar.

Vledder schudde het hoofd. Zijn jong gezicht stond somber. ‘Als je het mij niet kwalijk neemt, ik… eh, ik ga liever niet mee. Dat gedoe maakt mij altijd wat van streek. Ik blijf wel in de wagen op je wachten.’

De Cock knikte instemmend.

‘Tot straks.’

Hij wuifde en liep als een der laatsten de aula binnen. Zorgvuldig zocht hij zich een plaatsje achteraf. Hij had vandaar een goede observatie. Met zijn rug tegen de eiken lambrizering geleund, liet hij zijn scherpe blik over de aanwezigen glijden.

Op de voorste rij ontdekte hij Charles Roozenblad. Hij zag er verzorgd uit in een donker kostuum met een parelgrijze das. Hij leek ook zelfbewuster, minder verkrampt dan tijdens zijn verhoor aan de Warmoesstraat. Naast hem zaten twee kinderen. Een jongen en een meisje. De Cock schatte ze op vier en zes jaar. Ze keken in hun zwarte kleertjes wat onwennig rond. Charles Roozenblad sprak hun bijna voortdurend toe, zacht, welwillend, met liefdevolle aandacht. Soms legde hij een kolossale hand op hun hoofdjes, als wilde hij de kinderen voor verder onheil behoeden.

De Cock dacht aan de karatelessen van Jan van Looijen en vroeg zich af hoeveel kracht er in het enorme lichaam van Charles Roozenblad lag opgetast. Maar voor de moorden op de vrouwen was geen kracht nodig geweest. Hij had er Jan van Looijen uitdrukkelijk naar gevraagd. Geen botte kracht, maar snelheid en concentratie vormden bij karate…

Plotseling stokten zijn gedachten. Aan de andere zijde van de baar had hij een gezicht ontdekt, dat hem vaag bekend voorkwam. Hij tastte snel zijn herinnering af, zocht koortsachtig naar het vakje in zijn geheugen waarin het gezicht thuishoorde.

Zware orgelklanken dreunden op hem neer en verstoorden het raderwerk van zijn denken. Een paar vrouwen rechts van hem begonnen zachtjes te huilen. Voorzichtig schoof De Cock langs de eiken lambri- zering. Wanneer hij de andere zijde van de baar kon bereiken, had hij de man beter in het vizier.

Hij kwam maar langzaam vooruit. De meeste mensen keken verstoord op, wanneer hij hen zonder veel plichtplegingen opzij duwde en verder schoof. Sommigen bleven weerbarstig staan.

De Cock was nog maar halverwege de zijwand, toen de orgeltonen verstierven en de dragers zich aan weerszijden van de baar opstelden. De zware deuren draaiden geruisloos open. Op een wenk van de leider tilden de dragers de baar op hun schouders en stapten naar buiten. Familieleden en belangstellenden volgden schoorvoetend. De Cock keek spiedend rond, zocht naar het gezicht van de man, die hij had gezien. Tot zijn verbazing was hij weg, opgelost, in het niets verdwenen.

Toen de aula was leeggestroomd, liep hij snel om het gebouw heen naar de ingang van de begraafplaats, waar Vledder in de oude Volkswagen wachtte.

De jonge rechercheur zag hem verwonderd naderen. Hij kwam uit de wagen en stapte op hem toe.

‘Is het nu al afgelopen?’

De grijze speurder antwoordde niet.

‘Heb je voortijdig, ik bedoel, nog voor de stoet, iemand uit de aula zien komen?’ vroeg hij gehaast. ‘Of een wagen plotseling zien vertrekken?’

Vledder trok een onnozel gezicht.

‘Daar heb ik niet zo op gelet. Er gaan hier geregeld mensen in en uit.’

‘Een man van een jaar of veertig, schat ik, een meter vijfentachtig met een scherp gesneden gezicht?’

De jonge rechercheur haalde zijn schouders op.

‘Ik kan het mij niet herinneren,’ zei hij benepen. ‘Is er wat met die man?’

De Cock wuifde de vraag weg. Hij staarde enige ogenblikken peinzend voor zich uit. Hij had het vage gevoel, dat hij iets miste, dat hem iets belangrijks ontging. Het kriebelde over zijn huid, tintelde in zijn vingertoppen. Ineens rende hij van Vledder weg, terug, de begraafplaats op.

De jonge rechercheur keek hem lachend na.

De Cock in draf bleef een komische act.

De grijze speurder hijgde zwaar toen hij de staart van de stoet had bereikt. Hij volgde een tijdje gedwee de schuifelende wandelpas door het grind en bracht zijn ademhaling weer op peil. Toen werkte hij zich langzaam naar voren. Hij was Charles Roozenblad en zijn beide kinderen al dicht genaderd, toen de stoet de groeve had bereikt. Er vormde zich een kring. De dragers legden de kist op het graf en rangschikten de bloemen.

Uit piëteit wurmde De Cock zich weer naar de buitenste rij. Hij negeerde straal de afkeurende blikken van mensen, die hij in de aula al op hun tenen had gestaan. Van een afstandje keek hij toe. De vage onrust in zijn hart steeg. Hij kreeg steeds sterker het gevoel, dat hij nu iets moest zien, een duidelijke waarneming in een zaak van leven of dood.

Steeds onrustiger dwaalde zijn blik rond. Van opzij ving hij een glimp op van de ouders van Antoinette, twee diep bedroefde mensen, en plotseling schoot een brok in zijn keel.

Door opkomende tranen heen schold hij op zijn sentimentele ziel. Er waren ogenblikken dat hij koel, cynisch scherp kon observeren, onmiddellijk gevolgd door momenten, zoals nu, dat hij niets meer zag, niets meer waarnam, dat hij zich ongeremd liet meevoeren in een stroom van menselijk verdriet.

Met moeite drukte hij de zware prop uit zijn keel en probeerde te luisteren naar flarden verwaaide woorden, die de oude vader aan het graf sprak.

Hij keek nog eens naar de wijde kring van belangstellenden, en ineens wist hij het, ineens wist hij wie hij miste, wie ontbrak, wie er had moeten zijn. Bange voorgevoelens maakten zich van hem meester. Terwijl de vader van Antoinette nog zoete herinneringen prevelde, sloop hij langs bomen en grafzerken naar een zijpad en rende vandaar terug naar de ingang.

Vledder keek zijn oude leermeester half verbaasd, half geamuseerd aan. ‘Wat ben je allemaal aan het doen?’ vroeg hij niet begrijpend. De Cock plofte naast hem in de auto neer. ‘Weet je waar Josje van Aerdenhout woont?’

Vledder greep hoofdknikkend naar zijn notitieboek. ‘Op de Prinsengracht bij de Westermarkt.’

De grijze speurder slikte. ‘Dick, rijden, zo snel als je kunt.’

‘Waarheen?’

De Cock zwaaide wild. ‘Naar Josje van Aerdenhout… ze was niet op de begrafenis.’

De jonge Vledder haalde uit de oude politiewagen alles wat er in zat en pleegde in negen minuten meer verkeersovertredingen dan een eerzaam burger in tien jaar. Voor het pand aan de Prinsengracht zette hij de wagen dwars op het trottoir.

De Cock vloog eruit en smeet het portier achter zich dicht. Snel, met twee, drie treden tegelijk, stormde hij de smalle houten trappen op. Om zijn brede mond lag een verbeten trek. Op de tweede etage vond hij de deur van haar woning op een kier. Hij ging wat opzij en duwde de deur met zijn voet verder open. Voorzichtig stapte hij naar binnen. Zijn hart bonsde in zijn keel. Achter hem voelde hij de hete adem van Vledder in zijn nek.


Josje van Aerdenhout lag naast de bank, ruggelings, op een dik tapijt met een uitbundig motief van rode rozen. Ze droeg hetzelfde lichtblauwe spijkerpak waarin ze nog geen vier dagen tevoren de woning van haar vriendin Antoinette aan de Nieuwe Zijds Kolk was binnengestormd. De beide armen lagen gestrekt langs het lichaam. De benen waren iets gespreid. De vingers, krom, verkrampt, staken uit de handpalmen omhoog.

De Cock knielde bij haar neer. Over haar matte huid lag al de schaduw van de dood. Hij streek een paar haren uit de half open mond. Het gezicht was gruwelijk verminkt. Beide ogen waren finaal uit de kassen gestoken. Van de buitenste ooghoeken liepen straaltjes geronnen bloed over de slapen langs de beide oorschelpen naar beneden. Donkerrode bloedklontjes kleefden in het lange blonde haar.

De Cock kwam langzaam overeind. Hij voelde zich ineens moe, heel erg moe en afgetobd.

Vledder kwam bij hem staan. Zijn gezicht droeg nog de sporen van de snelle rit door het drukke verkeer. Hij streek met de rug van zijn hand langs zijn mond.

‘We zijn te laat,’ zei hij vlak.

De Cock knikte traag. Achteloos wuifde hij naar de deur.

‘Waarschuw de meute.’

Загрузка...