5

De Cock vatte haar rustig bij de arm en leidde haar verder de kamer in. ‘We moeten samen eens praten,’ sprak hij vriendelijk. Josje van Aerdenhout scheen hem niet te horen. Haar ogen dwaalden angstig rond. ‘Waar lag ze?’ In haar stem vibreerde een lichte huivering.

De grijze speurder zwaaide wat vaag in de richting van de brede bank.

‘Daar,’ zei hij zacht. ‘Het was geen prettige ontdekking.’

Ze greep naar haar hoofd. ‘Hadden ze, was er wat met haar gedaan?’

De Cock trok rimpels boven zijn neus. ‘U bedoelt…?’

‘Hadden ze haar verkracht?’

‘Verkracht?’ reageerde De Cock verbaasd.

Ze knikte heftig. ‘Ja, verkracht.’

De grijze speurder schudde langzaam het hoofd. ‘Er zijn geen aanwijzingen,’ sprak hij voorzichtig, ‘dat iets dergelijks is gebeurd.’ Hij blikte opzij. ‘Had… eh, had u dat dan verwacht?’ Ze draaide zich met een ruk naar hem toe. ‘Het moet toch zin hebben? Al die gruwelijke moorden. Dat is toch duidelijk het werk van een idioot, een seksuele maniak.’ Haar stem sloeg wat over. ‘Een beestmens.’

De Cock keek haar kalm onderzoekend aan. ‘Een man dus,’ sprak hij gelaten.

Ze kneep haar fraai gevormde lippen op elkaar en snoof. In haar helgroene ogen gloeide pure verachting. ‘Natuurlijk,’ reageerde ze scherp, ‘een man. Vrouwen komen niet tot zulke excessen.’

De Cock negeerde de opmerking. Hij bracht haar naar de huisbar in de hoek en schoof een kruk bij. ‘Hoelang kent u Antoinette van Deijl?’

Ze blikte peinzend naar het plafond. ‘Drie maanden ongeveer. Ik heb haar leren kennen in de Warmoesstraat bij de crèche, waar we onze kinderen brachten.’

‘Antoinette had kinderen?’

‘Twee, net als ik.’

‘Zijn ze nog op de crèche?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Nee, al een maand niet meer. Wij hebben de kinderen ondergebracht bij nette families in Noord-Brabant.’ ‘Waarom?’

Ze pakte haar tasje en zocht naar sigaretten, nerveus, met plukkende vingers.

‘Waarom?’ herhaalde De Cock. ‘Waren u en Antoinette bang, dat er iets met de kinderen kon gebeuren?’

Ze keek wat verstrooid op. ‘Nee, dat niet. Maar het was geen doen met die crèche. Je moet ‘s morgens al vroeg je bed uit om de kinderen te brengen, ‘s Middags moet je ze weer precies op tijd halen. En dan ben je ze nog maar een paar uurtjes per dag kwijt.’ De Cock grijnsde. ‘Het loonde de moeite niet,’ zei hij spottend. Ze stak met trillende vingers een sigaret op. ‘Daar kwam nog bij, dat je steeds de kans liep je ex-man tegen het lijf te lopen en dan volgde steevast gezeur over de kinderen. Antoinette en ik waren het beu.’ ‘U bent gescheiden?’

Er gleed een droeve trek over haar gezicht. ‘Net als Antoinette. Ruim een jaar. We hadden beiden ongeveer hetzelfde meegemaakt. Daarom voelden we ons ook zo sterk tot elkaar aangetrokken.’ De Cock knikte begrijpend. ‘U had een goed geestelijk contact met haar.’

Ze schonk hem een moede glimlach. ‘Dat mag u wel zeggen, een goed geestelijk contact.’

De Cock keek haar scherp aan, boog zich iets naar haar toe. ‘Zo goed, dat u vanmiddag onmiddellijk uit uzelf al wist wat er met haar was gebeurd.’

De glimlach op haar gezicht verstarde. In haar helgroene ogen kwam een waakzame blik. ‘Nee,’ zei ze aarzelend, ‘dat kwam door dat telefoontje.’

‘Wat voor een telefoontje?’

‘Een uur of wat geleden, bij mij thuis. De bel ging, ik nam de hoorn op en iemand zei: ga kijken wat er met Antoinette van Deijl is gebeurd.’ ‘Een mannenstem?’

Josje van Aerdenhout trok haar schouders op. ‘Daar… eh, daar leek het op,’ antwoordde ze wat onzeker. ‘Het klonk wat vreemd, net alsof het van een grammofoonplaat kwam, die te langzaam wordt afgedraaid.’

‘U heeft de stem herkend?’

Ze maakte een hulpeloos gebaar. ‘Ik dacht een moment, dat het Charles was.’ ‘Wie is Charles?’

Ze sloeg beide handen voor het gezicht. ‘De ex-man van Antoinette.’


Ze liepen van de Nieuwe Zijds Kolk langs het fraaie Korenmetershuisje naar de Nieuwendijk. Een miezerige motregen daalde traag uit een loodgrijze hemel. Het wegdek van de Nieuwendijk glom, weerkaatste het licht uit de vele etalages. De Cock schoof zijn oude hoedje wat naar voren en trok de kraag van zijn jas omhoog. Zijn grof breed gezicht stond somber. Het feit dat voor hem al zovele anderen in deze moordzaak hadden gewerkt, gaf hem een gevoel van onbehagen. Waarom zou hij slagen, waar al die anderen hadden gefaald. Hij was niet zo hoogmoedig om aan zichzelf betere kwaliteiten toe te dichten dan aan zijn collega’s. Per se niet. Hij blikte opzij naar Vledder, die nors naast hem voortliep. ‘We hebben ook nog steeds de naakte juffer.’

Vledder keek verrast naar hem op. ‘Wil je daar dan nog wat aan doen?’

De Cock antwoordde niet direct. ‘Je moet wel bedenken,’ sprak hij aarzelend, ‘dat wij via ons onderzoek naar de naakte juffer bij Sylvia van Regensbergen kwamen.’ ‘Jij denkt, dat er verband bestaat?’

De grijze speurder trok zijn schouders op. ‘Ik heb zo het vaag vermoeden, dat de hoofdcommissaris ons het onderzoek naar de maniak heeft opgedragen, omdat wij uit onszelf op het slachtoffer Van Regensbergen zijn gestoten. De andere slachtoffers werden allen pas gevonden na een anoniem telefoontje in de trant van: gaan jullie eens kijken wie daar ligt.’

‘Ook Antoinette van Deijl?’

De Cock knikte. ‘Het bericht kwam aan het hoofdbureau binnen, kort nadat wij de vondst van Sylvia van Regensbergen hadden gemeld.’ ‘We waren de moordenaar een slag voor.’

De Cock grijnsde. ‘Een trieste overwinning.’ Ze liepen een paar passen zwijgend door. ‘Hoe vond je die Josje van Aerdenhout?’

De jonge rechercheur bromde. ‘Je had haar mee moeten nemen,’ sprak hij verwijtend.

‘Naar de Warmoesstraat?’

‘Natuurlijk.’

‘Waarom?’

Vledder snoof en veegde de regen uit zijn gezicht. ‘Omdat ik haar niet vertrouw,’ antwoordde hij fel. Met een hand omhoog, druk gebarend, bleef hij midden op de straat voor De Cock staan. ‘In de middag,’ ging hij smalend verder, ‘krijgt Josje van Aerdenhout een bepaald vreemd, alarmerend telefoontje over haar vriendin Antoinette van Deijl, met wie ze zo’n fijn geestelijk contact heeft. En wat doet ze?’ De jonge rechercheur grijnsde breed. ‘Niets, helemaal niets. Ze waarschuwt niemand, geen buren, kennissen of politie. Eerst tegen de avond, een paar uur later, rent ze, zogenaamd in paniek, naar de Nieuwe Zijds Kolk om te zien of er misschien toch iets met hartsvriendin Antoinette is gebeurd.’ Vledder maakte een grimas. ‘En dat moet ik geloven?’ De Cock liep glimlachend door. De sombere trek was van zijn gezicht verdwenen. ‘Wie zegt, dat je dat moet?’ reageerde hij olijk. Ze staken vanuit de Oudebrugsteeg het drukke Damrak over en slenterden langs de Beurs naar de Warmoesstraat. Het was er druk, ondanks de regen. Een groepje hippies, diep gebukt onder zware rugzakken, sjokte naar een jeugdhotel. Een animeermeisje rende met een krant boven haar uitbundig kapsel een café binnen. Een verslaafde jongeman leunde wezenloos tegen een pui.

De beide rechercheurs gingen het oude politiebureau binnen. Van achter de balie sprak een grijze wachtcommandant op vaderlijke toon met een jong meisje, dat kennelijk van huis was weggelopen. Toen hij De Cock in het oog kreeg, staakte hij even het gesprek. Hij wenkte hem dichterbij en gaf hem een grote verzegelde enveloppe. ‘Dat is voor jou,’ zei hij simpel. ‘Een paar jongens van de moordbrigade hebben het gebracht.’

De grijze speurder woog de grote enveloppe op de vlakke hand. Rond de brede mond dartelde een spottend lachje. ‘Een zware zaak,’ mompelde hij zacht.

Ze stapten de balie voorbij en trokken zich aan de leuning van de kronkeltrap omhoog. Op de grote recherchekamer zwiepte De Cock zijn oude hoedje sierlijk naar de kapstok en trok zijn jas uit. Vledder nam de zware enveloppe van hem over en bekeek de indrukwekkende verzegeling. ‘Vind je het goed, dat ik hem openmaak?’ De Cock knikte instemmend. ‘Ik kan je wel zeggen wat er in zit, het dossier van de moorden.’ Hij ging achter zijn bureau zitten. Zijn gezicht stond strak. ‘En ik ben niet van plan het te lezen.’ De jonge rechercheur keek hem verbaasd aan. ‘Je moet toch weten wat er is gebeurd, wat voor onderzoeken er tot hu zijn gedaan?’ De Cock streek met zijn hand door het stugge grijze haar.

‘Ik wil het niet weten.’

‘Waarom niet?’

‘Ik ga mijn eigen weg.’

Vledder klapte met zijn hand op de zware enveloppe. ‘Er hebben uiterst bekwame rechercheurs aan die zaak gewerkt, een half jaar lang.’

De grijze speurder knikte met een ernstig gezicht. ‘Juist daarom. Ik zal in het dossier geen onvolkomenheden vinden. Je kunt ervan overtuigd zijn, dat ze er alles aan hebben gedaan om de moordenaar te ontmaskeren. Elk spoortje zal men hebben onderzocht, uitgebreid, minutieus, zoals gebruikelijk.’

De jonge rechercheur schudde vertwijfeld het hoofd. ‘Die gruwelijke moorden op vrouwen hebben een duidelijke karakteristiek,’ betoogde hij heftig. ‘Ze zijn herkenbaar. Wij zullen bij ons onderzoek naar de moordenaar ongetwijfeld op dezelfde dingen stuiten. En wat zij al hebben onderzocht, behoeven wij…’

De Cock onderbrak, wuifde het weg. ‘Dan doen wij het opnieuw,’ zei hij star.

Vledder griste de enveloppe van het bureau en scheurde hem wild open. Zijn gezicht zag rood. ‘Ik zal het lezen,’ riep hij koppig. ‘Elke letter.’


Op het bureau van De Cock rinkelde de telefoon. De jonge rechercheur boog zich naar voren, nam de hoorn op en luisterde. Na een paar seconden keek hij op. ‘Beneden aan de balie is ene heer Roozenblad.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Laat hem komen.’

Hij was groot, breed, bijna kolossaal met lange armen en wijd uitstaande voeten. Voorzichtig, aarzelend, stapte hij de recherchekamer binnen. Voor het bureau van de grijze speurder bleef hij staan, vreemd, verkrampt, in een stramme, haast militaire houding. Om zijn dikke lippen zweefde een lachje, verlegen, terughoudend, alsof hij bij voorbaat zijn aanwezigheid in de kamer wilde verontschuldigen.

De Cock keek langzaam naar hem omhoog. De man maakte een onverzorgde indruk. Het lichtgrijze kostuum dat hij droeg, zat vol vlekken en hing slobberig om zijn omvangrijk lijf. Het overhemd was verkreukeld en langs de witte boord schemerde een vettig randje.

‘Roozenblad?’

De man knikte.

‘Charles… Charles Roozenblad.’

De oude speurder schonk hem zijn beminnelijkste glimlach. Hij kwam half uit zijn stoel overeind. Breed, hoffelijk gebaarde hij naar de stoel naast zijn bureau. ‘Gaat u zitten,’ sprak hij vriendelijk. ‘Mijn naam is De Cock.’

Hij gebaarde opzij. ‘En dat is mijn collega Dick Vledder.’ Hij weifelde even. De brede glimlach op zijn gezicht gleed weg en maakte plaats voor een uitdrukking van ernst en droefheid. ‘Wij… eh, wij condoleren u met het verlies van uw… eh, gewezen vrouw.’ Charles Roozenblad wuifde de condolatie weg, resoluut, in een bruusk gebaar. Hij liet zich puffend op de stoel zakken, nam een smoezelige zakdoek uit zijn broekzak en wiste zich het zweet van zijn voorhoofd. ‘Waar zijn mijn kinderen?’ Het klonk nors, onvriendelijk. De grijze speurder veinsde verwondering. ‘Kinderen?’ vroeg hij onnozel.

De man knikte heftig. ‘Ik heb bij haar twee kinderen, een jongen en een meid.’ Over zijn wat pafferig gezicht gleed een glimp van vertedering. ‘Lieve kinderen, echte schatten. Vooral aan die jongen van me ben ik erg gehecht.’ Hij zweeg even, schudde triest het hoofd. ‘Ze moffelde ze weg, dat wijf, hield ze voor mij verborgen. Ik heb ze nu al in maanden niet gezien.’

‘Waarom deed ze dat?’

‘Wat?’

De Cock gebaarde wat ongeduldig. ‘De kinderen voor u verborgen houden?’

Charles Roozenblad kneep zijn dikke lippen op elkaar. ‘Antoinette gebruikte ze als hefboom, begrijpt u, om haar zin door te drijven. Door steeds de kinderen verborgen te houden heeft ze mij al driemaal gedwongen het bedrag van haar alimentatie aanzienlijk te verhogen. En dat in nog geen twee jaar.’ Hij blikte voor zich uit. ‘Ze wist dat ik veel van de kinderen hield.’

‘Morele chantage.’

Charles Roozenblad grijnsde met een scheve mond. ‘Chantage, dat heeft u goed gezegd. Dat is inderdaad het juiste woord. Pure chantage, waaraan niemand iets doet. Stap naar de raad voor de kinderbescherming, beklaag je bij de voogdijraad, de kinderrechter, doe wat je wilt, het geeft je niets.’ Zijn stem klonk bitter. ‘Als man sta je machteloos.’ De grijze speurder schudde het hoofd. ‘Ik ben het niet met u eens. U hebt wel degelijk rechten. U had met haar een regeling moeten treffen, bindend voor beide partijen.’

Charles Roozenblad reageerde fel. Hij zwaaide wijd met beide armen. Op zijn bleke wangen kwam een blos. ‘Dat heb ik geprobeerd, duizendmaal, steeds opnieuw in een redelijk gesprek. Ik heb mij steeds gebukt, aan haar eisen toegegeven.’ Hij schreeuwde wild. ‘Vanmiddag nog heb ik Antoinette, wilde ik haar…’ Hij stokte plotseling. Zijn ogen werden groot en zijn mond zakte open. Tersluiks dwaalde zijn blik naar De Cock.

De grijze speurder registreerde de hapering. Hij keek de man voor hem schuins onderzoekend aan. ‘Wat wilde u vanmiddag?’ vroeg hij zacht. De man zweeg, slikte. Zijn adamsappel danste op en neer. De Cock boog zich iets naar hem toe. ‘Wat, meneer Roozenblad?’ drong hij aan.

Charles Roozenblad bleef zwijgen. Hij streek met zijn tong langs zijn droge lippen. Zijn grote handen trilden. Zweet parelde op zijn voorhoofd.

De Cock verschoof zijn stoel en boog zich nog verder naar hem toe. Het vlezige gezicht van Charles Roozenblad was dichtbij. Hij zag een ader kloppen in zijn hals. ‘Ik zal het u zeggen,’ begon hij fluisterend. ‘U wilde met Antoinette praten, over de kinderen, heel redelijk, als verstandige mensen. U hoopte bij haar begrip te vinden, trachten haar duidelijk te maken dat het ook uw kinderen waren. Maar Antoinette wilde niet luisteren, ze lachte u uit, zei dat als het aan haar lag, u de kinderen nooit meer zou zien.’

De grijze speurder ademde diep, peilde de reacties op het brede gezicht voor hem. ‘U voelde,’ ging hij hijgend verder, ‘hoe de woede naar uw vingertoppen gleed en besefte ineens, in alle duidelijkheid, hoe intens u haar haatte, hoe ze uw leven had vergald, verwoest, er alle vreugde aan had ontnomen… en toen ze weer lachte, opnieuw zei dat…’

Charles Roozenblad sprong op, wild, geschrokken. De stoel waarop hij zat, viel om, kletterde op de vloer.

‘Nee.’ Hij gebaarde heftig, afwerend, met beide handen naar voren. ‘Nee, ik niet… ik niet. Ik heb haar niet vermoord.’ De Cock kwam overeind. Zijn gezicht was een stalen masker. Iets gebogen, bijna dreigend liep hij op de grote man toe. Charles Roozenblad deinsde achteruit. Hij leek ineens klein, nietig in zijn angst. Hij schudde aanhoudend het hoofd.

‘Ze was al dood… ze was al dood!’

Загрузка...