De Cock had hen beiden uitgenodigd voor een soort slotakkoord bij hem thuis. Hij deed dat altijd. Wanneer een onderzoek zijn einde had gevonden, gaf hij uitleg over het hoe en waarom van de gebeurtenissen, over zijn eigen inbreng en inzichten. Hij had er dit keer veel moeite mee en bepeinsde hoe hij het allemaal zou vertellen. Carte blanche had commissaris Buitendam hem gegeven… binnen het kader van de wet. En juist met dat laatste had hij altijd zoveel moeite. Recht was voor hem niet altijd dat wat in wetboeken is te vinden. Hij had zo zijn eigen gevoel voor rechtvaardigheid. Hij hoopte, dat Prins en Vledder dat gevoel met hem zouden delen. Maar hij was er niet gerust op.
Hij pakte een fles fijne cognac en schonk diepbolle glazen in. Onderwijl keek hij naar de beide jongemannen. Ze zaten onwennig in hun fauteuil. Op hun gezicht lag onrust, spanning. Hij wist, dat tal van vragen op hun lippen brandden. Rond het rechteroog van Vledder waren gele en dieppaarse verkleuringen, de plaats waar Gajus van Leeuwen hem met een karateslag aan het hoofd trof. De jonge rechercheur tastte met een bevende hand naar de gekwetste plek en bromde: ‘Wat was die vent snel. Ik had die tik al te pakken, voor ik nog bij hem was.’
De Cock zette de fles cognac weg. ‘Gajus van Leeuwen is dood,’ zei hij strak.
De beide jonge rechercheurs veerden uit hun fauteuil omhoog. ‘Dood?’ herhaalden ze in koor.
De grijze speurder knikte traag. ‘Hij is toch nog vrij vredig ontslapen. Vannacht om drie uur. Hij had ook vrijwel geen kansen meer. Het mag gewoon een wonder heten dat hij in eerste instantie de val overleefde. Hij had vele ernstige fracturen en vitale organen waren onherstelbaar beschadigd.’
Vledder keek hem aan. ‘Was je erbij?’
De Cock staarde voor zich uit. In zijn ogen lag een droeve blik. ‘Samen met zijn oude moeder. Ze was de enige, met wie hij nog contacten onderhield. We zaten aan zijn bed, toen hij na een moeizame bekentenis de ogen sloot en zachtjes heenging.’
Vledder slikte. ‘Heeft hij alle moorden bekend?’
‘Ja, alle tien.’
Op het jonge gezicht van Fred Prins kwam een wat verwrongen grijns. ‘Maar waarom?’ riep hij uit. ‘Wat hadden al die moorden voor zin?’ De Cock gebaarde met beide handen. ‘Wraak… of misschien kun je beter spreken van een kruistocht.’
‘Een kruistocht?’
Vledder knikte begrijpend. ‘Een eenzame kruistocht tegen vrouwen die hun man vernederen tot slaaf.’
Fred Prins grinnikte vreugdeloos. ‘Pleegde hij daarvoor al die moorden?’ In zijn stem trilde ongeloof.
De Cock streek met zijn hand over het grijze haar. ‘Ik heb nog een tijdje met zijn oude moeder gesproken. Een lieve vrouw, die er erg veel verdriet van had, dat haar enige zoon als maniak-moordenaar was ontmaskerd. Gajus van Leeuwen was zelf het slachtoffer van een vrouw, die hem verliet en hem gerechtelijk dwong tot een fors bedrag aan alimentatie. Er waren twee kinderen. Ze hield ze bij hem weg. Bovendien prentte ze die kinderen stelselmatig in, dat hun vader maar een waardeloze nietsnut was, met wie ze beter geen contact konden hebben. Zelf verwaarloosde ze die kinderen en onderhield relaties met tal van mannen, van wie ze geld ontving. Ze leefde in weelde en ontucht, terwijl Gajus, gebukt onder de alimentatieplicht, slechts een schamel bestaan restte.
De gevoelige en toch ook wel wat onevenwichtige man kon dat maar moeilijk verkroppen. Er ontwikkelde zich bij hem een haat tegen vrouwen. Hij sloot zich af en vermeed vrijwel elk sociaal contact. De tragiek is, dat hij op aanraden van zijn oude moeder naar een club ging waar karatelessen werden gegeven. Ze zag de vereenzaming van haar jongen met lede ogen aan en wilde hem weer in het leven terugbrengen.’
De grijze speurder sloot even de ogen.
‘Gajus van Leeuwen,’ ging hij droef verder, ‘was een goede leerling. Hij maakte op de karate-club snel vorderingen en besefte ineens zijn eigen kracht. Ik denk, dat toen bij hem het plan is gerijpt…’
De Cock maakte zijn zin niet af. Hij reikte naar het diepbolle glas op tafel. Bijna teder omsloot hij het met beide handen en verwarmde de cognac. Daarna dronk hij met kleine teugjes, liet het vloeibaar fluweel langs zijn droge keel glijden.
Mevrouw De Cock kwam uit de keuken. Ze begroette de beide jonge rechercheurs uiterst hartelijk. Daarna keek ze wat verbaasd om zich heen. ‘Is Robert Antoine van Dijk er niet bij?’
Vledder schudde het hoofd.
‘Robert Antoine is niet meer bij ons.’
‘Niet meer bij de politie?’
‘Nee. Robert heeft een baan gekregen bij een grote bankinstelling. Ik weet niet precies wat hij doet. Ik dacht iets in public-relations.’
Mevrouw De Cock glimlachte. ‘Daar lijkt hij mij uitermate geschikt voor.’
De Cock lachte. ‘Dat denkt de bank ook. Anders hadden ze hem die baan niet aangeboden.’
Het gezicht van mevrouw De Cock betrok.
‘Ik vind het toch wel jammer. Ik mocht hem wel. Hij was vriendelijk en zeer voorkomend. Hij zag er ook altijd zo keurig uit, droeg van die mooie kostuums, in fraaie pasteltinten.’
Fred Prins hoorde het onbekommerde babbeltje met gemengde gevoelens aan. Hij was te ongedurig om ernaar te luisteren en te ongeïnteresseerd om eraan deel te nemen. Hij boog zich voorover naar de grijze speurder. ‘Daar,’ gebaarde hij wat wrevelig, ‘bij het flatgebouw, toen wij samen bij hem neerknielden, wist u al wie hij was. U kende zijn naam.’
De Cock knikte gelaten. ‘Gajus van Leeuwen… oudste klerk van mr. Hazenberg.’
De jonge rechercheur keek hem onderzoekend aan. ‘Hoelang kende u de moordenaar al?’
De grijze speurder plukte aan zijn onderlip. ‘Bedoel je: wanneer ik hem voor het eerst ontmoette?’
Fred Prins schudde het hoofd. ‘Wanneer rees bij u het vermoeden, dat juist hij verantwoordelijk was voor die moorden op vrouwen?’
De Cock wuifde wat nonchalant voor zich uit. ‘Het zal, denk ik,’ sprak hij voorzichtig, ‘zo’n dag of twee, drie geleden zijn geweest, dat ik vermoedde dat het klerk Van Leeuwen was.’
‘Zolang?’
De grijze speurder glimlachte verontschuldigend. ‘Tussen vermoeden, weten en bewijzen liggen diepe kloven. Het was niet eenvoudig die te overbruggen.’
Vledder grinnikte ongelovig. ‘We hebben in ons hele onderzoek nog nooit een woord met die Gajus van Leeuwen gesproken,’ riep hij uit. ‘We hebben hem slechts een keer gezien, in de hal van het kantoor van mr. Hazenberg, toen hij ons aandiende.’
‘En?’
Op het gezicht van Vledder verscheen een grijns. ‘Waar haalde je dat vermoeden vandaan?’
De Cock gebaarde met beide handen. ‘Niet zo haastig. Laten we eerst teruggaan naar de dood van Sylvia van Regensbergen… of beter naar het moment dat wij haar verminkt lichaam in haar flat in de Bijlmermeer aantroffen. Toen wij onze bevindingen rapporteerden, meende commissaris Buitendam, dat Vledder en ik op eigen houtje een spoor naar de maniak-moordenaar hadden gevonden. Hij beraadslaagde met de hoofdcommissaris, die mij prompt het gehele onderzoek opdroeg. Ik was daar uiteraard niet blij mee. Nu de maniak-moorden zijn ontrafeld en de moordenaar voor zijn hemelse rechter staat, zullen ze elkaar over en weer wel vriendelijke schouderklopjes geven en menen, dat die opdracht een goede zet was.’ Hij zweeg even, zwaaide heftig. ‘Maar hun conclusie was onjuist. Het was puur toeval, dat wij het achtste slachtoffer vonden. Ons voorafgaande onderzoek had met de maniak-moorden niets uitstaande.’
Vledder schoof naar het puntje van zijn fauteuil. ‘En de naakte juffer dan?’
De Cock schudde het hoofd en krabde zich verlegen achter in de nek. ‘Ik wil het geheim van de naakte juffer nog niet onthullen. Ik bewaar dat tot straks. Je zult dan horen hoe ik van mijn positie misbruik heb gemaakt.’
‘Misbruik?’
De Cock wuifde het weg. ‘Het is nog niet aan de orde.’ Fred Prins keek de grijze speurder schuins onderzoekend aan. ‘Het hele korps sprak er over. Je kwam door die opdracht van de hoofdcommissaris bepaald wel in een moeilijke positie te verkeren.’
‘Je bedoelt, dat na het falen van de moordbrigade nu mijn reputatie als speurder op het spel stond?’
‘Precies.’
De Cock trok zijn schouders op en glimlachte. ‘Ik heb mij daar nooit zo erg om bekommerd. Uiteraard was ik erop gebrand de zaak te ontrafelen… de moordenaar te vinden. De moordbrigade had in deze affaire met heel veel mensen heel veel werk verricht. Ik weet hoe ze dat doen. Erg consequent, minutieus. Nog op de avond van de dag waarop aan de Nieuwe Zijds Kolk Antoinette van Deijl werd gevonden, brachten ze ons het dossier. Tot Vledders verbazing en ergernis wilde ik dat dossier niet inzien. Ik wil dit nog even nader verklaren. Ik heb in het verleden meer dossiers van de moordbrigade gelezen. Mijn ervaring is, dat ze door hun volledigheid vaak zo ontmoedigend zijn. Na het lezen vraagt men zich in vertwijfeling af: wat moet ik nog? Alles is al gedaan. Ik wilde per se niet ontmoedigd worden. Ik wilde niet weten hoe de gevonden sporen steeds tot niets leidden… hoe het onderzoek vastliep.’
Vledder lachte.
‘Toch heb je er veel plezier van gehad, dat ik het wel gelezen heb.’ De Cock knikte zijn trouwe makker vriendelijk toe. ‘Ik heb van jou in dit onderzoek heel veel plezier gehad… veel meer dan je misschien zelf hebt vermoed.’ Hij wendde zich tot Fred Prins. ‘Ik heb van het begin af gezocht naar een soort patroon… een patroon van de moorden, een lijnenspel, waarlangs het denken van de moordenaar verliep. Het was Vledder, die mij de eerste aanwijzing gaf. Hij ontdekte dat alle slachtoffers gescheiden vrouwen waren, of vrouwen die op het punt stonden te scheiden. Vrouwen ook, die op een bepaald onelegante manier hun ex-man uitbuitten. Het was een algemeen gegeven, waarvan men kon uitgaan. Een leidraad. Er waren verder geen overeenkomsten tussen de vermoorde vrouwen te vinden. Men kon er alleen zeker van zijn, dat ze allen door dezelfde moordenaar waren geveld.’
Vledder knikte. ‘Een inleidende nihon nukite, gevolgd door een dodelijke shuto gammen-uschi.’
De Cock gebaarde voor zich uit. ‘De moordenaar moest dus karate kennen, althans die beide slagen volkomen beheersen en een aversie hebben van gescheiden vrouwen. De grote vraag daarbij: wat bepaalde zijn keuze? Er zijn tienduizenden gescheiden vrouwen in ons land. En onder hen zullen er ongetwijfeld velen zijn die hun gewezen echtgenoot, laten we zeggen… onheus bejegenen.’ De grijze speurder gebaarde hulpeloos met beide handen. ‘Ik zat gewoon vast, gevangen in een doolhof waaruit ik niet kon ontsnappen, tot ik de vraag omdraaide.’
Fred Prins keek hem peinzend aan. ‘Omdraaide?’
De Cock knikte heftig. ‘Dus niet; wat bepaalde de keuze van de moordenaar? Maar: hoe kon hij die keuze doen? Waaruit koos hij? Over welke gegevens kon hij bij het doen van die keuze beschikken?’ De grijze speurder lachte breed. ‘En het was weer Vledder, die mij op het juiste spoor bracht. Hij ontdekte de volijvere juffer Gravensteijn.’ Vledder keek hem verbaasd aan. ‘Het arme mens had er niets mee te maken.’
De Cock maakte een verontschuldigend gebaartje. ‘Je moet haar maar eens een bloemetje van ons sturen. Ik was tijdens mijn onderhoud met haar niet zo hoffelijk. Er ging namelijk een idee met mij op de loop.’
‘Welk idee?’
‘Dat juffrouw Gravensteijn een ideale verdachte was. Zij beschikte door haar beroep van sociaal werkster over de kennis, het feitenmateriaal waaruit zo’n keuze gemaakt kon worden. Ik heb mij dan ook ernstig de vraag gesteld, of zij mogelijk de vrouw was die de moorden had gepleegd.’
Vledder hief beide armen ten hemel.
‘Dat is dwaas,’ riep hij uit.
De Cock negeerde de opmerking. ‘Of misschien iemand uit haar directe omgeving, iemand die over haar rapporten kon beschikken. Er was echter een belangrijk ontlastend facet: juffrouw Gravensteijn had met vele slachtoffers voor hun dood contact gehad, maar niet met allen. En dat was volgens mij een essentiële voorwaarde, waaraan de moordenaar die ik zocht, moest voldoen.’
De Cock zweeg even, wreef met zijn hand over zijn breed gezicht. ‘Tot onze verbijstering volgden de moorden elkaar snel op. De commissaris riep mij bij hem, en hij had gelijk, er moest snel iets gebeuren.
Bij het ontdekken van het lijk van Josje van Aerdenhout vertelde de dactyloscoop Kreuger mij, dat hij in de woningen van de vermoorde vrouwen al een paar maal de vingerafdrukken van mr. Hazenberg had gevonden. Kreuger, die alle dactyloscopische onderzoeken in deze affaire had gedaan, hechtte er zelf weinig waarde aan. Hij zei, dat mr. Hazenberg in verband daarmee al uitvoerig door de moordbrigade was verhoord. Vledder, die het dossier van de moorden had gelezen, vertelde mij, dat mr. Hazenberg de advocaat was, die de echtscheidingsprocedures van alle vermoorde vrouwen behandelde, of had behandeld. Ik stond perplex, begreep niet dat niemand voor mij dat had doorzien.’ Hij zweeg even en keek naar de gespannen gezichten voor hem. ‘Op dat moment wist ik waar ik de moordenaar moest zoeken.’
Vledder hijgde. ‘Op het kantoor van mr. Hazenberg.’
De Cock strekte zijn arm naar hem uit. ‘Daar lagen de echtscheidingsdossiers met volledig feitenmateriaal, compleet met alle achtergronden en adressen. De levenslustige mr. Hazenberg koos daaruit de bekoorlijkste vrouwen voor een kortstondige liaison, de moordenaar koos zijn slachtoffers.’
Fred Prins wipte in zijn fauteuil. ‘Zover was je,’ riep hij ongedurig, ‘twee à drie dagen geleden.’
De Cock knikte voor zich uit. ‘Ik zei al, tussen vermoeden, weten en bewijzen liggen diepe kloven. Hoe bracht ik het bewijs, dat de moordenaar in het kantoor van mr. Hazenberg gevonden moest worden? Uit de reeks voorgaande moorden kon vrijwel geen bewijs worden geput, ook al wist ik in luttele uren, dat de oudste klerk Gajus van Leeuwen karatelessen had gevolgd. De enige mogelijkheid die ik zag, was hem uit te lokken tot een nieuwe moord.’
Fred Prins keek hem met glinsterende ogen aan. ‘Hoe?’
De Cock streek met zijn pink over de rug van zijn neus. ‘Door het volgen van dezelfde procedure. Gajus van Leeuwen had zijn slachtoffers gekozen uit de dossiers van het advocatenkantoor. Wel, op datzelfde advocatenkantoor moest een dossier belanden, waar de moordenaar op af zou komen. Een soort lokspijs. En daarbij bracht jij mij op een schitterend idee.’
‘Je bedoelt die heer Wijnperser?’
‘Precies. Hij ontwierp voor mij de-denkbaar-meest-slechte-gescheiden vrouw.’
Vledder keek hem nadenkend aan.
‘Als ik mij goed herinner, zei je iets over een nuttige instructie.’
De Cock knikte. ‘Precies, een nuttige instructie voor Diana van Gellecom. Aan de hand van het beeld dat de heer Wijnperser ons had gegeven, stapte zij naar het kantoor van mr. Hazenberg. Ze bekleedde zich met de hoedanigheden van de-denkbaar-meest-slechte-gescheiden vrouw en verzocht de advocaat een procedure tot echtscheiding op gang te brengen.’
Vledder keek hem met bewondering aan. ‘Daarom liet je mr. Hazenberg naar neutraal terrein, het café van Smalle Lowietje komen.’ De Cock lachte. ‘Ik had zijn medewerking nodig. Ik moest hem in vertrouwen nemen. Bovendien kende mr. Hazenberg de Van Gellecoms. Ik kon niet het risico nemen, dat hij door onvoorzichtige uitlatingen mijn hele plan zou bederven.’
‘Hij speelde mee?’
‘Uiteindelijk. Hij had aanvankelijk nogal wat bedenkingen, maar toen ik hem zei, dat nooit iemand van zijn medewerking zou horen en hij het zogenaamde echtscheidings-dossier na de ontmaskering van de moordenaar mocht vernietigen, stemde hij toe.’
Mevrouw De Cock keek haar man scherp onderzoekend aan. ‘Ik begrijp,’ sprak ze aarzelend, ‘dat mr. Hazenberg zijn medewerking verleende. Hij kon zich aan de moorden moreel gesproken medeschuldig voelen. Ten slotte was Gajus van Leeuwen zijn ondergeschikte en putte hij uit de dossiers van een door hem geleid advocatenkantoor.’ Ze zweeg even. ‘Maar waarom waagde Diana van Gellecom zich aan zo’n gevaarlijk avontuur?’
De Cock ontweek de blik van zijn vrouw en slikte. ‘Om, eh… omwille van de naakte juffer.’ Hij stak zijn hoofd omhoog en streek met duim en wijsvinger langs zijn keel. ‘Eerst een cognackie.’ Het klonk als een noodkreet.
Fred Prins sprong op en pakte brutaal de fles. Haastig schonk hij in. De Cock nam het glas op en dronk langzaam met kleine teugjes. Hij zette het glas neer en keek de kring rond. ‘Ik wil eerst een pleidooi houden voor mijzelf,’ begon hij. ‘Een pleidooi voor mijn gedrag in deze affaire. Bedenk, dat ik weinig keus had. Langs de gebruikelijke wegen had ik dit nooit kunnen doen, had ik de moordenaar nooit zo snel ontmaskerd.’
Fred Prins zwaaide zijn betoog weg.
‘De naakte juffer,’ riep hij ongedurig. ‘Wie was zij?’
De Cock schudde triest het hoofd. Het feit, dat men zijn pleidooi niet ernstig wilde beluisteren, deed hem pijn. ‘Laten we teruggaan,’ zei hij zwak, ‘naar de nacht van Tropic Oil in de Casa Erotica. Van Dinterloo maakte daar ruzie met Van Gellecom. Dat was geen toevallige uitbarsting. Van Dinterloo voelde zich bedreigd. De vele intriges in de top van de onderneming kon hij niet verwerken. Bovendien werd hij belaagd door Diana van Gellecom, die hem zei dat ze verliefd op hem was en met hem wilde trouwen. Ze drong er voortdurend bij hem op aan zich te laten scheiden. Toen Van Dinterloo opmerkte, dat er ook nog een heer Van Gellecom bestond, zei Diana hem zonder blikken of blozen, dat ze zich heel gemakkelijk van hem kon ontdoen en ze openbaarde ook hoe, met de naakte juffer.’
De grijze speurder pauzeerde even, kneep beide ogen dicht om zich te concentreren.
‘Van Dinterloo,’ ging hij verder, ‘raakte in paniek. Ondanks zijn groot verstand was hij tegen werkelijke moeilijkheden in het leven niet opgewassen. Om de toekomst van zijn vrouw en zijn kind veilig te stellen, sloot hij een grote verzekering op zijn leven af, en schreef zijn eigen rouwcirculaire. Reeds rondlopend met zelfmoordplannen bezoop hij zich die nacht in de Casa Erotica. Sylvia van Regensbergen ving hem op en nam hem mee naar haar flat in de Bijlmermeer. Daar vertelde de aangeschoten Van Dinterloo alles over zichzelf, Diana van Gellecom en de naakte juffer voor haar heer en gemaal.
Sylvia van Regensbergen was niet veel meer dan een lief hoertje voor mannen met veel geld. Ik bedoel daarmee, dat haar interesse en opleiding gering waren. Ze zal met geveinsde aandacht naar het verhaal van Van Dinterloo hebben geluisterd en er weinig van hebben begrepen.
De volgende morgen bij zijn thuiskomst vertelde Van Dinterloo aan zijn vrouw van ene Sylvia, een lief meisje, dat zoveel begrip had getoond en hij geeft haar het adres. Twee dagen later, terugkomend van De Rijp, arrangeerde Van Dinterloo ter wille van enkele clausules in de levensverzekering-polis, een auto-ongeval. Hij rijdt met zijn wagen in het Noordhollands Kanaal en verdrinkt. Mevrouw Van Dinterloo verstuurt rouwcirculaires, ook aan Sylvia van Regensbergen. En daarmee startte voor ons het hele drama. Sylvia is verrast door de snelle dood van Van Dinterloo. Het verbijstert haar. Ze herinnert zich brokstukken van het nachtelijk gesprek, slachtoffers, naakte juffer, en speelt die gegevens aan mij door. Voor ik haar kon vragen wat ze precies bedoelde, sloeg de maniak-moordenaar toe.’ Fred Prins spreidde beide armen. ‘Hoe kwam je achter het geheim van de naakte juffer?’
De Cock glimlachte. ‘De eerste aanwijzing gaf Van Dinterloo zelf in zijn rouwcirculaire. Het was een wrang grapje. Duidelijk bedoeld voor Diana van Gellecom. Op die circulaire stond aan het slot: op verzoek van de overledene geen krokussen of andere bloemen. Een vreemde tekst met een duidelijk accent op krokussen.
Ik wist er echter niets mee te beginnen, tot wij in het stadje De Rijp met de chauffeur van Van Gellecom spraken. Hij zei, toen we de tuin van het chalet bewonderden, dat mevrouw Van Gellecom groene vingers had. Letterlijk zei hij: wat zij met bomen en planten kan doen, is onvoorstelbaar. Ze ziet zelfs kans om krokussen in het najaar te laten bloeien.’
Fred Prins keek hem verrast aan. ‘Krokussen in het najaar?’
De Cock knikte traag. Met opgestoken vinger gebaarde hij in de richting van Fred Prins. ‘Daar waren de krokussen weer, krokussen in het najaar. Vooralsnog ontging mij de betekenis, maar ik was attent. Toen ik bij een gerenommeerd tuincentrum informeerde, zei men mij dat er geen krokussen in het najaar bloeiden. In het najaar bloeide wel een bolgewas dat heel veel op een krokus leek, de naakte juffer.’
Fred Prins grijnsde in onbegrip. ‘Wat was daar voor bijzonders aan?’ De Cock boog zich naar hem toe. ‘Veel… heel veel. De bol bloeit, zogezegd, in het najaar. Het is een zogenaamde naaktbloeier en wordt in Nederland daarom meestal naakte juffer genoemd. Haar ware naam luidt colchicum autumnale of herfsttijloos, genoemd naar Medea van Colchis, een gifmengster uit de Griekse mythologie.’
‘Gif?’
‘Precies, colchecine, een zwaar vergif, dat onze Diana van Gellecom in haar eigen achtertuintje verbouwde, met maar één doel… haar man naar een andere wereld te helpen, wanneer haar dat zo uitkwam.’
Vledder kwam uit zijn stoel omhoog. ‘Ze deed het,’ riep hij uit. ‘Verdomd… zij deed het.’
De Cock wreef zich achter in de nek.
‘Inderdaad… ze deed het. Diana van Gellecom hield van uitdagingen. Het was een soort hartstocht, die haar dreef. Ze moet gevoeld hebben dat ik veel van de naakte juffer wist. Toch diende ze haar man colchecine toe, in een whisky-soda die ze toastend met hem ophief om zijn behouden terugkeer uit Amerika te vieren.’
Fred Prins siste van tussen zijn tanden.
‘Wat een rotwijf!’
Vledder keek de grijze speurder verwonderd aan. ‘Je hebt haar niet gearresteerd.’
De Cock schudde het hoofd.
‘Ik ben met mijn flesje urine van Purmerend naar De Rijp gereden. Daar heb ik haar in alle gemoedelijkheid verteld, dat ze een poging had gedaan om haar eigen man te vermoorden. Ik liet haar het bewuste flesje zien en zei haar dat laboratoriumproeven hadden uitgewezen, dat het colchecine bevatte. Ik zei haar ook, dat ik het flesje per ongeluk uit mijn handen zou kunnen laten vallen als… als ze bereid was haar medewerking te verlenen bij het ontmaskeren van de maniak-moordenaar.’
Mevrouw De Cock keek haar man onthutst aan.
‘Dat is… chantage, een uiterst gemene chantage.’
De Cock knikte bedaard.
‘Je hebt gelijk. Volkomen. Het is zelfs meer dan dat. Het Wetboek van Strafrecht voorziet er heel duidelijk in. Ik denk alleen, dat men het zonder haar verklaring moeilijk zal kunnen bewijzen.’
In de ogen van mevrouw De Cock glansde onbegrip.
‘Hoe kon je het doen?’
De grijze speurder spreidde beide armen.
‘Ik wilde deze avond beginnen met een pleidooi… een pleidooi voor mijzelf, maar niemand van jullie had interesse. Ik heb mijn kennis van de naakte juffer gebruikt, zo je wilt misbruikt, om Diana van Gellecom te dwingen een gevaarlijke opdracht voor mij uit te voeren, een opdracht waarbij haar eigen leven wel degelijk op het spel stond. We weten van Jan van Looijen, dat de twee dodelijke karateslagen in een fractie van een seconde konden worden toegebracht. En daarvoor konden we haar geen afdoende bescherming bieden.’
Fred Prins snoof.
‘Gaat ze nu scheiden van haar man?’
De grijze speurder schudde het hoofd. Hij blikte naar de fraaie pendule op de schoorsteen.
‘Een half uurtje geleden stond ze met de Rolls Royce voor het ziekenhuis van Purmerend. Liefdevol en zorgzaam leidde ze haar man naar de wagen en bracht hem thuis.’
Vledder keek hem wantrouwend aan.
‘Waar is het flesje met urine?’
De Cock maakte een verontschuldigend gebaartje.
‘Het viel per ongeluk uit mijn handen op de stenen vloer. Opnieuw urine nemen had geen zin meer. De nieren van Van Gellecom hebben inmiddels hun werk gedaan en al het gif uit het lichaam verwijderd.’
‘En de laboratoriumanalyse?’
De Cock grijnsde. ‘Er is nooit een analyse geweest.’