6

‘Ze was al dood!’

De schreeuw van Charles Roozenblad klonk nog na, echode tegen de kale wanden van de grote recherchekamer. De Cock vatte de man bij de arm en leidde hem terug. ‘Ga weer zitten,’ zei hij scherp. Hij raapte de omgevallen stoel op.

‘U was dus bij haar.’

‘Ja.’

‘Waarom?’

Charles Roozenblad tastte in een zijzak van zijn colbert, nam daaruit een verkreukelde enveloppe en legde die op het bureau van De Cock. ‘Ze schreef mij via haar advocaat, dat ze een onderhoud met mij wilde.’

‘Wanneer?’

‘Vanmiddag bij haar thuis.’

‘Hoe laat?’

‘Twee uur.’

‘Was u op tijd?’

Charles Roozenblad knikte. ‘Misschien was ik er een paar minuten over tweeën. Maar veel later niet. Ik parkeerde mijn wagen op de Nieuwezijds Voorburgwal bij een parkeermeter en liep naar haar woning aan de Kolk. Ik deed kalm aan, overdacht wat ik haar allemaal zou zeggen.’

‘Had u enig idee wat ze van u wilde?’

Charles Roozenblad grinnikte vreugdeloos. ‘Geld, wat anders? Antoinette gaf het gemakkelijk uit, dom, onverantwoord, vaak om de genegenheid van louche vriendjes te kopen.’ Hij zweeg even. ‘Dat ik voor elke cent die ik haar gaf, hard heb moeten sappelen, heeft ze nooit willen begrijpen.’ Hij zuchtte diep. ‘Het kon haar geen barst schelen, geloof ik.’

De Cock keek hem aan; beluisterde de bittere toon. ‘U was rijp voor moord,’ zei hij vlak.

Charles Roozenblad boog het hoofd. ‘Ik moet u eerlijk bekennen dat ik wel eens met de gedachte aan moord heb gespeeld. Ik had dit ook nooit mijn hele leven lang uitgehouden.’

De Cock wreef met zijn hand over zijn breed gezicht. ‘Het was dus een… eh, een vriendelijke speling van het lot, dat een ander het karwei voor u opknapte.’

Charles Roozenblad draaide op zijn stoel. Rond zijn slappe mond kwamen harde trekken. Zijn ogen flikkerden. ‘Ik heb met haar dood niets te maken,’ reageerde hij ineens fel, heftig. ‘Niets, hoort u. En ik laat mij dat door u ook niet aanpraten.’

De Cock glimlachte beminnelijk. ‘Ik zoek de waarheid,’ zei hij kalm. ‘Een onhebbelijkheid van mijn beroep.’ Hij gebaarde naar de man. ‘U hebt aan de gevonden situatie in de woning niets veranderd?’ Charles Roozenblad schudde droef het hoofd. ‘Ik zag vrijwel onmiddellijk dat ze dood was.’

‘Hoe?’

‘Zoals ze daar lag, haar houding… het bloed op haar gezicht.’

‘En toen?’

‘Niets, helemaal niets. Ik was verlamd, te verbijsterd om iets te doen. Hoelang ik als versteend aan haar voeten heb gestaan, weet ik niet. Toen ik mij weer kon bewegen, ben ik in een soort paniek de straat opgerend. Ik herinner mij dat ik een paar maal de Nieuwendijk op en neer heb gelopen, botsend tegen de mensen. Uiteindelijk ben ik op de Martelaarsgracht een café ingevlucht. Ik nam snel achter elkaar een paar borrels. Dat hielp. Ik knapte er aardig van op.’ De Cock wreef langs zijn kin. ‘Toen heeft u vanuit het café Josje van Aerdenhout gebeld.’

Charles Roozenblad keek de grijze speurder verwonderd aan.

‘Wie heb ik gebeld?’ vroeg hij aarzelend.

‘Josje van Aerdenhout… hartsvriendin van Antoinette.’

Charles Roozenblad schudde het hoofd. ‘Ik… ik heb niemand gebeld.’

De Cock keek hem enige tijd onderzoekend aan. Toen stond hij op. ‘U kunt gaan,’ zei hij strak.

Charles Roozenblad kwam aarzelend overeind. ‘En mijn kinderen?’ ‘Volgens mijn informatie zijn die ondergebracht bij nette families in Noord-Brabant. Zo gauw ik de adressen heb, krijgt u van mij bericht.’ Charles Roozenblad slikte. ‘Ik… eh, u… eh, u verdenkt mij niet meer?’

De Cock grijnsde. ‘Als ik voldoende bewijzen tegen u heb gevonden… kom ik u persoonlijk halen.’

Roozenblad schudde traag het hoofd. ‘U vindt geen bewijzen tegen mij. Die zekerheid kan ik u geven.’ Hij draaide zich om en slofte de kamer uit.

De Cock keek hem na. Toen de deur achter Charles Roozenblad dichtviel, stapte hij naar Vledder, die aan zijn bureau aantekeningen maakte uit het dossier van de moorden.

‘Ga jij morgen naar de sectie?’

Vledder keek op en knikte. ‘Jij gaat niet mee?’

De Cock schudde het hoofd. ‘Ik ga morgenochtend naar Bloemendaal.’

Vledder reageerde verrast. ‘Wat moet je in Bloemendaal?’

De grijze speurder glimlachte. ‘Daar woont de treurende weduwe van Van Dinterloo. Misschien weet zij wie de naakte juffer is.’


De Cock reed met een matig gangetje. In plaats van rechtstreeks van Amsterdam naar Bloemendaal te rijden, had hij een ommetje gemaakt via Zandvoort. Het was druk aan de boulevard en aanlokkelijk warm. Een moment bekroop hem de lust om de zee in te duiken, maar hij bedacht dat hij een bindende afspraak had om elf uur. Bovendien lag zijn zwembroek thuis en zijn puriteinse ziel verzette zich tegen een nudistisch avontuur.

Vanaf de Zeeweg reed hij Bloemendaal binnen. Hij parkeerde de Volkswagen in een brede dwarsweg en ging te voet naar de Rozen- laan. Hij vergaapte zich aan de vele fraaie villa’s en stond toch nog onverwacht voor nummer 387. Het was een pompeuze bungalow met grote ramen en veel glimmend hout. Hij betastte een koperen klopper en hoorde binnen een galmend ding-dong. Na een paar minuten werd de deur geopend door een jonge vrouw. De Cock herkende haar van de begrafenis. Hij zag nu dat ze bijzonder aantrekkelijk was. Niet wild, opwindend, maar eenvoudig, rustig, met een passende waardigheid. Ze keek hem vragend aan. ‘Rechercheur De Cock?’ De grijze speurder knikte.

Ze stak haar hand toe. ‘Marianne van Dinterloo,’ sprak ze zacht. De Cock drukte de toegestoken hand en voelde hoe gespierd en krachtig die was.

‘Ik condoleer u met het verlies van uw man,’ sprak hij plechtig. Ze gaf hem een dankbaar knikje. Daarna ging ze hem voor door een lange gang die eindigde in een ruime kamer, waarin een kleuter met poppen speelde. Ze gebaarde naar een diepe leren fauteuil. ‘Neemt u plaats.’ Ze ging tegenover hem zitten, kuis, de knieën dicht tegen elkaar, de rok naar voren getrokken. Een ogenblik keek ze de grijze speurder peinzend aan. ‘U was op de begrafenis?’ De Cock knikte. ‘Met mijn collega Vledder.’ ‘Mag ik stellen, dat u een beroepsmatige interesse hebt in de dood van mijn man?’

De Cock bracht zijn lippen in een tuitje. ‘Dat… eh, dat mag u stellen,’ zei hij aarzelend.

‘En mag ik vragen op welke gronden die beroepsinteresse is gebaseerd? Ik bedoel, werd mijn man het slachtoffer van een misdaad?’ De grijze speurder weifelde; streek met zijn hand over het brede gezicht. Hij hield er niet van dat anderen hem vragen stelden. ‘Iemand speelde mij een rouwcirculaire in handen.’

‘En?’

‘De tekst bevreemdde mij.’

Ze keek naar hem op, een waakzame blik in de ogen. ‘Wat was daar voor vreemds aan?’

De Cock krabde zich achter in de nek. ‘Uw man reed met een auto in het Noordhollands Kanaal en verdronk. In de rouwcirculaire stond, na een kortstondig lijden. Dat is niet gebruikelijk.’ Hij zweeg even. ‘En dan aan het einde, op verzoek van de overledene geen krokussen of andere bloemen.’ Hij boog zich iets naar voren. ‘Mevrouw Van Dinterloo, is die tekst van u?’

Ze toonde voor het eerst enige emotie. Haar onderlip trilde. ‘Niet van mij, van mijn man.’

De Cock reageerde verbaasd. ‘Uw man schreef zelf de tekst voor zijn eigen rouwcirculaire?’

Ze knikte. ‘Kort voor zijn dood.’

‘En vond u dat niet vreemd?’

Ze friemelde aan haar rokje. ‘Freek was niet gelukkig de laatste maanden. Hij was nerveus, onrustig, sprak over de dood als een vluchtweg.’

Ze schudde haar hoofd. ‘Hij had in Twente moeten blijven.’ ‘Het beviel hem niet bij de ITO?’

Ze zuchtte. ‘Freek was geen man voor intriges, voor een onverzoenlijke machtsstrijd. Hij was een man van de wetenschap, die rustig en geconcentreerd aan zijn onderzoeken wilde werken.’

‘Bij Tropic Oil kon dat toch?’

Ze schonk hem een droeve glimlach. ‘Hij had in feite maar weinig persoonlijke vrijheid. Een ieder die maar iets in de top te betekenen had, probeerde Freek voor zijn eigen doeleinden te gebruiken, of misbruiken. Hij voelde zich aan alle kanten bedreigd.’ Ze liet het hoofd iets zakken. Het lange haar viel als een gordijn voor haar gezicht. ‘En dan was er nog die vrouw.’

‘Welke vrouw?’

Ze keek op. ‘Diana van Gellecom.’

De Cock fronste zijn zware wenkbrauwen. ‘De vrouw van directeur Van Gellecom?’

Ze knikte traag. ‘Een verschrikkelijke vrouw, heerszuchtig, lichtzinnig, scandaleus. Ze probeerde mijn man op allerlei manieren in haar netten te verstrikken. Ze liet geen middel ongebruikt. De Van Gellecoms hebben een groot huis in De Rijp met een prachtige tuin. Wanneer wij daar waren uitgenodigd, was zij niet eens in staat haar affecties voor mijn man in mijn bijzijn te onderdrukken.’ Ze streek door het lange zwarte haar. ‘Freek was daar niet tegen opgewassen. Hij was erg hulpeloos in zulke affaires, vaak kinderlijk naïef.’

‘En Van Gellecom?’

Mevrouw Van Dinterloo trok haar smalle schouders op. ‘Het kon Max niet zoveel schelen, geloof ik. Hij had zich met het gedrag van zijn vrouw verzoend. Toen ik eens een opmerking maakte, zei hij kriegel: laat haar toch, ze is nog jong.’ Ze maakte een onzeker gebaartje. ‘Hij had misschien ook weinig keus. Max van Gellecom is zeker dertig jaar ouder.’

De Cock knikte begrijpend. Onderwijl nam hij de vrouw voor hem eens nauwkeurig op. De amandelvormige ogen, de matbleke teint van haar huid, het was van een haast broze schoonheid. Hij boog zich naar voren. ‘Wie is de naakte juffer?’ vroeg hij plotseling. Ze keek hem verwonderd aan. ‘Naakte juffer?’ herhaalde ze verward.

De Cock knikte. ‘Vraag naar de naakte juffer, dat stond op een kaartje dat bij de begraafplaats onder de ruitewisser van onze auto was geschoven. Een rose kaartje van Casa Erotica.’

‘De sex-club.’

De Cock keek verrast op. ‘Die kent u?’

Ze schudde glimlachend het hoofd. ‘Freek is daar een keer geweest met een paar luitjes van Tropic Oil. Het was ongeveer twee dagen voor zijn dood.’

De Cock plukte aan zijn onderlip. ‘Hoe laat kwam hij die nacht thuis?’ Ze schudde langzaam het hoofd. ‘Hij kwam niet thuis die nacht. Hij kwam eerst laat in de morgen, opgelucht, minder gespannen dan de dagen daarvoor. Hij vertelde mij dat hij dronken was geworden en in de Casa Erotica ruzie had gekregen met Van Gellecom. Een meisje had hem daarna meegenomen naar haar flat.’

‘Sylvia van Regensbergen.’

Marianne van Dinterloo knikte traag. ‘Inderdaad, zo heette ze. Freek heeft het mij laten zien. Hij had haar naam en adres op zo’n rose kaartje van Casa Erotica geschreven. Ze was volgens Freek een erg lief meisje. Ze had veel begrip getoond. Freek had vrijwel de hele nacht met haar zitten praten.’

De Cock luisterde aandachtig; zocht in haar woorden naar een ondertoon van wrok, haat, jaloezie. Die was er niet. ‘Sylvia is dood,’ zei hij strak.

Marianne van Dinterloo knikte. Er glinsterde een traan in haar donkere ogen. ‘Ik heb het gelezen,’ snikte ze. ‘Arm kind. Vermoord.’ Ze richtte haar hoofd op. Tranen drupten over haar wangen. ‘Net als mijn man?’

De Cock voelde een brok in zijn keel. Het verdriet van de jonge vrouw trof hem. Hij keek naar de kleuter, die verderop met haar poppen speelde. ‘Ik heb geen werkelijke aanwijzingen dat uw man door misdaad om het leven kwam,’ sprak hij somber. ‘Toch had ik graag geweten waarover uw man die nacht met Sylvia heeft gesproken.’ Marianne van Dinterloo reageerde ineens heftig, gespannen. De mild- droeve uitdrukking op haar gezicht was verdwenen, had plaats gemaakt voor haat, afkeer.

‘Ik weet het,’ riep ze fel. ‘Ik weet waarover zij spraken, over Diana…

Diana van Gellecom… die wilde dat Freek zich van mij liet scheiden.’

‘Om met haar te kunnen trouwen?’

‘Precies.’

‘Maar ze was toch zelf ook getrouwd?’

Marianne van Dinterloo knikte nadrukkelijk. ‘Dat had Freek ook gezegd.’

‘En toen?’

Marianne keek de grijze speurder aan. In haar donkere ogen lag verbijstering. ‘Diana zei: dat is geen punt. Max… Max sterft binnen een week.’

De Cock wreef langs zijn ogen. Hij had moeite alles te verwerken, de snelle gemoedswisseling van de jonge vrouw te volgen. Hij kwam wat moeilijk uit zijn fauteuil overeind. Vanuit de hoogte keek hij op haar neer. ‘Die nacht,’ zei hij, ‘die nacht, dat Freek in het Noordhollands Kanaal reed en verdronk … kwam hij toen uit De Rijp?’ Marianne van Dinterloo richtte haar hoofd op. De haat was weggetrokken. Haar gezicht had weer de milde uitdrukking van daarvoor. Ze knikte traag. ‘Hij was gegaan om haar te zeggen, dat hij voor eeuwig met haar brak. Dat hij haar nooit meer wilde zien.’

Het klonk als een profetie.


De Cock keek zijn jonge collega onderzoekend aan. ‘Hoe was de sectie?’

Vledder trok zijn brede schouders op. ‘De oude dr. Rusteloos was een beetje uit zijn doen, nogal somber, terneergeslagen. Ik kan wel een afschrift maken van mijn vorige sectierapporten, zei hij. Ik hoef alleen maar de naam te veranderen.’

De Cock knikte begrijpend. ‘Dr. Rusteloos vond bij de sectie op het lichaam van Antoinette van Deijl dus dezelfde doodsoorzaak, dezelfde beschadigingen als bij de acht voorafgaande slachtoffers.’ De jonge rechercheur maakte een mistroostig gebaar. ‘Uitgestoken ogen, schedelbreuken bij de rechterslaap en letale beschadigingen van de hersenen.’ Hij schudde triest het hoofd. ‘Ik begrijp nu waarom je niet mee wilde. Het was niet prettig om te zien.’

‘Had ze afwijkingen?’

‘Hoe bedoel je?’

De Cock reageerde wat kriegel. ‘Lichamelijke afwijkingen, waardoor ze opviel.’

Vledder glimlachte fijntjes. ‘Antoinette van Deijl was bijzonder mooi. Fraai gevormd. Lange slanke benen, volle schouders, fraaie buste. Het viel zelfs de oude dr. Rusteloos op hoe mooi ze was.’ De Cock zwaaide wat ongedurig. ‘En die andere acht? Waren dat ook van die bijzonder mooie, fraai gevormde vrouwen?’ vroeg hij spottend.

Vledder keek zijn oude leermeester geamuseerd aan. ‘Ik dacht dat je niets uit het dossier wilde weten?’

De grijze speurder streek wat verlegen met zijn pink over de rug van zijn neus. ‘Jij… eh, jij hebt het toch gelezen,’ zei hij ontwijkend. De jonge rechercheur knikte. ‘Het was een heel karwei. Ik heb er gisteravond wel een uur of drie voor nodig gehad. En ik ben er nog niet helemaal doorheen.’ Hij tastte naar de binnenzak van zijn colbert en nam daaruit zijn notitieboek. ‘Ik heb voor mijzelf een lijst gemaakt van de slachtoffers… naam, leeftijd, huidkleur, kleur van het haar, de ogen, opleiding en materiële welstand.’

‘En?’

Vledder zwaaide met zijn notitieboek. ‘Ik kan mij de vertwijfeling van de rechercheurs van de moordbrigade best indenken. Wat je ook probeert, er is in de moorden geen enkele lijn te ontdekken.’ De Cock steunde met zijn ellebogen op het bureau en staarde nadenkend voor zich uit. ‘Heb je al die gegevens uit het dossier kunnen putten?’

De jonge rechercheur schudde het hoofd. ‘Niet alle. Er was wel een lijst, maar daarop kwamen alleen de namen, de geboortedata, de data van overlijden en de verschillende adressen voor, waar de slachtoffers tijdens hun leven hadden gewoond.’

‘Viel daaruit wat op te maken?’

‘Niets, ook niet uit de zogenaamde intervallen, de tijden tussen de moorden onderling. De moordbrigade heeft er veel aandacht aan besteed.’

De Cock knikte begrijpend. ‘Hoe heb je de gegevens uit het dossier aangevuld?’

‘Via juffrouw Gravensteijn.’

De grijze speurder keek verwonderd op. ‘Wie… eh, wie is juffrouw Gravensteijn?’

Vledder lachte wat geheimzinnig. ‘Een sociaal werkster.’ De Cock grinnikte. ‘En wat heeft een sociaal werkster met deze moorden te maken?’

Vledder gebaarde. ‘Veel, heel veel. Ze heeft over de meeste slachtoffers een uitgebreid rapport gemaakt.’

‘Waarom?’

Vledder zwaaide breed. ‘Omdat de slachtoffers voor hun dood ondersteuning hadden aangevraagd ingevolge de Bijstandswet.’ De jonge rechercheur pakte een stoel, schoof die bij en ging er omgekeerd op zitten. ‘Juffrouw Gravensteijn,’ legde hij geduldig uit, ‘heeft een functie bij de gemeentelijke dienst voor sociale zaken. Zij behandelt aanvragen voor ondersteuning en is op deze wijze met de meeste slachtoffers in contact gekomen. Ze is daarover ook door de moordbrigade uitgebreid verhoord.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen. ‘Waren alle slachtoffers er financieel dan zo slecht aan toe?’

Vledder schudde het hoofd. ‘Niet allen. Sommigen hadden genoeg eigen middelen, waren zelfs rijk te noemen. Maar de meeste vrouwen vielen toch wel onder de bepalingen van de Bijstandswet. Aan hen werd ook ondersteuning toegekend en uitbetaald, tot de rechter het bedrag van de alimentatie had vastgesteld.’

De Cock keek naar zijn jonge collega op. ‘Rechter?’ riep hij wat wrevelig. ‘Alimentatie?’

De jonge Vledder knikte heftig. Op zijn wangen lag een blos. ‘Ik heb,’ riep hij enthousiast, ‘in de moorden één duidelijke overeenkomst ontdekt.’

‘En dat is?’

‘De slachtoffers waren gescheiden of stonden op het punt dat te doen.’ De Cock keek hem verrast aan. ‘Alle acht?’

‘Alle negen.’

De Cock knikte met een ernstig gezicht. ‘Je hebt gelijk. Ook Antoinette van Deijl was een gescheiden vrouw.’ Hij gebaarde naar zijn jonge collega. ‘Toeval?’

Vledder schudde resoluut het hoofd. ‘Het moet een factor zijn. Het is te opvallend.’

De grijze speurder trok brede rimpels in zijn voorhoofd. Na een poosje kwam hij uit zijn stoel overeind, slenterde naar de kapstok en zette met een loom gebaar zijn hoed op. Vledder kwam hem na. ‘Waar ga je heen?’

De Cock grijnsde. ‘Naar Lowietje. Ik heb het gevoel, dat alleen een cognackie mij nog kan helpen.’

Загрузка...