17

Een trage, slome regen daalde mistroostig uit een laag wolkendek. Het zat zo diep, zo vast, dat het leek alsof het nooit meer zou weggaan, alsof het in Amsterdam verder eeuwig zou regenen.

De Cock trok de kraag van zijn jas omhoog en drukte zijn oude hoedje verder naar voren. In zijn zo typische slenterpas schuifelde hij over het grind van de oude begraafplaats. Het water droop van zijn gezicht.

Gajus van Leeuwen werd begraven. De Cock wilde erbij zijn, uit piëteit en uit een onbestemd gevoel van schuld aan zijn dood.

De begraafplaats zag er triest en verlaten uit. De bloemen kleurden niet en zelfs de vogels hielden zich schuil. De Cock slenterde gebogen verder. Toen hij opkeek, zag hij in de verte een vrouw. Ze stond eenzaam en alleen onder een afdakje van de aula.

Toen hij naderbij kwam, gleed een glimlach van herkenning om zijn lippen. ‘Moeder van Leeuwen,’ riep hij verwonderd. ‘Wat doet u hier?’

Ze keek naar hem omhoog.

‘Ik wacht tot hij er is.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Bent u alleen gekomen?’

Ze knikte. Water droop van haar vilten hoedje.

‘Met de tram.’

De Cock schudde wat geërgerd het hoofd.

‘U had moeten meerijden… in een volgwagen.’

Ze liet haar hoofd wat zakken.

‘Ze hebben het mij gevraagd, maar ik wilde niet.’

De Cock keek haar onderzoekend aan.

‘Waarom niet?’

Ze zuchtte.

‘Voor de schande. Iedereen weet nu toch wie hij is… was.’

De Cock klemde zijn lippen op elkaar. Hij nam haar kleine kin in zijn grove hand en tilde haar hoofd omhoog.

‘Het is jouw kind, is het niet? Wil je hem na zijn dood nog verloochenen?’

Er gleden tranen uit haar ogen. Ze legde haar hoofd tegen zijn natte jas en snikte.

Een grote lijkwagen reed met oneerbiedige snelheid de begraafplaats op. Bij de aula remde de wagen. De wielen knarsten in het grind. Er stapte een man uit en liep op een holletje naar hen toe.

‘Komt u voor die meneer Van Leeuwen?’

De Cock knikte.

‘O,’ zei de man. Hij was zichtbaar teleurgesteld. Kennelijk had hij niemand verwacht. ‘U kunt ons volgen.’ Hij rende door de regen naar de wagen terug. Stapvoets reed hij verder de begraafplaats op.

Moeder Van Leeuwen en De Cock volgden. Ze liepen zwijgend naast elkaar. De glanzende wagen zoemde voor hen uit. Na een minuut of tien kwam hij langzaam tot stilstand. Ze keken langs de wagen. Bij de open groeve stond een vrouw met twee kinderen. De Cock voelde hoe de oude vrouw zich dichter tegen hem aandrukte. Hij keek bezorgd opzij.

‘Wat is er?’

‘Zij.’

‘Wie?’

‘Marie… de vrouw met wie Gajus getrouwd was.’

‘En dat zijn de kinderen?’

Ze knikte.

De Cock voelde hoe haar oude lichaam plotseling verstijfde. ‘Wat moet zij hier?’ siste ze. ‘Wat moet ze hier? Ze heeft hier niets meer te zoeken.’

De Cock trok haar wat ruw achter de lijkwagen terug. Zijn gezicht stond ernstig.

‘Haat,’ zei hij strak, ‘is een ziekte. Uw zoon is eraan te gronde gegaan.’

Ze keek hem aan. De Cock zag hoe de strakke trekken op haar gezicht langzaam vergleden, hoe zijn woorden tot haar doordrongen. Ze liet zijn arm los en schuifelde langs de wagen naar de groeve. Van een afstandje keek de grijze speurder toe hoe de vrouw haar begroette, hoe de kinderen aan haar zijde gingen staan.

De Cock draaide zich om. Hij wilde geen confrontatie. Hij wilde het gezicht niet zien van de vrouw, de snuitjes van de kinderen. Gajus van Leeuwen was dood, en hij had ongelijk.

Eenzaam en met een vreemd leeg gevoel in zijn hart waggelde hij de begraafplaats af. Buiten de poort schoof hij in zijn oude Volkswagen. Hij startte de motor. In een verkeerde versnelling schokte hij de weg op.

Загрузка...