Rechercheur De Cock steunde met beide ellebogen op zijn bureau en schudde geërgerd het grijze hoofd. ‘Stomme kerels,’ siste hij van tussen zijn tanden. ‘Gewiekste zakenlui, doordacht, scherpzinnig, opportunistisch, maar als de liefde hun trage bloed kietelt onhandige schooljongens, stommeriken, die hun eigen geluk en veiligheid…’ Hij maakte zijn zin niet af. ‘Al die meiden van de Casa Erotica hebben waarachtig de namen en telefoonnummers van hun klantjes gewoon in hun kladboekje staan.’
Vledder grinnikte jongensachtig. ‘En vaak een foto plus opdracht. Niet te geloven.’
De Cock knikte met een droef gezicht. ‘Veel liefs van je eigen beertje,’ citeerde hij smalend. ‘Leuk voor later, voor een beetje chantage als dessert.’
Vledder glimlachte. ‘Wat geeft het. Waar maak je je druk om. Wees blij, dat die idiote kerels zo stom zijn. We waren anders in zo’n korte tijd nooit zover gekomen.’ De jonge rechercheur rangschikte zijn vele aantekeningen. ‘Kort samengevat, de nacht van International Tropic Oil was een besloten sex-feest in de Casa Erotica aan de Achterburgwal, waar het nogal wild toeging en… waaraan uitgerekend dezelfde heren deelnamen, die wij keurig in het zwart en met uitgestreken gezichten op de begraafplaats Zorgvlied hebben gezien.’ De Cock kneep zijn dikke lippen opeen. ‘Compleet met de man in de kist.’
Vledder knikte instemmend. ‘Inderdaad. Het is uit de verhalen van de meisjes wel duidelijk geworden, dat ook onze vriend Van Dinterloo aan het sex-feest deelnam, en dronken werd.’ De Cock gebaarde met opgestoken vinger. ‘Zo dronken,’ vulde hij aan, ‘dat hij de geachte heer directeur van International Tropic Oil de inhoud van zijn whiskyglas in het gezicht smeet en hem allerlei verwensingen naar het brede hoofd slingerde.’ De grijze speurder trok een grijns. ‘Heer van Gellecom,’ imiteerde hij met dikke tong, ‘gij zijt een brilslang.’
Vledder schudde het hoofd. ‘Geen brilslang,’ verbeterde hij, ‘een cobra.’
De Cock lachte vrijuit. ‘Als je mij vraagt… een juiste typering. Ik herinner mij nu, dat hij ook op de begraafplaats was. Hij was de man, die naar de Rolls Royce liep.’ Hij zweeg even. ‘Ik heb die Van Gellecom eens tijdens een interview op het televisiescherm gezien. Een goed geconserveerde vijftiger met trage bewegingen en een waakzame blik achter een zware bril met een donker montuur.’ Hij schudde het hoofd. ‘Geen man,’ sprak hij ernstig, ‘die met zich laat spotten.’ ‘Hoe bedoel je?’
De Cock gebaarde. ‘Precies zoals ik zeg. Van Gellecom is geen man, die men ongestraft de inhoud van een whiskyglas in het gezicht kan gooien. Ik geloof, dat Sylvia dat ook besefte. Ze zal de gelaatsexpressie van de directeur hebben geanalyseerd en tot de conclusie zijn gekomen, dat er gevaar dreigde. Het was maar goed dat zij de jonge wetenschapsman onder haar hoede nam en wegvoerde.’ De jonge rechercheur knikte traag voor zich uit. ‘Maar sindsdien heeft nooit meer iemand taal of teken van het meisje gehoord.’ Hij keek naar zijn oudere collega op. Zijn jong gezicht stond strak, gespannen. ‘Wat denk je… zou zij de naakte juffer zijn?’
De Cock trok zijn brede schouders omhoog. ‘Uitgaande van hetgeen wij nu weten, lijkt het aannemelijk. Maar wie of wat is de naakte juffer? Het kan bijna van alles zijn. Er valt niets zinnigs over te zeggen. Ik vind alleen ‘juffer’ zo’n ouderwets woord. Het lijkt mij zaak dat meisje zo gauw mogelijk te vinden.’ ‘Waarom?’
De Cock zuchtte. ‘Ik wil weten waar ze is, of ze nog leeft.’ Vledder gebaarde wat wild. ‘Je denkt toch niet, dat ze is omgebracht? Wat zou dat voor zin hebben?’
De Cock schoof zijn onderlip vooruit. ‘Misschien wist zij wat er die nacht met Van Dinterloo gebeurde.’
Vledder keek zijn leermeester verbaasd aan. ‘De nacht van Tropic Oil in de sex-club?’
‘Ja.’
Vledder grijnsde spottend. ‘Die nacht gebeurde er niets. De jonge professor reed in het Noordhollands Kanaal en verdronk, pas twee nachten later.’
De Cock knikte vaag, nadenkend. Het leek alsof hij de opmerking van de jonge Vledder niet had gehoord. ‘Wat weten we van haar?’ De jonge rechercheur raadpleegde met duidelijke tegenzin zijn notities. ‘Sylvia van Regensbergen,’ begon hij hardop, ‘drieëntwintig jaar. Op haar zestiende liep ze voor het eerst van huis weg. Ze werd een paar maal teruggevoerd, maar nam, ondanks uitgebreide politie- en voogdijbemoeiingen, steeds weer de benen. Ze trouwde op achttienjarige leeftijd met ene Jacob van Tongeren, een oudere, gefortuneerde zakenman, met wie ze nog steeds in een echtscheidingsprocedure is gewikkeld. Al vanaf haar negentiende jaar kleedt ze zich avond aan avond publiekelijk uit. Volgens mensen, die daar kijk op hebben, met veel raffinement en plezier. Haar relaties met mannen zijn dan ook talrijk. Ze is echt geen meisje, van wie nog gezegd kan worden, dat ze met lichamelijke en geestelijke ondergang wordt bedreigd.’[2] Hij pauzeerde even, plukte grijnzend aan zijn kin. ‘Je kan beter zeggen, dat ze aan de lichamelijke en geestelijke ondergang van anderen werkt.’
De Cock stond van zijn stoel op. ‘Ze verdween,’ zei hij kortaf. Vledder maakte een wrevelig gebaar. Het is een merkwaardige samenloop. Inderdaad. Maar tussen haar verdwijnen en de dood van Van Dinterloo behoeft geen enkel verband te bestaan. Onze frivole Sylvia kan zich wel een nieuw vriendje hebben verworven met wie ze, wie weet waar, ergens op Ibiza zit.’
De Cock tuitte zijn lippen. ‘Het kan,’ zei hij bedachtzaam. Hij keek op zijn jonge collega neer. ‘Heb je haar adres?’ Vledder knikte.
‘Fleerdehoeve 784, een flat in de Bijlmermeer.’
Het was fraai zomers weer. Een vriendelijk zonnetje stond hoog aan de hemel. Statige cumuluswolken dreven als trotse zwanen in het blauw. Een zacht, koel briesje streek langs de uitgestrekte gaanderijen. De Cock had geen oog voor de wijdse blik, die de negende verdieping hem bood. Hij drukte zijn oude hoedje wat dieper op het hoofd en keek naar de nummering. Bij 784 bleef hij staan. Op de deur was een lichtmetalen schildje met ‘sylvia van regensbergen’ in kleine zwarte letters zonder kapitalen.
Vledder drukte op de bel en wachtte. Er verstreken minuten zonder reactie. Opnieuw belde Vledder.
De Cock slenterde langs de ramen en probeerde naar binnen te kijken. Het lukte niet. De gordijnen waren hermetisch gesloten. Hij vond geen enkele kier waardoor hij wat kon zien. Na enige tijd haalde de grijze speurder het apparaatje uit zijn zak, dat hij eens, al weer lang geleden, had gekregen van zijn vriend en tegenspeler Handige Henkie. Het was een afscheidsgeschenk toen de oude inbreker besloot de penoze voorgoed vaarwel te zeggen. De Cock schoof de fijnstalen baarden uit het koperen houdertje en koos er zorgvuldig eentje uit. De jonge Vledder volgde zijn verrichtingen. ‘Je krijgt hier nog eens een hoop gedonder mee,’ zei hij bestraffend. ‘Dit is braak, huisvredebreuk. Dat kan je als ambtsdrager gewoon niet maken.’ De Cock trok grinnikend zijn schouders op. ‘Ik ben, vrees ik, nooit zo’n beste ambtsdrager geweest.’ Hij stak het stalen staafje in het slot en tastte met zijn gevoelige vingers de inwendige palletjes af. Het duurde precies tachtig seconden, toen klikte het slot terug. Voorzichtig drukte De Cock de deur open. Vledder volgde schoorvoetend. Vanuit een klein portaal kwamen ze in een ruime hal. Het was er schemerig, half duister. Het enige licht kwam via een matglazen paneel in de portaaldeur. De Cock keek rond. Aan de kapstok hingen twee modieuze damesmantels en een vreemd model hoed. Naast de kapstok stond een zwaar eiken dekenkist met fraaie reliëfs. Voorzichtig tilde hij het deksel op. De kist was leeg. Langzaam liet hij het deksel zakken. De scharnieren piepten.
Er hing een sombere, haast onheilspellende sfeer in de woning, een geladenheid, die bijna tastbaar was. De Cock voelde de spanning in zijn vingertoppen tintelen. Hij snoof en rook een parfum, dat hij herkende.
Rechts in de hal stond een deur op een kier. De Cock liep er bedachtzaam heen en drukte ertegen met de punt van zijn schoen. Langzaam gleed de deur open. Een deel van een kamer werd zichtbaar. In het schijnsel van een rose schemerlamp lag op een wit wollen Berberkleed het fraaie lichaam van een jonge vrouw.
Vledder, achter hem, hijgde in zijn nek.
‘Sylvia van Regensbergen,’ lispelde hij.
De Cock knikte somber.
‘Vermoord.’
Op het doorgaans vriendelijke gelaat van de oude speurder kwam een harde trek. Hij had tijdens zijn lange loopbaan bij de recherche vele slachtoffers van moord gezien, maar nog nooit had de dood zich zo gruwelijk gepresenteerd als nu. Het werkte als een verdoving. Moeizaam schudde hij het van zich af. Hij ging de kamer in en boog zich over het lichaam. Ze lag op haar rechterzijde. De onderbenen gekruist. Een straaltje geronnen bloed liep uit de verminkte oogkassen. Het had een donker plasje gevormd op het witte Berberkleed. Ze was dood, zonder twijfel. Hij voelde aan haar wang. De kilte van haar huid trok de warmte uit zijn hand. Hij kwam weer overeind en liet zijn scherpe blik door de kamer dwalen. Dichtbij, op de glazen plaat van de salontafel, lagen enige rose kaartjes. Het waren keurig verzorgde reclame-visitekaartjes. ‘Kom naar Casa Erotica,’ las hij, ‘het nieuwe sextheater aan de Achterburgwal.’ Hij liet de kaartjes door zijn handen glijden. Plotseling ontdekte hij op de achterzijde van een van de kaartjes aantekeningen in potlood. Hij hield het onder het licht van de schemerlamp. In kleine, priegelige, maar toch wel herkenbare lettertekens stond: Freek van Dinterloo, Rozenlaan 387 in Bloemendaal.