14

De jonge Vledder lachte luid. ‘Was het weer zover? Je leert het ook nooit.’

De Cock steunde zijn hoofd in zijn handen. ‘Wat weet die man van misdaad?’ bromde hij. ‘Hij zou nog geen kleuter kunnen vatten, die uit de suikerpot snoept.’

Vledder maakte een grimas. ‘Je moet lief zijn voor je commissaris. Ik heb dat meer gezegd. Het staat trouwens in je ambtsinstructie.’

De Cock schudde droef het hoofd. ‘Ik word zo moe van die man.’ Hij zwaaide heftig. ‘Ik werk nu eenmaal niet volgens het boekje. Dat weet hij verdomd goed. Hij hoeft mij ook niet op te jagen. Als ik de dader heb, dan breng ik hem wel. En dan mag hij tot slot juichend op zijn opgeblazen borst slaan.’ Het klonk cynisch, bitter.

Vledder reikte achter zich naar zijn bureau. ‘Er is een brief voor je gebracht door ene heer Wijnperser.’

De Cock pakte de enveloppe aan en scheurde hem voorzichtig open. ‘De-denkbaar-meest-slechte-gescheiden-vrouw,’ grijnsde hij. Die oude heer Wijnperser is een man naar mijn hart. Hij werkt snel.’ Hij las de brief aandachtig door en reikte hem toen aan Vledder. De jonge rechercheur liet zijn blik over de regels dwalen. Toen hij klaar was, keek hij naar De Cock op. ‘Wat is dit?’

Om de lippen van de grijze speurder dartelde een geheimzinnig lachje. Zijn ogen fonkelden kwaadaardig. ‘Als ik gelijk krijg… een nuttige instructie voor onze Diana van Gellecom.’

Vledder keek hem verward aan. ‘Een instructie?’ vroeg hij ongelovig. De Cock antwoordde niet. Hij draaide zich plotseling om en reikte naar zijn oude hoedje aan de kapstok. ‘Kom,’ riep hij opgewekt, ‘we gaan.’

‘Waar nu weer heen?’

‘Naar Purmerend.’

‘Wat is er in Purmerend?’

De Cock grinnikte vrolijk. ‘Daar woont Baantjer, schrijver van politieromans.’

De jonge rechercheur reageerde verbaasd. ‘Wat hebben wij met die vent te maken?’

De Cock plantte het hoedje op zijn grijze haar. ‘Niets,’ lachte hij, ‘hoegenaamd niets. Maar in Purmerend is ook een ziekenhuis waar vanmorgen de heer Van Gellecom met een hartaanval is opgenomen.’

‘Wat?’

De Cock knikte. ‘Het lijkt mij niet meer dan billijk, dat we naar zijn gezondheid vragen.’


Ze parkeerden hun Volkswagen onder oude beuken en sjokten naar de halfronde oprijlaan. In het midden dreven zwanen in een verstild vijvertje. Links was een verwijzing naar de polikliniek. Ze stapten aarzelend de hoofdingang binnen. De hal van het ziekenhuis was geheel verlaten. De portiersloge was leeg. Omzichtig begonnen ze een tocht door lange gangen. Het rook er naar boenwas en lysol. Uit een deur kwam een kittige verpleegster in krakend wit. De Cock klampte haar aan. ‘Wij, eh, wij zoeken een patiënt, de heer Van Gellecom.’ Hij sprak nederig, bijna verlegen. ‘Er is ons gezegd, dat hij met een hartaanval is opgenomen.’ Hij maakte een verontschuldigend gebaartje. ‘Neemt u ons niet kwalijk, dat wij hier zo ronddolen. Wij komen van ver en zijn hier niet bekend.’

Ze lachte en wees naar het einde van de gang. ‘Om de hoek, tweede deur links.’

De Cock boog dankend, het hoedje in de hand.

De tweede deur links gaf toegang tot een kleine kamer met een vrij hoog raam. Eenzaam, in een groot wit bed, lag de heer Van Gellecom. De ogen gesloten. Zijn zware bril lag op het nachtkastje. Zonder die bril zag hij er veel minder imponerend uit.

De Cock kuchte en de heer Van Gellecom opende de ogen. Hij scheen wat verbaasd. Zijn hand reikte naar zijn bril op het nachtkastje. ‘Wie bent u?’ Zijn stem had een autoritaire klank.

De grijze speurder schonk de man zijn beminnelijkste glimlach. ‘Mijn naam is De Cock,’ zei hij vriendelijk, ‘met ceeooceekaa. En dat is Vledder, mijn collega. Wij zijn rechercheurs van professie.’

Van achter zijn zware bril keek Van Gellecom hem onderzoekend aan. ‘U bent rechercheur De Cock?’

De grijze speurder maakte een lichte buiging. ‘Om u te dienen.’

Op het gezicht van de heer Van Gellecom kwam een harde trek. ‘U heeft mijn vrouw lastig gevallen.’

De Cock glimlachte. ‘Heeft ze zich persoonlijk beklaagd?’

Van Gellecom schudde het hoofd. ‘Ik vernam uw wangedrag van mevrouw De Vries.’

De Cock trok wat nonchalant zijn brede schouders op. ‘Dat betekent niets. Mevrouw De Vries was bevooroordeeld. Ze trok daardoor een aantal verkeerde conclusies.’

De heer Van Gellecom trok zijn lippen strak. ‘Diana viel tijdens uw verhoor flauw.’

De Cock trok een ernstig gezicht. ‘Uw vrouw heeft een moeilijke periode in haar leven doorgemaakt. Een crisis. De plotselinge dood van de heer Van Dinterloo heeft haar sterk aangegrepen.’

Er kwamen blosjes op het bleke gezicht van de heer Van Gellecom. ‘Die sukkel,’ siste hij. ‘Op een of andere dwaze manier was ze erg op hem gesteld. Ze liep hem zelfs na. Onvoorstelbaar.’ De Cock knikte voor zich uit. ‘Liefde is een onvoorstelbare zaak,’ sprak hij filosofisch. ‘Ik heb begrepen, dat u haar liefde hebt verspeeld.’

De heer Van Gellecom kwam half overeind. ‘Daar heeft u geen donder mee te maken,’ brieste hij.

De Cock keek hem aan. Kalm, ongeschokt. ‘Juist,’ zei hij. ‘Als u mensen op die manier blijft toespreken, zult u haar liefde nooit terugwinnen.’

De heer Van Gellecom liet zich terugvallen. ‘Bent u gekomen om mij dat te vertellen?’

De Cock glimlachte. ‘Hoe vreemd het ook klinkt, wij komen naar uw gezondheid informeren.’

De heer Van Gellecom schudde het hoofd. Om de mond lag een wrange grijns. ‘Ik denk niet dat uw bezoek mij goed heeft gedaan. U hebt mij nogal diep geschokt en dat is voor mijn ziek hart…’

De Cock wuifde afwerend. ‘Maakt u zich geen zorgen. In een paar dagen bent u weer opgeknapt. Uw hart is best in orde. Daar mankeert niets aan.’ Hij tikte met een middelvinger op zijn borst. ‘Ik bedoel die pomp van binnen.’

De heer Van Gellecom keek hem schuins aan. ‘Bent u dokter?’ vroeg hij verward.

De Cock schudde het hoofd. ‘Rechercheur… om u te dienen.’

Hij draaide zich om en liep zonder verder iets te zeggen de kamer uit.

Vledder volgde.


Ze liepen terug naar de auto. Het was gaan stormen. De oude beuken aan de laan ruisten in de toppen. De Cock hield zijn hoedje met de hand vast. Vledder keek naar hem op, het blonde haar verwaaid voor zijn gezicht. ‘Ik vond je nogal onvoorzichtig,’ riep hij tegen de wind in. ‘De manier waarop je hem aanpakte. Een moment dacht ik dat Van Gellecom een tweede hartaanval kreeg.’ Hij lachte schaterend. ‘Dan waren de rapen wel goed gaar geweest. Mensen, mensen. Ik zie de koppen al in de kranten: geen toestemming van behandelende artsen, hartpatiënt sterft tijdens verhoor politie.’

De Cock reageerde niet. Hij liep stug door. Toen ze in de wagen zaten, keek Vledder hem aan. Hij gebaarde met beide handen naar het stuur.

‘En, waarheen?’

De Cock wreef peinzend over zijn grof breed gezicht. Hij worstelde met een ernstig probleem. Hij wilde volledige zekerheid. Zekerheid over het ziektebeeld van de heer Van Gellecom. Hij mocht nu niet falen. Zijn zorgvuldig uitgedacht plan had een grote kans van slagen, maar dan diende aan de voorbereiding niets te mankeren. Hij kende nu het geheim van de naakte juffer. Dat geheim wilde hij uitbuiten. Maar hij wist uit ervaring dat hij mensen alleen kon manipuleren, als hij hen stevig in zijn greep had.

Hij schoof de mouw van zijn colbert iets terug en keek op zijn horloge. ‘Ik heb hier in Purmerend een vriend,’ sprak hij aarzelend, ‘een jonge arts, en als ik het goed heb, heeft hij nu spreekuur.’

Vledder grinnikte. ‘Wil je je eindelijk eens laten onderzoeken?’

De Cock negeerde het grapje. ‘Rietfluitstraat vijf,’ zei hij strak. ‘Het is aan de andere kant van de spoorlijn. In de wijk Wheermolen.’ Hij liet zich wat onderuit zakken. ‘Ik hoop, dat Jan bereid is.’

Ze reden driemaal verkeerd. In de Purmerendse wijk Wheermolen leken alle huizen en straten op elkaar. Toen ze uiteindelijk de Rietfluitstraat hadden gevonden, zette de jonge Vledder de Volkswagen tegen de rand van het trottoir en stapten ze uit. Voor het tuintje van nummer vijf bleven ze staan. Het was een fraai eengezinshuis van gele baksteen. ‘J. C. A. M. van Aken, arts,’ stond er op een bord aan de gevel. En daaronder de reeks uren, waarop de dokter te consulteren was. Een knappe assistente wees naar een peuterig wachtkamertje op de eerste etage. Er zaten een paar vrouwen, sommige met kinderen op hun schoot. Vledder en De Cock namen zwijgend plaats en wachtten tot ze aan de beurt waren. De grijze speurder nam een boekje van een tafeltje met lectuur. Het waren moppen van Max Tailleur. Hij begon te lezen. Soms glimlachte hij blij. De grappen van Tailleur tilden hem minutenlang boven de gruwelijke realiteit van zijn beroep. Toen het vijfde belletje had geklonken, gingen ze naar binnen. Dokter van Aken keek wat verschrikt op. Toen hij de grijze speurder herkende, kwam hij kwiek achter zijn bureau vandaan en schudde hem hartelijk de hand. ‘Wat een verrassing,’ riep hij blij. ‘Wat doe je in ons omstreden Purmerend.’ Er was een herkenbaar zuidelijk accent.

De Cock lachte. De hartelijke begroeting verwarmde zijn gemoed. Hij wees vrolijk opzij. ‘Dat is Vledder. Ik heb je al veel over hem verteld.’ Dokter van Aken schudde ook de jonge Vledder de hand. Zijn vriendelijk gezicht straalde. ‘Hoe kom je hier terecht? Ben je hier voor zaken?’

De grijze speurder ging op de patiëntenstoel zitten. De diepe lijnen van zijn grof gezicht lagen in een ernstige plooi. ‘Ik ben naar je toegekomen om jouw persoonlijke medewerking te vragen.’

De jonge dokter keek hem verrast aan. ‘Mijn medewerking?’ vroeg hij verward. ‘Ik ben een simpele huisarts, geen patholoog-anatoom.’

De Cock schudde het grijze hoofd. ‘Die heb ik ook niet nodig.’ Hij zweeg even, zocht naar de juiste woorden. ‘Hier in het ziekenhuis van Purmerend is vanmorgen ene heer Van Gellecom voor een hartaanval ter observatie opgenomen. Ik weet niet wie die diagnose heeft gesteld. Volgens mij is ze onjuist.’ Hij zuchtte diep. ‘Maar daar gaat het mij niet om. Ik zou het zelfs een gunstige ontwikkeling vinden als een ieder — ook de heer van Gellecom — blijft denken, dat het een hartaanval is. Ik, voor mijzelf, wil de zekerheid dat er aan zijn hart niets mankeert. Ik wil een monster van zijn urine.’

De jonge dokter trok glimlachend zijn schouders op. ‘Dat is voor jou toch heel eenvoudig. Je gaat naar het ziekenhuis en eist het op.’

De Cock schudde droef het hoofd. ‘Dan moet ik het langs de officiële weg doen. En daarvoor heb ik te weinig bewijzen en te weinig gronden. Dat lukt mij niet en bovendien wil ik dat niet. Ik wil het entre nous. Het is voor mij een… eh, een persoonlijke informatie. Beslist niet meer. Het ligt niet in mijn bedoeling het — hoe dan ook — gerechtelijk te gebruiken.’

‘Wat moet ik doen?’

De grijze speurder slikte. ‘Ik wil, dat jij mij dat monstertje urine bezorgt.’

De jonge dokter kleurde een beetje; speelde met de stethoscoop om de hals. ‘Ik weet niet,’ sprak hij aarzelend, ‘wie van mijn geachte collegae in Purmerend de heer van Gellecom behandelt.’

De Cock spreidde beide armen. ‘Het kan mij niet schelen hoe je het doet. Als het maar urine is van die van Gellecom. Het moet voor jou niet moeilijk zijn. Je hebt ongetwijfeld relaties in het ziekenhuis.’ Hij keek bijna smekend naar de jonge dokter op. ‘Je doet er toch niemand kwaad mee. De urine van die man wordt anders gewoon weggegooid.

En mij zou je er geweldig mee helpen.’ Dokter van Aken staarde een tijdje peinzend voor zich uit.

‘Wat denk je in die urine te vinden?’

‘Colchecine.’

De adamsappel van de jonge dokter wipte op en neer. Met verbaasde ogen staarde hij de grijze speurder aan. ‘Dat is een zwaar vergif.’

De Cock knikte gelaten.

‘Heel juist… een zwaar vergif.’


Ze reden terug naar Amsterdam. Het werd al donker. Het water van het Noordhollands Kanaal glinsterde langs het Jaagpad. De felle wind joeg het schuimend op. Vledder zat aan het stuur. Op het gezicht van de jonge rechercheur lag een norse trek. Hij had, als zo vaak, het gevoel dat hij erbuiten stond, dat hij met het hele onderzoek niets te maken had. Het bezorgde hem onbehagen, stemde hem triest en maakte hem wrevelig. Hij kende de grijze speurder al zoveel jaren en wist, dat hij zijn ‘weten’ had opgebouwd uit opmerkingen, waarnemingen en toespelingen, die hij ook zelf had gevolgd. Soms dacht hij, dat hij alles begreep, of net als De Cock in het duister tastte. Maar steeds weer bleek, dat de grijze speurder hem een stap voor was. Meer wist. Hoezeer hij ook op zijn oude leermeester was gesteld, het verdriette hem meer dan hij ooit wilde toegeven. Hij keek opzij naar het brede grove gezicht, dat hem zo vertrouwd was. Een snaar van vertedering trilde in zijn jonge hart. Het gevoel van onbehagen week, maakte plaats voor bewondering. ‘Die dokter Van Aken was maar moeilijk op gang te brengen,’ merkte hij op.

De Cock schoof zijn hoedje naar achteren. ‘Jan is een fijne vent en een goede arts. Ik heb wel begrip voor zijn bedenkingen. Hij is nog niet zo gewend aan samenzweringen, zoals wij.’ De grijze speurder gniffelde. ‘Ten slotte zijn Aken en Keulen ook niet op een dag gebouwd. Het komt wel. Als ik morgen de uitslag maar heb.’ Hij zweeg even, drukte zich wat omhoog. ‘Die flat van Sylvia van Regensbergen, hebben wij die al vrijgegeven?’

‘Je bedoelt die flat in de Bijlmermeer?’

‘Ja, waar wij met behulp van Handige Henkie ons eerste slachtoffer vonden.’

De jonge rechercheur schudde het hoofd. ‘Bij mijn weten is die nog steeds verzegeld.’

‘Mooi, we zullen zien dat de flat morgenavond een nieuwe bewoonster krijgt.’

Vledder keek hem met gefronste wenkbrauwen aan. ‘Een nieuwe bewoonster?’ herhaalde hij verbaasd.

De Cock knikte. ‘Precies.’

‘Wie?’

De grijze speurder draaide zich glimlachend naar hem toe. ‘Dat, beste Dick, wordt een verrassing.’

Ze reden uit de IJtunnel, langs de Prins Hendrikkade en het Oosterdok naar het Centraal Station. Op het Damrak wierpen de lichtreclames felle kleuren op het natte wegdek. Via de Dam, achter het monument om, reden ze de Warmoesstraat in. Het was druk op het politiebureau. Een verslaafde hing verdoofd op de bank in de hal. Voor de balie verdrongen strijdende hoertjes elkaar om aan de wachtcommandant hun grootste gelijk te betuigen. Een buitenlandse hippie zat verveeld op haar rugzak.

Vledder en De Cock gingen het rumoer voorbij. Toen de wachtcommandant hen zag, schreeuwde hij: ‘Boven zit een man op jullie te wachten.’

De Cock gebaarde dat hij het had begrepen. Ze liepen de twee trappen op. Voor de deur van de recherchekamer stond een grote brede man met lange armen en wijd uitstaande voeten. De Cock herkende hem direct. Glimlachend liep hij op hem toe. ‘Goedenavond, heer Roozenblad.’

De man drukte de grijze speurder spontaan de hand. ‘Ik kom u nog even bedanken.’ Ze liepen de recherchekamer binnen. ‘Voor de kinderen. Ik had ze weer gauw bij mij.’

De Cock gebaarde naar een stoel. ‘Hebben ze de dood van hun moeder al verwerkt?’

Roozenblad trok zijn kolossale schouders op. ‘Och, ze hebben er, geloof ik, nog niet zoveel erg in. Ze zagen haar toch al weinig.’ Hij schoof wat verlegen op zijn stoel heen en weer. ‘Ik heb gehoord, dat haar vriendin ook is vermoord.’ De Cock knikte. ‘Josje van Aerdenhout.’

Charles Roozenblad plukte nerveus aan zijn brede kin. ‘Ik ben eigenlijk gekomen om mijn hulp aan te bieden. Ziet u, ik heb niet altijd mooi over mijn vrouw gedacht. Dat was ze misschien ook niet waard. Maar nu heb ik er zelf toch wel moeite mee.’

‘Met haar dood?’

Charles Roozenblad knikte traag voor zich uit. ‘Ze was tenslotte de moeder van mijn kinderen en… eh, ik… eh, ik heb toch veel van haar gehouden.’ Er blonk een traan in zijn ogen. ‘Zo’n moordenaar, zo’n vent moet toch gepakt worden. Dat moet toch. Hij mag toch niet…’ Roozenblad slikte, maakte zijn zin niet af. ‘Ik weet hoe druk jullie het hebben en ik heb nog wel eens wat tijd over. Ik zou misschien voor jullie iets kunnen uitzoeken, posten, of wat dan ook. Begrijpt u, als een soort nagedachtenis aan… aan haar.’

De Cock boog zich naar hem toe. ‘Dat is een prachtig aanbod,’ sprak hij ontroerd. ‘Ik zou er ook graag gebruik van maken. Maar het is mij niet toegestaan. Er zijn te veel risico’s aan verbonden. Aan die gevaren kan en mag ik u niet blootstellen. Nu hun moeder er niet meer is… uw kinderen hebben u te hard nodig.’

Charles Roozenblad stond op. ‘Toch sta ik tot uw beschikking. U weet waar ik te bereiken ben.’

De Cock knikte en schudde hem tot afscheid de hand. Charles Roozenblad sjokte de kamer uit. De grijze speurder keek hem na. Peinzend. Bij de deur riep hij hem terug. ‘Heer Roozenblad… hoe goed was Diana van Gellecom in karate?’


Ze gingen het bureau uit en liepen door de Lange Niezel. De etalages van de sex-shops trokken veel bekijks. Vledder bromde: ‘Een rare kerel, die Charles Roozenblad. Toen zijn vrouw pas was vermoord, mochten we hem niet eens condoleren. Nu zou hij wel een monument voor haar willen oprichten.’

De Cock waggelde naast hem voort. In zijn zo typische slenterpas kwam hij snel vooruit. Hij blikte opzij naar Vledder. ‘Heb je mr. Hazenberg gebeld?’

‘Ja.’

‘En… komt hij naar het café van Smalle Lowietje?’

Vledder knikte. ‘Hij zou er binnen een half uur zijn.’

‘Had hij geen bezwaren?’

De jonge rechercheur grinnikte. ‘Hele bergen, hij kon geen tijd vrijmaken… het was beter, dat wij bij hem thuiskwamen, het was bepaald ongebruikelijk… het café van Smalle Lowietje lag in zo’n ongure buurt…’

‘En toen?’

Vledder lachte. ‘Toen heb ik hem gezegd wat jij zei, dat ik hem zeggen moest… ‘als-je-niet-komt, schuift-De-Cock jou-de-tien-vrouwenmoorden-in-je-fraaie-wildlederen-schoenen.’ De jonge rechercheur gebaarde vrolijk. ‘Toen capituleerde hij.’

Ze liepen een tijdje zwijgend naast elkaar voort. Plotseling keek Vledder naar zijn oude leermeester op. ‘Kan je dat?’ riep hij ongelovig.

‘Wat?’

‘Hem die tien moorden in de schoenen schuiven?’

De Cock antwoordde niet. Hij staarde voor zich uit naar de obscene taferelen aan de gevel van Casa Erotica. Zijn gezicht was een stalen masker.

Загрузка...