De Cock keek vanuit de hoogte naar de flauwgevallen vrouw in de fauteuil. Hij bezag haar schouders, de armen, de rechterhand die plat in haar schoot lag. De grijze speurder vroeg zich af of hij haar te hard had aangepakt, of hij niet te veel met haar gevoelens had gespeeld. Er waren mensen die maar weinig emoties konden verdragen. Hij gebaarde wat loom naar Vledder, die gebukt naast haar zat. ‘Haal die mevrouw De Vries even op. Ze zal hier wel ergens in de buurt zijn.’ De jonge rechercheur knikte en verliet de kamer. Na een paar minuten was hij terug; mevrouw De Vries dreunend in zijn kielzog. Ze boog zich over de bewusteloze Diana van Gellecom. Daarna keek ze op. In haar helgroene ogen blonk haat, afschuw. ‘Wat hebt u met haar gedaan?’ schreeuwde ze wild. ‘Wat hebt u met haar gedaan?’ Haar hoge piepstem trilde.
De Cock schudde onverstoord het hoofd. ‘Als u kalm wat eau de cologne haalt, of vlugzout. Mevrouw heeft een lichte collapse.’
Mevrouw De Vries ging dreigend voor hem staan. ‘Ik zal mij bij meneer over u beklagen. Hij heeft vrienden in de hoogste kringen.’ Ze zwaaide met een opgestoken vinger. ‘U… u met uw Amsterdamse methoden …’
De Cock pakte haar resoluut bij de arm en duwde haar de kamer uit. ‘Doe wat ik u gezegd heb,’ zei hij kortaf. Hij deed de deur achter haar dicht en liep terug naar de bewusteloze vrouw. Hij lichtte haar oogleden even op en tikte zachtjes op haar wangen. Na een paar seconden deed ze haar ogen open en keek hem aan. ‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ze zwak.
De Cock knikte haar bemoedigend toe. ‘Uh… eh, u was even weg,’ sprak hij vriendelijk.
Mevrouw De Vries stoof als een wervelwind binnen. Voor Diana bleef ze staan en keek haar verwonderd aan. ‘Ik… eh, ik heb de dokter gebeld.’
Mevrouw Van Gellecom zwaaide in haar richting. ‘Bel hem af,’ zei ze kort. ‘Zeg dat het een vergissing was.’ De Cock glimlachte fijntjes.
Hij vond dat haar stem in korte tijd veel aan kracht had gewonnen.
Ze reden rustig over een dijkje van de oude Beemsterpolder. De Cock keek rond en genoot. Lekker onderuit gezakt gleed zijn blik over het vlakke land naar verre horizonten, naar witte wolken in het blauw. ‘Gesteld dat je uit berekening bent getrouwd,’ sprak hij plotseling hardop, ‘geef je dan een luxe leventje, compleet met fraai chalet en tuin, gemakkelijk op?’ Hij trok een bedenkelijk gezicht als gaf hij zelf het antwoord.
De jonge rechercheur bromde. ‘Neem me niet kwalijk, De Cock, maar je bent een rare kerel.’
De grijze speurder keek zijn collega met opgetrokken wenkbrauwen aan. ‘In welk opzicht?’ vroeg hij verwonderd. Vledder zwaaide breed. ‘Wat doen we? We rijden van Amsterdam helemaal naar De Rijp om mevrouw van Gellecom naar shuto gammen-uschi te vragen en je rept tegen haar met geen woord over karate.’
De Cock schoof zijn dikke onderlip naar voren. ‘Je hebt gelijk. Ik was het ook van plan, maar het gesprek liep in een andere richting. Ik heb wel op haar handen gelet. Ik meende, dat het meshandbeentje van haar rechterhand duidelijk sterker was ontwikkeld. We kunnen Jan van Looijen wel eens vragen waartoe ze in staat is.’
Vledder lachte gnuivend. ‘Als je mij vraagt, tot heel veel, fysiek gesproken.’
De Cock knikte voor zich uit. ‘Een betoverende vrouw,’ zei hij peinzend. ‘Mijn vraag naar de naakte juffer trof duidelijk doel.’
‘Ze viel flauw.’
De grijze speurder snoof. ‘Het was een handige ontsnapping. Typisch vrouwelijk.’
‘Zou zij weten wie de naakte juffer is?’
De Cock knikte traag. ‘Zij weet het.’
De jonge rechercheur keek verwonderd naar hem op. ‘Zij weet het?’ herhaalde hij verward.
De Cock drukte zijn oude hoedje wat omhoog. ‘Ik heb die Rolls Royce-chauffeur mijn telefoonnummer gegeven. Hij moet ons onmiddellijk waarschuwen als er iets met Van Gellecom gebeurt.’
‘De directeur van Tropic Oil?’
De grijze speurder knikte. ‘Hij is in groot gevaar.’
‘Uh… eh, u behandelt toch die moorden op die vrouwen?’ Het klonk wat aarzelend.
De Cock keek van zijn papieren op. Voor zijn bureau stond Fred Prins, een van de jongere rechercheurs aan de Warmoesstraat, groot, fors, breed, met een wat jongensachtig gezicht. De grijze speurder maakte een nonchalant gebaartje. ‘Tot mijn spijt,’ grijnsde hij.
Fred Prins glimlachte. ‘Ik heb gehoord hoe het is gegaan. Ze hebben u een beetje gelummeld.’
De Cock grinnikte. ‘Wat heet een beetje.’ Hij keek naar de jonge rechercheur op. ‘Je komt mij toch niet jouw leedwezen betuigen?’ Fred Prins schudde het hoofd en schoof een stoel bij. ‘Ik wil wel eens met u praten. Ziet u, ik heb een artikel gelezen en dat heeft mij aan het denken gezet.’
‘Wat voor een artikel?’
De jonge rechercheur overhandigde De Cock een krant. ‘Daar staat het in. Het is een interview met een man, die al meer dan vijfentwintig jaar een fors bedrag aan alimentatie betaalt aan een vrouw, met wie hij slechts luttele jaren getrouwd is geweest. Hij heeft een hele reeks processen gevoerd om van die alimentatie verlost te worden, maar steeds verloren.’
De grijze speurder luisterde aandachtig. ‘En?’ vroeg hij gespannen. Fred Prins gebaarde. ‘Vledder heeft mij verteld dat alle slachtoffers gescheiden vrouwen waren, vrouwen die alimentatie eisten en kregen.’
‘Dat klopt.’
Fred Prins streek met zijn hand door het donkerblonde haar. ‘Die man zei in dat interview iets, dat mij trof. Hij zei letterlijk: voor een moord krijg je in Nederland maar een paar jaar. Voor een mislukt huwelijk levenslang.’
De Cock trok denkrimpels in zijn voorhoofd. ‘Je bedoelt, het is veel voordeliger om de vrouw van wie je bent gescheiden, om te brengen, dan een leven lang alimentatie te betalen.’
Fred Prins knikte nadrukkelijk. ‘Begrijpt u, een fraai motief voor de moorden.’
De Cock lachte hem vriendelijk toe. ‘Wie is die man van het interview?’
Fred Prins pakte zijn notitieboek. ‘Ene heer Wijnperser. Ik heb zijn adres voor u opgezocht. Hij woont in de Hartenstraat drieënnegentig, op de eerste etage.’
De Cock stond op. ‘Waar is Vledder?’
‘Beneden in de kantine.’
De grijze speurder zwaaide. ‘Roep hem.’ Hij aarzelde, keek peinzend naar Fred Prins. ‘Laat maar. Doe jij je jas maar aan. Het was ten slotte jouw idee.’
Er kwam een blijde lach op het gezicht van Fred Prins. Glunderend liep hij achter de grijze speurder naar de kapstok.
‘Waar gaan we heen?’
De Cock glimlachte. ‘Naar die meneer Wijnperser. Ik wil weten wat voor vrienden hij heeft.’
‘Wat voor vrienden?’ De heer Wijnperser schudde het hoofd. ‘Ik heb niet zoveel ware vrienden. Ik heb wel veel sympathisanten, mannen, net als ik, die eens een afgrijselijk misdrijf begingen, ze trouwden met de verkeerde vrouw.’
De Cock grinnikte. ‘Dat is toch geen misdrijf.’
De heer Wijnperser gebaarde. ‘Het gebeurde uiteraard buiten hun schuld. Geen man stapt naar het stadhuis in de wetenschap, dat hij de verkeerde vrouw gaat trouwen. Maar als achteraf blijkt dat zijn keuze niet de juiste was, wordt hij wel beboet, zwaarder dan de grootste misdadiger. Hij krijgt levenslang.’
De Cock knikte. ‘Ik ken uw uitlatingen van een interview. U stelt ook dat het voordeliger is de ex-vrouw om te brengen.’
De heer Wijnperser trok een droef gezicht. ‘Het is eenvoudig de consequentie van onze rechtsorde. Echtscheiding is meestal een met emoties beladen zaak. Er worden vaak over en weer de bitterste verwijten gemaakt. Men geeft elkaar de schuld van de mislukking. Ik vind dit alleszins begrijpelijk. Men is verbitterd, onverzoenlijk en er ontbrandt een tweestrijd om bezittingen, de kinderen en de alimentatie. In die strijd heeft de vrouw de beste wapens. Ze liggen verankerd in de wet. De man trekt altijd aan het kortste eind. Wil hij niet voor het leven gestraft worden, dan rest hem maar één mogelijkheid… moord.’ De Cock keek hem scherp onderzoekend aan. Hij schatte hem achter in de vijftig, een kleine, wat corpulente man met vriendelijke bruine ogen in een rond vlezig gezicht. Langzaam schudde de grijze speurder het hoofd. ‘U zegt heel gevaarlijke dingen.’
De heer Wijnperser spreidde een paar korte armen. ‘Het is uiteraard niet mijn bedoeling dat alle gescheiden mannen hun ex-vrouw ombrengen. Dat is dwaas. Ik zet die zaken even naast elkaar om duidelijk te maken hoe absurd die alimentatie-plicht is. Ze is gebaseerd op een wetgeving die haar oorsprong vindt in een ver verleden. We leven nu in een moderne tijd. De vrouw is geëmancipeerd.’ Hij maakte een triest gebaar. ‘Maar de man is, was, en zal wel altijd blijven, haar slaaf.’
De Cock glimlachte. ‘Tot de dood ons scheidt.’
De heer Wijnperser snoof. ‘En dan int ze nog zijn pensioentje.’ Het klonk bitter.
De Cock boog zich iets naar hem toe. ‘Houdt u ook lezingen over dit onderwerp?’
‘Ja.’
‘Beseft u niet, dat u wel eens mannen onder uw gehoor kunt hebben, die uit vertwijfeling uw… eh, uw drastische oplossing zouden kunnen toepassen?’
De heer Wijnperser reageerde ineens fel. ‘Ik spreek niet voor idioten.’ De Cock streek met de hand over het gezicht. ‘Weet u dat de slachtoffers van de moord-maniak, zoals de kranten hem noemen, allen gescheiden vrouwen waren?’
De heer Wijnperser keek hem secondenlang aan. Rond de mond lag een spottend lachje. ‘En moet ik mij nu moreel schuldig voelen?’
De Cock trok zijn schouders op. ‘Dat, meneer Wijnperser, is een zaak van uw geweten.’
Ze liepen van de Hartenstraat via de Herengracht naar de Raadhuisstraat. Het was er druk. Achter hen schemerden vaag de contouren van de Westertoren. Met moeite bereikten ze over een zebrapad de overkant en liepen verder. Voor hen doemden de grauwe muren van het Koninklijk Paleis op. De jonge rechercheur Prins keek de grijze speurder van opzij aan. ‘Wat wilt u met de-denkbaar-meest-slechte- gescheiden-vrouw?’
De Cock glimlachte. ‘Ik wist niet goed hoe ik mij moest uitdrukken. Zie je, die heer Wijnperser is zelf gescheiden. Door zijn activiteiten heeft hij relaties met vele gescheiden mannen. Ze schrijven hem brieven en vertellen van hun leed. Wijnperser kent de problematiek als geen ander. Wat ik hem gevraagd heb, is mij een beeld te geven van een gescheiden vrouw, die alle slechte, gemene, onverzoenlijke eigenschappen in zich verenigt, die in zo’n situatie maar denkbaar is.’
Fred Prins knikte. ‘Dat begrijp ik. Maar wat wilt u met zo’n beeld doen?’
De Cock liep peinzend verder. ‘Ik heb een vaag plan. Ik weet nog niet hoe ik het zal uitwerken, of het uitvoerbaar is.’ Hij bleef plotseling staan, midden op het trottoir en zwaaide met beide armen om zich heen. ‘Ik zal deze stad van de moordenaar verlossen.’
Een paar voorbijgangers bleven staan en keken hem verwonderd aan.
De Cock lachte. Hij was zijn vermoeide voeten vergeten. In een soort huppelpasje liep hij verder.
Fred Prins volgde, hoofdschuddend.
Vledder keek verbaasd toen hij De Cock en Prins de recherchekamer zag binnenkomen. Hij liep op de grijze speurder toe. ‘Was je met Prins weg?’ vroeg hij wat ongelovig.
De Cock knikte. ‘Prins bracht mij op het spoor van een man die al jaren voor de rechten van gescheiden mannen strijdt.’
‘En?’
De Cock grinnikte. ‘Zijn strijd duurt voort.’ Het klonk uiterst laconiek.
Vledder gebaarde om zich heen. ‘Ik heb je overal gezocht. De commissaris heeft een paar maal naar je gevraagd. Hij wil je spreken.’
‘Wanneer was dat?’
‘Een goed half uurtje geleden.’
De Cock hing zijn oude hoedje aan de kapstok en ging de gang op. De deur van de kamer van de commissaris stond op een kier. De Cock klopte bescheiden en stapte binnen.
Commissaris Buitendam wuifde met een slanke hand naar de stoel voor zijn bureau. ‘Ga zitten, De Cock. Hoe staat het ermee?’
De grijze speurder veinsde pure verwondering. ‘U bedoelt: hoe ik mij lichamelijk voel?’
Commissaris Buitendam glimlachte fijntjes. ‘Dat is uiteraard ook erg belangrijk, maar mijn interesse gaat natuurlijk uit naar jouw vorderingen in het onderzoek naar die vrouwenmoorden.’
De Cock schudde het hoofd. ‘Die zijn er niet. Er zijn geen vorderingen.’
Commissaris Buitendam produceerde een zoetzuur lachje. ‘U bent al bijna een week met het onderzoek bezig. U zult toch wel enige resultaten hebben geboekt?’
De Cock krabde zich achter in de nek. ‘Ik kreeg van u een maand, herinnert u zich nog, carte blanche.’
De commissaris liet het hoofd iets zakken. ‘Dat heb ik gezegd, ja. Maar de wereld kijkt naar ons. Er is bovendien een nieuw slachtoffer gevallen.’
‘U bedoelt Josje van Aerdenhout.’
‘Precies.’
De Cock knikte droef voor zich uit. ‘Triest, inderdaad, heel erg triest.’ Commissaris Buitendam gebaarde wat wrevelig. ‘Er zal toch snel iets moeten gebeuren.’
De Cock trok wat nonchalant zijn schouders op. ‘U zegt het maar,’ sprak hij gelaten. ‘Ik werk uiteindelijk onder uw leiding.’
Het gezicht van de commissaris werd rood. ‘Dat is een ongepaste opmerking, De Cock,’ sprak hij geaffecteerd. ‘Het is voor mij nu eenmaal onmogelijk om alle zaken aan dit bureau persoonlijk te behandelen.’
De Cock keek hem aan. Ineens besefte hij hoe verwaand de man was, hoe opgeblazen, hoe leeg en doorzichtig zijn pose, zijn geaffecteerde stem.
‘En dan nog iets, De Cock. Ik heb een ernstige klacht over jou ontvangen.’
‘Van wie?’
‘Van de heer van Gellecom.’
De Cock grijnsde. ‘Van hemzelf, of van een van zijn vrienden in de hoogste kringen?’
De Commissaris slikte. ‘Via een superieur.’
De Cock schudde bot het hoofd. ‘Die ken ik niet, ik ken geen superieure mensen.’
Commissaris Buitendam gebaarde heftig. ‘Heer van Gellecom zegt, dat jij zijn vrouw op een onwelvoeglijke wijze een verhoor hebt afgenomen.’
De Cock snoof verachtelijk. ‘Heer Van Gellecom mag blij zijn dat hij nog leeft.’
‘Wat betekent dat, De Cock?’
De grijze speurder grijnsde. ‘Precies wat ik zeg, heer Van Gellecom mag blij zijn als hij in de komende dagen het er levend afbrengt.’
‘Waarvan?’
De Cock klemde zijn lippen op elkaar.
Voordat commissaris Buitendam iets kon zeggen, ging op zijn bureau de telefoon. Hij nam de hoorn op en luisterde. Met een wasbleek gezicht legde hij de hoorn op het toestel terug. ‘Het was voor jou,’ zei hij schor. ‘Heer Van Gellecom is met een hartaanval in een ziekenhuis in Purmerend opgenomen.’ Hij keek de grijze speurder aan. Plotseling werden zijn ogen groot. ‘Dat wist jij!’ riep hij. ‘Jij wist, dat dit ging gebeuren.’
De Cock schudde het hoofd. ‘Wat ik hiervan weet,’ zei hij traag, ‘zult u van mij nooit vernemen.’
De commissaris brieste.
‘Eruit,’ schreeuwde hij.
De Cock stond op en ging.