Dokter Den Koninghe beschouwde de dode aandachtig. Hij betastte de onderkaak, de beide benen en legde de rug van zijn hand tegen haar wang. Langzaam kwam hij uit zijn gehurkte houding omhoog.
‘De rigor mortis, de lijkstijfheid is algemeen.’
De Cock keek hem aan.
‘En dat betekent?’
‘Dat ze meer dan acht tot twaalf uur dood is.’
De Cock maakte een grimas en snoof.
‘Kan het niet wat exacter?’
De oude lijkschouwer maakte een hulpeloos gebaartje.
‘Je zult het er mee moeten doen.’
‘En de thermometer?’[3]
Dokter Den Koninghe schudde het grijze hoofd.
‘Die kun je wel vergeten. Daar heb je niets meer aan. Ze is al te ver afgekoeld.’
De Cock streek peinzend langs zijn brede kin.
‘Acht tot twaalf uur,’ dacht hij hardop. ‘Dan moet ze dus gisteravond laat zijn vermoord, of in het begin van de nacht.’ Hij draaide zich om naar Vledder. ‘Is haar bed beslapen?’
‘Nee.’
‘Zijn er sporen van braak?’
De jonge rechercheur schudde het hoofd.
‘Nee, alles is gaaf. Ze moet haar moordenaar zelf hebben binnengelaten.’
‘Hoezo?’
Vledder gebaarde.
‘Er is een deurraampje en het licht op het portaal is van binnenuit te bedienen. Het portaallicht is in orde. Het brandt. Ik heb het geprobeerd. Ze kon haar late bezoeker duidelijk zien, en liet hem binnen. De deurketting is namelijk losgeschoven.’
‘Gebruikte ze die ketting?’
‘Volgens de buren wel, zelfs overdag. Josje van Aerdenhout was een angstig vogeltje. Ze hield vreemden buiten de deur.’
De Cock keek naar zijn jonge collega op.
‘De moordenaar was dus geen vreemde.’
Vledder schudde het hoofd.
‘Voor haar niet. In ieder geval had ze zoveel vertrouwen in haar late bezoeker of bezoekster, dat ze de ketting van haar deur schoof.’ Zijn jong gezicht versomberde. ‘Het werd haar dood.’
De Cock knikte. Hij liet zijn blik nog eens door de kamer dwalen… het pompeuze bankstel, de tafel met onyxblad en het dikke tapijt met hetzelfde uitbundige motief van rode rozen als bij Antoinette. Zijn oog viel op de telefoon in een open kastje bij het raam. Hij krabde zich achter in de nek.
‘Misschien maakte de moordenaar wel een afspraak en heeft ze op hem gewacht.’
Dokter Den Koninghe tikte hem op de schouder.
‘Ik ga weg, tot de volgende.’
Het klonk wat schamper.
De Cock wuifde de oude lijkschouwer na.
Van Wielingen kwam naast hem staan.
‘Zie je wat er gebeurt? Zo gaat het. Ze kijken er op het laatst jou voor aan. Geloof me, bij de moordbrigade lachen ze nu in hun vuistje.’
De Cock grijnsde.
‘De humor ontgaat me.’
De fotograaf schudde vertwijfeld het hoofd.
‘Het was een smerige streek om jou dit onderzoek op te dragen,’ riep hij emotioneel. ‘Elke volgende moord knaagt aan je reputatie.’
De Cock kneep zijn lippen op elkaar.
‘Ik heb maling aan mijn reputatie, wat dat ook mag zijn. En als iemand denkt, dat dit een wedkamp is tussen mij en de moordbrigade, wel… ik begon toen er al acht vrouwen waren vermoord en het onderzoek al meer dan een half jaar duurde.’ Hij gebaarde naar de dode op de vloer. ‘Dit is pas mijn tweede moord en mijn vierde dag. Voorlopig lig ik nog een straatlengte voor.’
Van Wielingen trok zijn schouders op en verdween.
De Cock wenkte de wachtende broeders van de geneeskundige dienst.
Ze legden Josje van Aerdenhout op de brancard en droegen haar weg. Kreuger pakte zijn koffertje en borg zijn spulletjes op.
De Cock liep op hem toe.
‘Ik heb nog steeds niets van je gehoord,’ zei hij licht verwijtend.
De grijze dactyloscoop keek op.
‘Van de vorige?’
‘Precies.’
Kreuger maakte een nonchalant gebaartje.
‘Dat komt nog. Je krijgt een volledige opgave van alle gevonden sporen. Ik ben er bijna mee klaar. Er was niets bij, niets bijzonders, bedoel ik. Anders had ik je wel gebeld. De enige herhaling was die advocaat.’ Hij zocht in zijn koffertje tussen een aantal zilveren greepjes op zwart folie. ‘Hij zal er ook nu wel weer bij zijn.’
De Cock keek hem fronsend aan.
‘Advocaat?’
Kreuger knikte.
‘Ik ben hem zeker al vier keer tegengekomen.’
De Cock reageerde verrast.
‘In deze reeks moorden?’ vroeg hij ongelovig.
Kreuger glimlachte verlegen.
‘Inderdaad, in deze reeks moorden. Maar stel je er niets van voor. Het is niets. De man is door de moordbrigade al uitgebreid verhoord.’
De Cock wond zich een beetje op.
‘Viermaal?’ schreeuwde hij. ‘Dezelfde vent?’
De dactyloscoop gebaarde rustig voor zich uit.
‘Misschien nog wel vaker. Ik zal het straks op het bureau voor je nakijken.’
De Cock snoof. Zijn neusvleugels trilden.
‘Wat had hij steeds bij die vrouwen te zoeken?’ riep hij onbeheerst.
Vledder kwam haastig tussenbeide.
‘Hij was hun advocaat, de man die hun echtscheidingsprocedure leidde. Als je het dossier had doorgenomen, had je het geweten.’
Kreuger keek de grijze speurder enkele seconden aan, klapte toen zijn koffertje dicht en liep zonder te groeten de kamer uit.
De Cock keek hem met gemengde gevoelens na. Pas toen de deur dichtviel, draaide hij zich om naar Vledder.
‘Hoe heet die vent?’
‘Welke vent?’
‘Die advocaat.’
De jonge rechercheur grijnsde.
‘Mr. Hazenberg, en hij resideert, zo heet dat, aan de Keizersgracht.’
Vledder zette de oude Volkswagen bij een parkeermeter aan de waterkant. Ze stapten uit, staken de drukke rijbaan over en klommen een fraaie blauwstenen stoep op. Boven, op het bordes, bleven ze staan. Naast een donkergroene monumentale deur hing een zwaar koperen schild met ‘Mr. E. G. Hazenberg, advocaat-procureur’ in diep verzonken zwarte letters.
De Cock duwde de deur open en liep de marmeren gang in. Vledder volgde.
Vanuit een hoge zijdeur kwam een man. De Cock schatte hem op achter in de dertig. Hij had een wat gelig gezicht, vlasblond haar, strak gekamd met een strenge scheiding. Hij was middelgroot, ongeveer een meter zeventig, met een iets gebogen rug en te lange armen, waardoor hij een slome sullige indruk maakte. Traag, haast schuchter schuifelde hij op de mannen toe.
De Cock maakte een lichte buiging.
‘We wilden graag mr. Hazenberg spreken.’
Van over zijn rond stalen brilletje keek de man de grijze speurder onderzoekend aan.
‘U heeft een afspraak?’
Zijn stem kraakte een beetje.
De Cock knikte bedaard.
‘Met het Nederlandse volk, om het te dienen.’
Om de smalle lippen van de man gleed een bescheiden lachje. ‘Ik bedoel, heeft u een afspraak met mr. Hazenberg?’
De grijze speurder schudde het hoofd.
‘Nee, maar hij wil ons wel ontvangen,’ sprak hij beminnelijk. ‘Mijn naam is De Cock.’ Hij gebaarde opzij. ‘En dat is mijn collega Vledder. Wij zijn rechercheurs van politie.’
De man glimlachte fijntjes.
‘Dat meende ik al. Een ogenblikje.’
Hij verdween door dezelfde deur. Na enige minuten kwam hij terug en ging de beide mannen voor naar een ruim hoog vertrek.
Van achter een kolossaal bureau stapte een goed geconserveerde vijftiger met soepele tred op hen toe en drukte hen krachtig de hand. ‘Een verrassing,’ riep hij jubelend. ‘Ik had nooit verwacht onze grootse speurder en zijn assistent nog eens hoogst persoonlijk te ontmoeten. En dat nog wel op mijn bureel.’
De Cock reageerde niet. Hij blikte omhoog waar wulpse naakte engeltjes onbeschaamd aan het plafond kleefden.
De stem van mr. Hazenberg jubelde door.
‘Waarmee kan ik de beide heren van dienst zijn?’ Met een breed gebaar wuifde hij naar diepe leren fauteuils. ‘Ga toch zitten. Een sherry?’ Hij lachte luid, uitbundig, met een flonkerend gebit. ‘Nee, hoe dom, natuurlijk een cognac.’
De Cock nam plaats. De jubel werkte averechts. Het gezicht van de grijze speurder was een strak masker. ‘Ik kom u de dood van Josje van Aerdenhout melden,’ sprak hij bitter. Hij keek de jolige advocaat strak aan. ‘Of is dat voor u een overbodige mededeling?’
Het gezicht van mr. Hazenberg verbleekte. ‘Is Josje van Aerdenhout dood?’ lispelde hij.
De Cock knikte. ‘Nog geen uur geleden hebben we haar dood in haar woning gevonden,’ zei hij hard. ‘Vermoord, op dezelfde manier als de negen voorgaanden.’
Mr. Hazenberg sloeg beide handen voor het gezicht.
De Cock reageerde ongewoon fel. ‘Doe die handen weg,’ zei hij scherp. ‘Ik kijk u graag in het gezicht.’
De advocaat liet zijn handen zakken. In zijn ogen blonk waakzaamheid. ‘Met welk recht slaat u zo’n toon tegen mij aan?’ vroeg hij verwonderd.
De Cock kneep zijn lippen op elkaar. ‘Tien vermoorde vrouwen, mr. Hazenberg, staan mij niet toe alleen hoffelijk te zijn.’
De advocaat schudde het hoofd. ‘Ik heb met die moorden niets te maken. Ik heb dat reeds eerder aan uw collega’s van de moordbrigade verklaard. De enige relatie tussen mij en die vrouwen is, dat ik hun echtscheidingsprocedure heb behandeld.’
De Cock keek hem scherp aan. ‘Meer niet?’
Mr. Hazenberg schudde wat geërgerd het hoofd. ‘Waar zinspeelt u op?’
De Cock boog zich iets naar hem toe. ‘Op uw… eh, meer dan beroepsmatige belangstelling voor de slachtoffers.’
Mr. Hazenberg slikte. ‘Het spijt me… maar ik begrijp u niet.’
De Cock grijnsde. ‘Is het gebruikelijk dat een advocaat in een echtscheidingsprocedure zijn vrouwelijke cliënten thuis bezoekt?’
Mr. Hazenberg trok aarzelend zijn schouders op. ‘Niet gebruikelijk, nee …maar soms doen er zich omstandigheden voor…’
De Cock wuifde het weg. ‘U knoopte bewust relaties met de vrouwen aan… intieme relaties.’
Mr. Hazenberg schudde het hoofd. ‘Dat is per se niet waar. Dat bestrijd ik.’
De Cock glimlachte fijntjes. ‘Dat lijkt mij voor een jurist geen verstandige houding.’ Hij gebaarde. ‘Onweerlegbare feiten moet men niet bestrijden.’
Mr. Hazenberg reageerde verward. ‘Wat voor onweerlegbare feiten? Waar heeft u het over?’
De Cock zwaaide. ‘Uw vingerafdrukken, meneer Hazenberg, die wij in de woningen van de vermoorde vrouwen hebben gevonden.’
De advocaat produceerde een zoetzuur lachje. ‘Ik heb hieromtrent al uitdrukkelijk verklaard.’
De Cock lachte smalend. ‘Wat voor een verklaring? Het belachelijke verhaal, dat u de vrouwen slechts als raadsman bezocht?’ Hij snoof. ‘We hebben vingerafdrukken van u zelfs in de slaapkamers van de vermoorde vrouwen gevonden. Wat deed u daar? Verleende u rechtskundige bijstand in de door de man verlaten echtelijke sponde?’ De stem van de grijze speurder trilde van spot en hoon. ‘U had verhoudingen met de vrouwen,’ ging hij verder. ‘Kortstondige seksuele verhoudingen.’ Hij kwam uit zijn fauteuil omhoog, stapte dreunend naar het kolossale bureau bij het raam en sloeg met zijn vuist op het blad. ‘Hier,’ schreeuwde hij, ‘hier aan dit bureau zocht u ze uit, de scheidende vrouwen die zich in de interesse van ‘meneer’ mochten verheugen.’ Hij liep terug, bleef voor de advocaat staan. ‘En ze waren gewillig, nietwaar? De grote mr. Hazenberg, rijk en beroemd advocaat, wie kon er uw charmes weerstaan?’ Er kwam een bijna duivelse uitdrukking op zijn gezicht, een wilde grijns. ‘Het mocht alleen niet lang duren, er mocht niet iets groeien dat op aanhankelijkheid of liefde leek, dan werden ze lastig, dan vormden de vrouwen een gevaar voor de reputatie van de onkreukbare mr. Hazenberg, eerzaam echtgenoot en vader van drie studerende kinderen.’
De Cock ging weer in zijn fauteuil zitten.
‘Mr. Hazenberg,’ zei hij vlak, ‘het is tijd voor een bekentenis.’