Vledder kwam net aangelopen toen De Cock door de grote glazen deuren het ziekenhuis verliet.
‘Ik heb de auto om de hoek geparkeerd.’
‘Haal maar weer op,’ antwoordde De Cock kortaf. Vledder keek hem niet-begrijpend aan.
‘Dat heb je snel gedaan.’
‘Snel is niet bepaald het woord, ik was te laat.’ De Cock trok zijn hoedje dieper over zijn ogen. ‘Staat-ie daar om de hoek?’ Zonder op antwoord te wachten liep De Cock zijn jonge collega voorbij.
‘Eh… ja.’ Vledder versnelde zijn pas en haalde hem weer in.
‘Wat is er gebeurd?’
‘Keesing is opgehaald.’
‘Door wie?’
‘Dat is de vraag, al kan ik het antwoord wel raden.’
‘Stond er dan geen diender voor zijn deur?’
‘Als er al een stond dan is die weggestuurd. Volgens de verpleegkundige had de man die hem ophaalde net zo’n pasje als ik…!’
‘Een identiteitsbewijs. Politie.’
‘Recherche,’ bromde De Cock terwijl hij flink doorstapte.
‘Nationale Recherche,’ concludeerde Vledder.
‘Heel goed.’ Ze sloegen de hoek om.
‘De auto staat daar.’ Vledder wees een paar meter de straat in. ‘Wat wou je gaan doen?’
‘Terug naar de kit. Iemand moet me toch kunnen vertellen wat er met Keesing is gebeurd!’
De Cock had zich voor het bureau laten afzetten en terwijl Vledder de auto parkeerde marcheerde hij het bureau binnen. Jan Rozenbrand, de wachtcommandant, zat niet op zijn gebruikelijke plek, zodat De Cock alvast één hobbel had genomen op weg naar zijn doel.
Hij beklom snel de stenen trap die naar de eerste etage leidde. Voor de grote eikenhouten deur die de kamer van commissaris Buitendam scheidde van de rest van de wereld bleef hij even staan, toen stapte hij zonder te kloppen naar binnen.
De commissaris leek niet eens verbaasd dat De Cock op een dergelijke wijze zijn kamer binnen kwam. Het was eerder of hij hem verwachtte.
‘Ga zitten.’ Hij wees met een slanke hand naar de stoel voor zijn bureau. En hoewel De Cock het in de meeste gevallen prefereerde om te blijven staan, schoof hij de stoel ditmaal een stukje naar achteren en nam plaats.
‘Ik neem aan dat u hebt gehoord wat er deze ochtend is voorgevallen?’
‘Ik weet niet of ik het in detail heb gehoord, maar de grote lijnen ken ik,’ beaamde de commissaris.
‘Ik heb vanmorgen drie personen aangehouden,’ begon De Cock. Maar Buitendam stak zijn hand omhoog en beduidde zijn rechercheur te zwijgen.
‘De Cock, het is niet relevant wat jij vanmorgen hebt gedaan.’
De Cock wilde protesteren, maar de commissaris liet zijn hand op zijn bureau vallen en keek hem scherp aan.
‘Wat mij betreft heeft het helemaal niet plaatsgevonden. Beter voor jou ook, want je bent ernstig buiten je boekje gegaan.’
‘Commissaris…’ De Cock sloeg een verzoenende toon aan.
‘Nee, De Cock, ik kan je niet helpen.’
‘Er zijn drie moorden gepleegd.’
‘En er valt er niet één te bewijzen.’
De Cock keek de commissaris triomfantelijk aan.
‘Keesing heeft er vanmorgen één bekend, de moord op Cindy de Vries. En ik heb een getuige.’
‘Die krankzinnige kunstenaar zeker! Luister, De Cock, als je iemand als Keesing een pistool tegen zijn hoofd houdt, dan wil hij zelfs de moord op de koningin van Lombardije nog wel bekennen! Een beetje advocaat veegt daar zo de vloer mee aan.’
De Cock boog lichtjes het hoofd en keek van onder zijn wenkbrauwen naar de commissaris. Die keek zijn rechercheur kwaad aan, zijn mond vertrokken tot een streep.
‘Ik heb net meester Medhuizen aan de lijn gehad.’
De Cock glimlachte begrijpend. Meester Medhuizen was de officier van justitie.
‘En die was op zijn beurt gebeld door het Landelijk Parket. Hun boodschap was duidelijk en biedt geen ruimte voor interpretatie. Het avontuur eindigt hier, De Cock.’
Hij wist dat de commissaris gelijk had. Keesing kon ongetwijfeld rekenen op een heel goeie advocaat. Hij had geen poot om op te staan. Hij balde zijn vuisten van woede.
‘Ik weet dat je gelijk hebt, Jurre de Cock,’ klonk het ineens zacht van achter het bureau, ‘maar we kunnen er niets mee. Je hebt een zaak opgelost maar niemand is er blij mee. Ik heb je vanaf het begin gewaarschuwd dat deze zaak te groot voor je is.’
De Cock stond zwijgend op. Buitendam verhief zijn stem.
‘Jij bent de beste rechercheur die ik ooit heb gehad. Je bent belangrijk. Voor dit bureau, voor mij, voor de stad. Maar je kunt niet alles winnen. Een echt groot man, De Cock, weet wanneer hij verloren heeft.’
De Cock knikte minzaam. ‘Ik moet denken aan Confucius.’
De commissaris zuchtte geïrriteerd. ‘Hoezo?’
‘Die Chinese wijsgeer leefde van 551 tot 479 voor Christus. Hij hield zijn leerlingen voor dat zij niet moesten luisteren of kijken naar of praten over iets wat hun niet welgevallig was.’
‘Wat heeft dat hiermee te maken?’
‘Ik zie ineens die drie aapjes voor me: horen, zien en zwijgen. We weten het allemaal, maar we doen er niets aan!’
De commissaris zweeg. De Cock draaide zich om.
Bij de deur aarzelde De Cock nog even.
‘Ik wilde u nog bedanken dat u Vledder achter mij aan heeft gestuurd. Anders was ik waarschijnlijk nu dood geweest.’
‘We wilden je nog niet kwijt.’
‘Nee… Ik vraag me wel af hoe het Landelijk Parket die situatie zou hebben opgelost. Operatie geslaagd, patiënt overleden?’
Commissaris Buitendam keek zijn rechercheur vermoeid aan. Hij wuifde slapjes met zijn hand.
‘Eruit, De Cock.’
Rechercheur De Cock van het aloude bureau Warmoesstraat had besloten dat hij niet langer ziek was, dus dat hij ook geen ziekteverlof meer hoefde op te nemen. Hij had plaatsgenomen achter zijn bureau in de grote recherchekamer en blikte naar het plafond. Zijn jonge collega zat achter zijn computer en tuurde naar het lege scherm. Zijn handen lagen werkeloos naast het toetsenbord.
‘Heb je niks te tikken, Dick?’ wilde zijn superieur weten. ‘We hebben heel wat meegemaakt vandaag.’
‘Het schijnt niet te hebben plaatsgevonden,’ merkte Vledder mismoedig op. ‘Ik kan moeilijk schrijven: vandaag niets meegemaakt.’
De Cock grinnikte, maar echt vrolijk was hij niet. Hij voelde zich leeg. De spanning van die ochtend en het onbevredigende gesprek bij de commissaris daarna hadden alle energie uit zijn oude lichaam gezogen. Hij voelde de jaren en erger nog, hij voelde de kramp die vanuit zijn voetzolen kwam en zich had vastgezet in zijn kuiten. Met een van pijn vertrokken gezicht strekte hij zijn benen en kreunde zachtjes. Hij bevoelde de plek waar kleine duiveltjes met een grimmig genoegen duizenden spelden in zijn kuiten prikten. Het was altijd hetzelfde: als een onderzoek dreigde te mislukken en hij machteloos de zaak uit handen moest geven, kwamen die martelende duiveltjes langs.
Hij had zo veel zaken verloren in het verleden, zoals elke rechercheur. En hij had wel vaker daders moeten laten lopen terwijl hij zeker wist dat ze de misdaad op hun geweten hadden. Hij had door de jaren heen geleerd zijn verlies te nemen. Maar hij had het gevecht altijd met open vizier gevoerd. De tegenwerking die hij nu vanuit eigen kring ervoer, maakte dat hij zich neerslachtig voelde. Volgens zijn meerderen waren er geen doden gevallen in deze zaak. Sterker nog, er was geen zaak en hem was opgedragen daarnaar te handelen. Maar er was nog zoiets als zijn eigen rechtvaardigheidsgevoel, zijn opdracht in het leven om het kwaad te bestrijden, en dat liet zich niet zomaar opzijzetten.
Een droge klop op de deur deed hem uit zijn sombere mijmeringen opkijken. De deur ging open en Henny, de secretaresse van wijlen professor Van Deijssel, kwam de grote recherchekamer binnen lopen. Ze had zich gekleed naar de lente en droeg een vrolijk gekleurde blouse en een strak rokje dat net boven de knie viel. Aan haar schouder hing, aan een lang hengsel, een tasje. Ze droeg haar haar strak naar achteren in een staartje, waardoor haar ogen, waar zij hem vragend mee aankeek, wel twee keer zo groot leken.
‘Men zei me dat ik u hier kon vinden.’
Als bij donderslag waren de duiveltjes rond de kuiten van De Cock verdwenen, de kramp trok weg en van vermoeide voeten was geen sprake meer. Hij stond op, liep om zijn bureau heen en trok galant de stoel aan de andere kant van het bureau een stukje naar achteren.
‘Neemt u plaats,’ glimlachte hij charmant.
Henny gaf hem een kort hoofdknikje en ging zitten. De Cock liep langs zijn bureau en nam tegenover haar plaats.
Vledder had de verandering van humeur bij zijn leermeester opgemerkt en blikte nieuwsgierig opzij.
‘Hoe gaat het met u?’ vroeg de Cock belangstellend. ‘De nabijheid van de dood kan lang blijven hangen.’
‘Het gaat heel goed, dank u.’ Ze schoof wat ongemakkelijk op haar stoel heen en weer. ‘Ik heb een baan aangeboden gekregen op de universiteit. Het archief van Rogier is enorm en ik ben eigenlijk de enige die er de weg in weet.’
‘Dat is mooi nieuws! Ik kan me voorstellen dat dat een opluchting voor u is. Maar ik neem niet aan dat u alleen maar naar hier gekomen bent om mij dat te vertellen.’
Henny toonde een klein lachje. ‘Nee, inderdaad.’
‘Waar kan ik u mee van dienst zijn?’ kwam De Cock vriendelijk ter zake.
‘Ik hoop eigenlijk dat ik u ergens mee van dienst kan zijn.’
De Cock trok zijn wenkbrauwen op, vouwde zijn handen voor zich op het bureau en wachtte op wat komen ging.
Henny nam het tasje van haar schouder en ritste het open.
‘Ik had vandaag op kantoor de tijd om de post van de afgelopen dagen door te nemen. En toen kwam ik dit tegen.’
Ze haalde een envelop uit haar tasje en schoof het over het bureau naar De Cock.
‘Ik dacht dat u hier misschien wel in geïnteresseerd zou zijn.’
De Cock pakte de envelop op en bekeek de voorkant. De naam en het adres van de professor stonden er in kinderlijke hanenpoten op vermeld. Niet het handschrift van iemand die gewend was veel te schrijven, schatte hij.
Toen draaide hij de envelop om en las de naam van de afzender.
‘Wim de Jongh.’