16

De Cock had zich die ochtend, het was een paar weken na de ontknoping van het vervalste ‘Bruidje’, door zijn vrouw in zijn beste pak laten hijsen. Het was bekend geworden dat de burgemeester het aloude bureau aan de Warmoesstraat met een werkbezoek kwam vereren en op het bureau was de oekaze uitgevaardigd dat iedereen er representatief uit diende te zien. Mevrouw De Cock had zelfs een stropdas om de nek van haar man gestrikt. In de tram, onderweg naar het bureau, had De Cock de das van zijn nek getrokken en in de zak van zijn regenjas gepropt. Hij had een hekel aan dat overdreven gedoe. Hij zag er elke dag representatief uit, vond hij zelf.

Op het bureau, waar in de loop der jaren toch zo veel was voorgevallen, hing een opgewonden stemming. Jan Rozenbrand kondigde luidkeels aan dat iedereen in de kantine werd verwacht. De burgemeester zou de troepen toespreken.

De Cock besteeg met rustige tred de stenen trappen naar de tweede verdieping. Het feest zou ook zonder hem wel beginnen.

In de grote recherchekamer stond de jonge Vledder ongeduldig te wachten. Hij blikte op de grote klok boven de deur.

‘Je bent laat!’ constateerde hij.

‘Mijn vrouw wilde me nog een stropdas omdoen,’ klonk de simpele verontschuldiging.

‘Dat is dan niet gelukt!’ en hij wees naar de open boord van het hemd van De Cock.

Grijnzend trok zijn oudere collega de das uit de zak van zijn regenjas.

‘Ik kreeg het er benauwd van.’

Vledder had geen geduld voor de grappen van De Cock.

‘Laten we naar beneden gaan. We zijn al te laat.’

‘Te laat voor wat?’ bromde De Cock. ‘Bovendien had je heel goed zonder mij kunnen gaan.’

De Cock deed zijn hoedje af en wierp het richting kapstok. Kansloos. Het hoedje tuimelde over de grond. Vledder pikte het op en hing het aan het haakje boven de regenjas van zijn chef.

‘Als ik niet op je had gewacht, was je gewoon achter je bureau gaan zitten. We gaan!’

Hij nam De Cock gedecideerd bij de elleboog en duwde hem naar de deur.

‘Waar is dit allemaal goed voor?’ protesteerde De Cock.

Vledder bracht zijn mond bij het oor van De Cock.

‘Het verhaal gaat dat de burgemeester hier vandaag niet voor niets is. Iemand krijgt een lintje!’

‘Wie?’

‘Wie denk je zelf!’

De moed zonk rechercheur De Cock in de schoenen.


In de kantine was het een drukte van belang. De Cock verwonderde zich erover. Blijkbaar hoefde er geen blauw op straat te patrouilleren als de burgemeester langskwam! Hij hoopte niet dat de penoze hier weet van had.

Vledder had zich een flink stuk slagroomtaart opgeschept. De Cock weigerde beleefd. Hij had genoeg aan een kopje koffie. De commissaris verscheen achter het spreekgestoelte, blies een paar keer in de microfoon en vroeg toen de aandacht.

‘Dames en heren, collega’s, mag ik uw aandacht voor de burgemeester van onze mooie stad!’

Er werd een applausje ingezet dat aarzelend werd overgenomen. De burgemeester nam plaats achter het spreekgestoelte, zette zijn halve leesbrilletje op en monsterde de zaal over zijn brilletje heen.

‘Het doet mij genoegen dat u met zovelen aanwezig bent. Ik hoop niet dat het geboefte buiten op straat hiervan op de hoogte is!’

Hij oogstte gelach.

‘Nou,’ fluisterde De Cock tegen Vledder, ‘datzelfde dacht ik dus ook.’

‘Ssst!’ maande Dick Vledder hem en hij leidde zijn chef bij de elleboog mee naar voren.

De burgemeester had een briefje uit zijn binnenzak gehaald en begon zijn toespraakje.

‘Op deze bijzondere dag is mij gevraagd om een bijzondere man die deel uitmaakt van dit korps te eren. En als hoofd van de politie doe ik dat graag, temeer daar het hier een man betreft die vele jaren lang, vierentwintig uur per dag het beste heeft gegeven om ons geliefde Amsterdam veiliger te maken.’

Hij keek weer even de zaal in.

‘De ene dag word je door de overheid met ziekteverlof gestuurd en de volgende dag krijg je een lintje!’ fluisterde Vledder De Cock toe.

‘Ssst!’ zei zijn oude mentor op zijn beurt.

De burgemeester zette zijn verhaal voort.

‘Deze man, deze bijzondere man die zijn werk op zijn eigen bescheiden wijze heeft gedaan en daarmee een grote bijdrage heeft geleverd aan de leefbaarheid van onze binnenstad, willen wij graag de gouden speld van de Stad Amsterdam aanbieden.’

Uit de kantine steeg gejoel op en applaus. Alle ogen waren gericht op Jurriaan de Cock.

De burgemeester kwam van achter zijn spreekgestoelte vandaan, een roodfluwelen doosje in de hand.

‘Commissaris Buitendam, gefeliciteerd!’

Hij schudde op plechtige wijze de hand van Buitendam en speldde hem het gouden kleinood op. De commissaris keek over zijn schouder en zijn blik ving die van De Cock.

Buitendam glimlachte verontschuldigend. De Cock knipoogde vrolijk.

‘Ach ja, we spelen allemaal een rol,’ zei hij tegen niemand in het bijzonder.

Загрузка...