7

De Cock had plaatsgenomen op de houten keukenstoel die midden in het atelier stond en dronk zijn koffie. Verduin stond naast zijn blauwe doek en blikte peinzend de tuin in.

‘We hebben bijna twee jaar een relatie gehad, maar ik kon er op het einde niet meer tegen. Het draaide alleen nog maar om de coke.’ Hij wendde zich tot De Cock.

‘Nachten doorgaan, daarna doodziek, dus snoof ze zich weer overeind.’

‘Gebruikte u zelf ook?’ vroeg De Cock nonchalant.

‘Nee, zeg,’ verklaarde Verduin stellig, ‘ik heb misschien wel eens een lijntje gesnoven, maar wie niet?’

De Cock keek op van zijn koffiekopje.

‘Nou ja, u misschien niet,’ gaf Verduin toe, ‘maar ik heb er veel mensen aan te gronde zien gaan. Drugs zijn niets voor mij. Cindy had zichzelf niet meer in de hand. Ze ging dag en nacht door. Dat kostte bovendien klauwen met geld.’

‘Hoe kwam ze daaraan?’ De Cock was opgestaan en liep naar het aanrecht om daar het lege kopje in een geel teiltje te zetten dat in de spoelbak stond. De muur van wat eens de keuken was geweest, was beplakt met affiches van tentoonstellingen.

‘Ze had steeds van die halve baantjes en soms schoof ik haar wat toe.’

‘Kunt u leven van uw kunst?’

‘’t Is geen vetpot, maar ik verkoop nu en dan een schilderij.’

De Cock keek om zich heen in de ruimte, maar zag alleen het grote blauwe doek.

‘Heeft u onlangs werk verkocht?’

‘Nee, hoezo?’

‘Omdat ik hier alleen dat… schilderij van u zie.’

Verduin lachte kort. ‘Hier ben ik net aan begonnen. Ik schilder eerst een aantal lagen over elkaar heen en dan ga ik aan de slag met mijn paletmes, verf weghalen en dan… nou ja, goed, dan ontstaat er iets.’

De Cock nam zijn hoedje van zijn hoofd en haalde een hand door zijn haar. ‘Ja ja.’

‘Maar zodra een doek klaar is moet het weg. Dan wil ik er niet steeds tegenaan kijken, dat belemmert mijn gedachten over nieuw werk, begrijpt u?’

‘Ja, dat begrijp ik wel.’ De Cock knikte bedachtzaam. ‘Maar als ik een doek zou willen kopen…’

‘Dan heb ik foto’s, ik maak altijd een foto van mijn werk. Maar het meeste werk verkoop ik tijdens exposities.’

Het oog van de grijze rechercheur trok onwillekeurig naar de muur met affiches, waar de aankondiging van de expositie van Bruidje in de morgen’, als jongste aanwinst van het Rijksmuseum, over de andere affiches was geplakt.

Jaap Verduin zag De Cock naar het affiche kijken.

‘Maar ik hang niet in het Rijks, natuurlijk! Dan moet ik eerst tweehonderd jaar dood zijn,’ lachte hij.

‘Heeft u die tentoonstelling gezien?’

‘Ik heb dat doek van Ter Borch gezien.’

De Cock liep weer terug naar de houten keukenstoel, maar hij bleef dit keer staan.

‘Men zegt dat het vals is.’

Verduin trok zijn wenkbrauwen omhoog, ten teken dat hij deze wending van het gesprek niet had verwacht. ‘Men? Welke men?’

De Cock schokte met zijn schouders.

‘Men heeft zestien miljoen euro betaald voor dit schilderij. Zou het dan vals zijn?’ vroeg Verduin met lichte spot. De Cock keek de jonge kunstenaar scherp aan.

‘Professor Van Deijssel was ervan overtuigd.’

Verduin lachte verbaasd. ‘U hebt uw huiswerk gedaan. De grote Van Deijssel! Ik las in de krant dat hij een ongeluk heeft gehad.’

‘Maar zou het kunnen, volgens u,’ drong De Cock aan, ‘dat het schilderij vals is?’

Verduin maakte zich los van zijn doek en ging midden in de serre staan. Hij keek de tuin in, waarin zich een hoop rotzooi had verzameld. Houten balken, een plastic cementkuip, een oude fiets. Niet het soort tuin waarin je het voorjaar zag ontluiken.

‘Echt of vals, het maakt niet uit. In die wereld gaat het alleen maar om de poen. Iedereen houdt elkaar de hand boven het hoofd, want kunst is geld, veel geld.’

‘Dan maakt het toch juist wel uit of iets echt is of vals?’ wierp De Cock tegen.

‘Welnee!’ De kunstenaar draaide zich weer terug naar de rechercheur. ‘Wie ziet nou het verschil?’

‘Van Deijssel?’

‘Die was voornamelijk bezig met zijn ego,’ hoonde Verduin. ‘En misschien had hij zich gewoon vergist toen hij in Amerika zei dat het doek echt was.’

‘Het kan zijn verwisseld.’

‘Alles kan, het werk van Rembrandt werd in zijn eigen tijd al gekopieerd,’ besloot Verduin en hij keek naar zijn blauwe doek in de hoek van de serre. ‘En ik zal u eerlijk zeggen, meneer De Cock, op de dag dat iemand mijn werk kopieert, heb ik het helemaal gemaakt!’ Zijn joviale lach schalde door de ruimte.


Terug op straat haalde De Cock zijn telefoon tevoorschijn en belde hij met dokter Den Koninghe.

‘Ik heb nog een vraag over Cindy de Vries als je ’t niet erg vindt.’

‘Barst los,’ klonk het nonchalant.

‘De overdosis is haar toegediend met een injectiespuit, nietwaar?’

‘Dat mag je wel aannemen, ja.’

‘Zijn er op het lichaam meer naaldsporen gevonden? In de armen of de lies, of waar ze zich maar zou kunnen injecteren?’

Het bleef even stil aan de andere kant van de lijn.

‘Den Koninghe?’

‘Ik ben er nog,’ klonk het haastig. ‘Ik dacht even na. Maar nee, ik geloof niet dat dat het geval was. Het lichaam van het meisje zag er opmerkelijk gaaf uit voor een verslaafde. Maar ik vraag het voor de zekerheid nog wel even na.’

‘Graag, en alvast bedankt!’

De Cock brak het gesprek af en wandelde met hernieuwde energie naar de Westermarkt om daar de tram te nemen.

Hij had het gevoel dat hij eindelijk was opgeschoten.


Lijn 13 bracht hem van de Westermarkt naar de Dam. Daar stapte De Cock uit en op zijn gemak liep hij via de Bijenkorf naar het statige Krasnapolsky, waar hij links afsloeg de Warmoesstraat in, op weg naar de kit.

‘De Cock! Doe dat nou niet, man!’ Jan Rozenbrand keek verschrikt op van zijn computer.

De Cock trok een onschuldig gezicht en hield even zijn pas in.

‘Wat niet?’

Rozenbrand stond op achter zijn balie.

‘Buitendam wil je hier voorlopig niet zien. Doe me dit niet aan!’

De Cock hief zijn handen in de lucht en hield zijn onschuld vol.

‘Ik heb informatie voor de commissaris.’

Rozenbrand knikte hem laatdunkend toe. ‘Wat voor informatie? De datum waarop je met pensioen gaat?’

De Cock liet zijn handen zakken.

‘Dat zal ik tegen die tijd wel gaan missen, Jan, jouw gevoel voor humor.’ en hij vervolgde onverstoorbaar zijn weg naar de eerste verdieping.

Voor de deur van de kamer van de commissaris aarzelde De Cock even. Hij wist dat Buitendam niet blij zou zijn met zijn komst, maar hij had een sterke troef in handen. En als dit bezoek aan zijn superieur desondanks verkeerd zou aflopen, dan moest dat maar. Hij kon nu niet meer terug. Zijn knokkels roffelden op de deur.

‘Binnen!’

Buitendam keek inderdaad verstoord op toen hij De Cock binnen zag komen.

‘Wat doe jij hier, De Cock?’

‘Ik ben hier om met u te praten over de bemoeienis van de Nationale Recherche.’

De commissaris bracht zijn handen langzaam naar zijn hoofd en zijn vingers masseerden zijn voorhoofd.

‘De bemoeienis van de Nationale Recherche,’ herhaalde hij vermoeid.

‘Inzake de dood van professor Van Deijssel,’ vulde De Cock zekerheidshalve aan.

‘Ik weet waarover je het hebt.’ De commissaris verborg zijn gezicht nog steeds achter zijn handen.

Er werd weer op de deur geklopt en zonder op antwoord te wachten werd de deur geopend. De Cock draaide zich om en was niet eens verbaasd te zien wie er binnenkwam.

‘Nee maar. Onze internationale misdaadbestrijder!’

Gerrit Beumer sloot de deur achter zich. Beumer, net zo tiptop gekleed als de laatste keer dat De Cock hem sprak, glimlachte geamuseerd.

‘Hoe gaat het nu, De Cock?’

De oude speurder antwoordde niet meteen. Hij keek Beumer indringend aan en besloot tot de frontale aanval.

‘Op welke wijze ben jij bij deze zaak betrokken, Gerrit?’

De commissaris plantte zijn handen op het bureau en drukte zich omhoog uit zijn stoel.

‘De Cock!’

Gerrit Beumer hief zijn hand en gebaarde de commissaris dat hij de vraag zelf wilde beantwoorden. Buitendam liet zich met een zucht in zijn stoel ploffen.

‘Daar kan ik geen mededelingen over doen,’ sprak hij eenvoudig.

De Cock wreef met zijn hand over zijn brede kaken. Zijn blik had Beumer niet losgelaten.

‘Maar onze ontmoeting eergisteren bij Lowietje was niet toevallig.’

Beumer onttrok zich aan de blik van De Cock door achter hem langs naar het bureau van de commissaris te lopen.

‘Het enige wat ik op dit moment tegen je kan zeggen is dat er veel, heel veel grote belangen op het spel staan.’

De Cock draaide zich naar het bureau.

‘Gaat het om kunst? Om drugs? Waar gaat het in deze zaak om? Of durf je me daar geen antwoord op te geven?’

‘Dat is geen kwestie van durf, De Cock. Het gaat hier over afspraken. Over wat je wel of niet vertelt. Maar ik wil je best vertellen waar het in deze zaak over gaat. Het gaat over macht en over geld. Zoals altijd.’

‘En hoe pas ik hier in?’ wilde De Cock weten.

‘Jij?’ Beumer keek hem quasiverbaasd aan. ‘Man, dit heeft helemaal niets met jou te maken. Dit is jouw onderzoek niet. Met alle respect, De Cock, en je weet dat ik dit meen, graaf niet dieper in een zaak die de jouwe niet is.’ Hij liet een kleine stilte vallen. ‘Je gooit je eigen glazen in!’

De twee mannen keken elkaar strak aan. De boodschap van de laatste opmerking was duidelijk genoeg.

‘Wees niet eigenwijs, De Cock, en ga weer naar huis,’ mengde Buitendam zich in het gesprek waarbij hij zich op een onaangename manier buitengesloten voelde.

Maar De Cock was nog niet klaar, hij had nog een laatste woord, de reden waarom hij bij Buitendam naar binnen was gestapt. Hij liet de blik van Beumer los en richtte zich tot de commissaris.

‘Ik kwam u iets vertellen,’ sprak hij zacht, ‘over dat meisje, Cindy. De overdosis die was toegebracht via een injectienaald was geen ongelukje. Die is haar opzettelijk toegediend. Zelf spoot ze namelijk niet. Nooit.’

Even was het oorverdovend stil in de kamer. Toen draaide De Cock zich om en slofte naar de deur. Commissaris Buitendam keek vertwijfeld op naar Gerrit Beumer, maar die had alleen oog voor de rug van de grijze speurder die langzaam de kamer verliet.


Buiten was het voorjaar teruggekeerd. De zon deed uitbundig zijn best aan een wolkeloze blauwe hemel. Het leek alsof de mensen op straat ineens lichter door het leven gingen. De Cock passeerde een aantal jongens die opgewonden lachend de Heintje Hoeksteeg in schoten. Op het Damrak bekeek hij met genoegen de jonge vrouwen die er flaneerden in hun luchtige toiletjes. Het verlichtte zijn bezwaard gemoed maar het maakte hem niet helemaal vrij van zorgen.

Hij nam lijn 16 naar het Museumplein.

Het kantoor van Keesing was gehuisvest in een statig pand aan de Paulus Potterstraat, schuin tegenover het Rijksmuseum. Omdat hij van de secretaresse van Keesing had begrepen dat ‘de heer Keesing niet op kantoor aanwezig’ was, nam hij plaats op een bankje tegenover het grote pand.

De Cock hield van deze buurt. Met zijn musea, de patriciërshuizen rond het Vondelpark en met het statige Concertgebouw aan het einde van het Museumplein, ademde de buurt iets van de grootsheid van het recente verleden. Een stoet Amerikaanse toeristen trok voorbij, voorafgegaan door een gids die, ondanks de zon, een parapluutje in de lucht hield dat als baken fungeerde. Op weg naar een van de musea die aan het plein gelegen waren. De Cock vroeg zich af of zij zich bewust waren van wat hij zelf al wist, dat ze waarschijnlijk een deel van de dag naar vervalsingen zouden staren. Maar wat dan nog, bedacht De Cock. ‘De wereld wil bedrogen worden.’ Dat schreef de beroemde Romeinse satiricus Petronius al vele eeuwen geleden. Hij glimlachte bij de gedachte.

Op dat moment stopte er een auto aan de andere kant van de straat. De bestuurder, een lange man in een zwart pak, stapte uit, zette zijn zonnebril af en opende het achterportier. De kleine, gesoigneerde heer Keesing stapte uit. De Cock stond op van zijn bankje en stak de straat over.

‘Meneer Keesing.’

‘Meneer De Cock.’ Keesing trok een mondhoek omhoog. ‘Wat een aangename verrassing. Is dit toeval?’

De Cock schudde glimlachend zijn hoofd. ‘Nee, niet echt, ik heb even op u gewacht. Ik wilde namelijk nog iets vragen. Eh…’ hier aarzelde de grijze speurder even, ‘onofficieel.’

De chauffeur keek zijn werkgever vragend aan.

‘Dank je, Oswald. Je kunt de auto parkeren en wees zo goed mijn tas op kantoor af te geven.’

De chauffeur knikte en stapte weer in de auto.

‘Is dat uw chauffeur?’

Keesing hief even verontschuldigend zijn handen.

‘Het lijkt wellicht wat overdreven, meneer De Cock, maar ik heb Oswald niet uit luxe. Ik kan namelijk niet autorijden.’

De Cock trok zijn wenkbrauwen op. ‘Niet?’

‘Nou ja,’ nuanceerde Keesing, ‘wel ooit geleerd, maar ik heb er een enorme hekel aan. Ik was een gevaar op de weg.’

De Cock kon er wel inkomen, hij liet zichzelf ook liever rijden door Dick Vledder dan dat hij zelf achter het stuur kroop.

‘Kopje koffie dan maar?’ Keesing wees uitnodigend naar de hoek van de straat, waar zich een etablissement bevond.

‘Als u het niet erg vindt, loop ik liever een stukje met u op.’

‘Prima. Het is tenslotte heerlijk weer.’

Keesing knoopte zijn loshangende shawl om zijn nek en stapte voort naast De Cock die, handen op de rug, de richting van de Van Baerlestraat had gekozen.

‘U vertelde over die veertig procent vervalste kunst die hier in de musea hangt,’ begon De Cock.

Keesing protesteerde licht. ‘Ik noemde de theorie. Ik weet natuurlijk niet of het echt zo is.’

‘Maar het is een gangbare theorie,’ hield de grijze rechercheur aan.

‘In ons kleine wereldje wel.’

Ze stapten even zwijgend voort, want hier kwam De Cock bij zijn punt.

‘Waarom komt dat dan nooit naar buiten?’

Keesing hield even stil en keek De Cock aan. Hij wees naar de overkant van de straat, waar zich het Van Gogh Museum bevond en waar het groepje Amerikanen dat even daarvoor De Cock had gepasseerd, in de lange wachtrij was aangeschoven.

‘Wie heeft daar belang bij?’ vroeg de kleine kunstkenner zich af. ‘Iedereen houdt elkaar de hand boven het hoofd. Er staan reputaties op het spel, meneer De Cock. Musea, experts, niemand wil het weten als er een serieuze vergissing is gemaakt. Verzamelaars zwijgen, omdat hun kunstverzameling in prijs zal dalen. En de musea kunnen hun poorten wel sluiten.’

De Cock keek naar de rij wachtenden voor de entree van het Van Gogh en dacht weer even aan de oude Petronius.

‘Niemand binnen onze kleine kring heeft er behoefte aan of belang bij dat de “theorie”,’ hij sprak het laatste woord uit alsof het een mogelijkheid was, ‘in bredere kring bekend wordt. Het is zelfmoord.’

De Cock liet de laatste opmerking even tot zich doordringen en knikte een paar keer bedachtzaam.

‘Dus als het naar buiten zou komen, en niet als een gerucht maar als een vaststaand feit, bijvoorbeeld in een boek, dan zou dat een kleine ramp zijn,’ concludeerde hij.

Keesing keek hem scherp aan.

‘Reden genoeg om iemand de mond te snoeren,’ verduidelijkte De Cock nog eens.

Met een oorverdovend lawaai denderde er een tram langs die de twee mannen even het zicht op de musea aan de overkant benam en die de kunsthandelaar de tijd gaf om de opmerking van De Cock op zich in te laten werken.

‘Denkt u dat Van Deijssel is vermoord?’ vroeg Keesing verbaasd toen de tram was gepasseerd.

‘Denkt u dat dat mogelijk is?’ vroeg De Cock.

‘Het is uw vak. U heeft de zaak onderzocht.’

‘Maar denkt u dat dat waarschijnlijk is, dat iemand professor Van Deijssel heeft omgebracht?’ hield De Cock aan.

Keesing haalde zijn schouders op en keek naar zijn gemanicuurde nagels.

‘De belangen zijn enorm, dat vertelde ik u al.’

‘Ook uw belang?’

Keesing keek op van zijn nagels en glimlachte.

‘Ik begrijp uw gedachte. Zeker. Maar nee, mijn belangen liggen anders. Ik verdien mijn geld niet met kunst, maar met de handel in kunst. En dat is toch echt een ander verhaal. Mijn werk is, net als dat van u, gebaseerd op vertrouwen. Als ik dat één keer beschaam, dan is het over en uit. Dan doe ik in deze kleine wereld geen zaken meer.’

De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.

‘Enig idee wiens belang wel groot genoeg zou kunnen zijn?’

‘Om Van Deijssel om te brengen?’ hij liet een hikkend lachje horen. ‘Excuus, een lach is hier niet op zijn plaats. Maar Van Deijs sel was een compromisloze man, en zo iemand heeft weinig vrienden. Ik zou u een hele lijst met namen kunnen geven!’

‘Misschien moest u dat maar doen,’ opperde De Cock.

‘Iemand haten en iemand ombrengen zijn twee totaal verschillende dingen, meneer De Cock, dat zou u moeten weten. Nee,’ besloot hij gedecideerd, ‘u verdoet uw tijd. En ik ook. Ik wens u nog een goede dag.’

Hij gaf de oude rechercheur een hoffelijk knikje en vastbesloten liep Keesing weer in de richting van zijn kantoor, De Cock in gepeins achterlatend.

Загрузка...