5

‘Gevalletje van een overdosis.’ Vledder had zijn conclusie snel getrokken. ‘Arm kind.’

De Cock humde. Vledder keek hem aan.

‘Denk jij van niet dan?’

‘Ik weet zeker van wel. Maar het gaat er in dit geval niet om wat haar van het leven heeft beroofd, maar wie.’

‘Dat lijkt me nogal simpel,’ concludeerde de jonge rechercheur, ‘of wou je soms beweren dat zij ook door iemand is omgebracht?’

De Cock keek zijn assistent aan en glimlachte mild.

‘Dat denk ik wel, ja. Of is zij volgens jou het volgende slachtoffer van de zelfmoordepidemie die met Wim de Jongh begon?’

Vledder had hierop geen antwoord, dus wendde zijn oude leermeester zich tot de dienstdoende agent die hen de kamer had binnengelaten.

‘Is de meute al onderweg?’

‘Jawel, meneer, ik heb het bureau op de hoogte gebracht.’

‘Hoe heb je het lichaam eigenlijk ontdekt?’

De jonge diender schuifelde richting De Cock. ‘Ik werd op straat aangehouden. Door hem.’

Hij duimde over zijn schouder en wees op de gestalte van een slanke jongeman die in de deuropening was verschenen. Hij was geheel gekleed in het zwart en zijn smalle bleke gezicht werd omkranst door een bos woeste donkere krullen. Hij maakte een verslagen indruk. Het leek alsof al het bloed uit zijn gezicht was weggetrokken. Hij stelde zich voor als Arendjan toen De Cock zich tot hem richtte.

‘Gaat het wel?’ vroeg De Cock vriendelijk. De jongen knikte, maar niet erg overtuigend.

‘Nog nooit eerder zoiets meegemaakt?’ wilde De Cock weten.

‘Ik kwam haar kamer binnen, de deur stond open, en toen zag ik haar liggen.’ Zijn stem klonk beschaafd, haast bekakt en detoneerde met de omgeving.

‘En toen?’

‘Toen moest ik overgeven,’ bekende de jongen.

‘Dat klopt!’ riep Vledder vanaf het keukenblokje terwijl hij met de kraan de resten van de maaginhoud van Arendjan door de gootsteen spoelde. ‘Getverdemme!’

‘Sorry,’ stamelde de jongen, maar De Cock glimlachte hem vaderlijk toe.

‘Heel begrijpelijk. Kwam je wel vaker op deze kamer?’

‘Hoe bedoelt u?’

‘Wat ik zeg: kende jij het slachtoffer?’

De jongen trok zijn schouders op. ‘Ik woon hier nog maar net. Ik ben lang op zoek geweest naar iets anders, maar u hebt geen idee hoe moeilijk het is om een betaalbare kamer te vinden in Amsterdam. Dat geldt trouwens ook voor een onbetaalbare!’

‘Maar je kende het slachtoffer wel?’ drong De Cock aan.

‘Ik zag haar soms op de gang, maar echt contact was er niet. Ze had nooit wat in huis, dus ze leende wel eens wat van mij. Verder ging het niet. Vorige week heeft ze nog vijfentwintig euro van me geleend en die kwam ik vandaag terugvragen. Shit!’ er schoot de jongen kennelijk iets te binnen.

‘Wat?’ vroeg De Cock hoopvol.

‘Daar kan ik nou ook wel naar fluiten! Dat geld krijg ik natuurlijk never nooit meer terug.’

De Cock zuchtte teleurgesteld. Hij had gehoopt dat de jongen relevante informatie te binnen was geschoten.

‘Heb jij haar vandaag nog met iemand samen gezien?’

‘Ik heb haar hier nog nooit met iemand gezien. Ze was ook vaker weg dan aanwezig. En soms hoorde ik haar ’s morgens vroeg de trap op komen en dan kwam ze de hele dag haar kamer niet uit.’

‘Wist je dat ze verslaafd was aan drugs?’

De jongen trok zijn schouders weer op. ‘Dat ze gebruikte was natuurlijk wel duidelijk, maar verslaafd… nee. Ik bedoel, ze was af en toe druk en dan liep ze te zingen of te schreeuwen over de gang, nou, dan weet je ’t wel. Maar echt last heb ik niet van haar gehad.’

‘En ze had geen vriendje volgens jou?’

‘Dat heb ik niet gezegd!’ De jongen had weer wat kleur gekregen op zijn gezicht. ‘Ik heb haar hier nog nooit met iemand gezien. Maar misschien had ze wel een vriendje ergens anders.’

‘Mogelijk,’ moest De Cock toegeven.

‘Laatst nog werd ze thuisgebracht door zo’n gast in een Porsche.’

‘Weet je dat zeker?’ mengde Vledder zich vanaf de keukenhoek in het gesprek. De jongen draaide zich verontwaardigd naar hem om.

‘Ik ken een Porsche wanneer ik er een zie. Dit was een 911 Carrera. Mijn vader had er vroeger zelf een.’

Dus inderdaad afkomstig uit ’t Gooi, concludeerde De Cock, die een beetje genoeg begon te krijgen van het verontwaardigde geluid van de zwarte krullenbol. Vledder plukte iets van een prikbord dat boven het aanrecht hing en toonde het aan De Cock. Het was een polaroidfoto van een jongeman die op de motorkap van een Porsche zat. De Cock nam de foto over van zijn jongere collega en toonde hem aan Arendjan.

‘Was het deze “gast”?’

‘Het was in ieder geval die Porsche.’

‘Dank je wel.’ De Cock stopte de foto weg in zijn binnenzak. ‘Je moet je beschikbaar houden voor het verhoor.’

De jongen zette grote ogen op. ‘Wat was dit dan?’

Op dat moment kwam Bram van Wielingen binnen, de politiefotograaf. Hij haalde zijn camera tevoorschijn en begroette De Cock uiterst hartelijk. De grijze speurder bekeek verwonderd de camera.

‘Waar is je oude Hasselblad gebleven?’

Bram wreef verliefd over het supermoderne toestel in zijn hand. ‘In het museum, De Cock. Dit is zijn digitale broertje. Een beauty!’

De Cock zuchtte. ‘Wat was er mis met je oude Hasselblad?’

‘Niks,’ zei Bram terwijl hij de eerste plaatjes maakte van de dode Cindy, ‘maar tegenwoordig is iedereen digitaal.’

‘Ik niet,’ zei De Cock en hij liep somber de kamer uit.


De Cock had zich weer naast Vledder in de Mini gewurmd en liet zich thuis afzetten. Uit zijn binnenzak had hij de polaroidfoto gepakt en hij bestudeerde het plaatje.

‘Het nummerbord van de Porsche is goed te lezen. Kun jij morgen nagaan van wie die auto is?’

Vledder nam de foto over.

‘Wil je de man opsporen?’

‘Hij is voorlopig onze enige kans om iets meer te weten te komen over Cindy.’

Vledder had even zijn handen vol aan de drukke avondspits en moest zijn uiterste best doen om een fietser te ontwijken die een verhit gesprek voerde via de telefoon en geen oog had voor de rest van het verkeer.

‘Waarom wil jij meer te weten komen over Cindy?’ hernam hij het gesprek.

‘Ik wil weten wat haar relatie was met Wim de Jongh. Ze heeft zelf de kans niet meer gehad om ons dat te vertellen en ik wil het toch echt weten. Er is een verband tussen die drie doden, Dick, daar ben ik van overtuigd.’

Vledder parkeerde zijn auto voor het huis van zijn oude collega en keek hem aan. De Cock keek ernstig terug, de ene wenkbrauw iets hoger opgetrokken dan de andere.

‘Of denk jij dat ik spoken zie?’

Vledder zuchtte. ‘Ik weet het niet.’

‘Ik ook niet, en daarom moet ik het uitzoeken. Bedankt voor de lift.’


De volgende ochtend kwam met verrassingen, maar daar was De Cock nog onwetend van toen hij goedgemutst al vroeg de recherchekamer van het vertrouwde politiebureau aan de Warmoesstraat betrad. Zijn jonge collega zat alweer achter zijn computer en liet zijn vingers dansen over de toetsen.

‘Slaap jij nooit?’ bromde De Cock goedmoedig.

Vledder stopte even met tikken en keek schuin naar de grote klok boven de deur. ‘Buitendam belde gisteravond nog.’

‘Met jou?’ vroeg De Cock terwijl hij plaatsnam achter zijn bureau. Het klonk spottender dan hij had bedoeld. ‘Sorry, ik bedoel dat niet vervelend, maar waarom belde hij met jou?’

‘Hij wilde zo snel mogelijk ons verslag over Cindy de Vries hebben. Het liefst vanmorgen nog. Vandaar.’ Vledder concentreerde zich op het scherm voor zich.

De Cock wreef met zijn hand over zijn brede gezicht. ‘En zei hij ook waarom?’

‘Waarom?’ Vledder keek op van het scherm.

‘Heeft hij jou ooit eerder ’s avonds gebeld om te vragen naar een rapport?’

Vledder zuchtte geïrriteerd. ‘Hou hiermee op, De Cock,’ zei hij kortaf. ‘Je gaat nu echt overal iets achter zoeken.’

Maar De Cock was niet van plan op te houden, integendeel, hij was net begonnen.

‘Er is nog geen verslag van de Technische Recherche, niet van de dokter of van de schouwarts, maar wij moeten op stel en sprong onze bevindingen inleveren. Ik begrijp dat niet. Jij?’

Hij keek Vledder vragend aan, maar die hoefde geen antwoord te geven, omdat op dat moment de telefoon op het bureau van De Cock begon te rinkelen. De Cock nam op, luisterde even en legde de hoorn weer terug.

‘Maar ik kan dat de commissaris nu zelf gaan vragen,’ zei hij terwijl hij zich uit zijn stoel hees. ‘Denk jij nog aan dat nummerbord van die Porsche?’

‘Ik kan om negen uur bellen.’

De Cock knikte en slofte de recherchekamer uit.


Commissaris Buitendam zat achter zijn bureau en bekeek de foto’s die voor hem lagen. Het waren foto’s van Cindy de Vries die Bram van Wielingen de dag daarvoor had gemaakt.

‘Ken jij dit meisje?’

De Cock knikte.

‘Is dit hetzelfde meisje dat hier een nacht in de cel heeft doorgebracht?’

‘En dat ik tegen mijn zin heb moeten laten gaan,’ bromde De Cock.

Buitendam keek op van de foto’s.

‘Ik had het vermoeden dat haar iets kon overkomen.’ De Cock liet een dramatische stilte vallen. ‘En dat is nu gebeurd,’ vervolgde hij.

Commissaris Buitendam hield de blik van De Cock nog even vast. Toen veegde hij de foto’s bij elkaar en stopte ze in de map die erbij lag. Hij stond op en liep om het bureau heen.

‘Een meisje dat zonder gegronde reden een nacht door de politie wordt vastgezet en de volgende dag zelfmoord pleegt is geen goede reclame,’ sprak hij zacht. De Cock wilde verontwaardigd protesteren, maar de commissaris hief zijn hand, hij was nog niet uitgesproken. ‘Als de pers daar lucht van krijgt, kan dit muisje nog een heel vervelend staartje krijgen. En niet alleen voor mij!’ Hij liet de laatste woorden dreigend hangen.

‘Er is een verband tussen Wim de Jongh, professor Van Deijssel en Cindy de Vries. Binnen drie dagen twee zelfmoorden en een noodlottig ongeval. Met alle respect, meneer, maar dat kan geen toeval zijn.’

Buitendam had weer achter zijn bureau plaatsgenomen.

‘Het was mij al duidelijk, De Cock, dat jij in deze gebeurtenissen een verband ziet. Maar dat is niet langer relevant, want het is onze zaak niet. Niet meer. Bovendien blijft het de vraag of dat meisje zich ook van het leven had beroofd als jij haar die nacht niet had opgesloten.’ Hij zuchtte diep. ‘Het spijt me, maar ik moet je vragen verlof op te nemen.’

De mond van De Cock zakte open.

‘Meld je desnoods ziek. Maar ik wil je hier voorlopig niet zien. O, en mocht je je aan dit dringende verzoek onttrekken, dan zal ik je moeten schorsen.’

De Cock draaide zich zonder iets te zeggen om en nam twee grote passen richting de zware eikenhouten deur.

‘En je weet wat dat betekent, Jurre, op jouw leeftijd. Dat betekent pensioen. Dan vlieg je eruit!’


De Cock kon het niet opbrengen om meteen weer terug te gaan naar de recherchekamer. Hij had behoefte aan frisse lucht. Aan een kop sterke koffie, liefst met een flinke bel cognac ernaast. Maar dat laatste leek hem niet verstandig op dit uur van de dag. Op de Wallen had het leven zijn normale gang genomen. Ramen werden gelapt en stoepen geschrobd. Met emmers water werden de zonden van de nacht weggespoeld. Smalle Lowietje had de deur van zijn kroeg net opengegooid en was bezig met het bevoorraden van zijn koelkasten onder de toog.

‘Je bent vroeg, De Cock.’

De oude rechercheur nam plaats aan de bar.

‘Je kon die Smalle zeker niet missen!’ zei de oude prostituee naast wie De Cock had plaatsgenomen. Ze lachte schor en keek hem vriendelijk aan. Ze had ooit een lief gezicht gehad, waarin het leven harde lijnen had geëtst. Ze was al een end boven de vijftig, maar had nog dagelijks haar vaste klantjes.

‘Het is de koffie van Lowie. Als je die gedronken hebt, verlang je vanzelf naar de automatenkoffie van het bureau.’

‘Klachten in het klachtenboek,’ bromde Lowie en hij zette een kop koffie neer voor De Cock. De oude rechercheur liet twee klontjes suiker in het kopje glijden en roerde traag met zijn lepeltje door het bruine bocht.

‘Zit het er weer op, Leentje?’ vroeg hij aan zijn buurvrouw.

‘Schei uit, ik moet nog beginnen. Ik werk tegenwoordig liever overdag. Die nieuwe meiden uit Oost-Europa maken ’s nachts de dienst uit. Van mij mogen ze.’ Ze dronk haar kelkje leeg en gebaarde naar Lowie, die de jeneverfles tevoorschijn toverde en haar nog eens inschonk.

‘Wordt het dan niet eens tijd dat je ermee stopt?’ vroeg De Cock.

De vrouw keek hem aan of hij gek geworden was en liet haar schorre lachje weer horen. ‘Betaal jij mijn huur dan, De Cock? Ik heb geen pensioen, jongen. Jij kan stoppen, en als je verstandig bent doe je dat ook.’ Ze nam een slokje en smakte genietend met haar vuurrood gestifte lippen.

‘Waarom vind je dat?’ wilde De Cock weten.

‘Dat zie ik aan je,’ sprak ze eenvoudig en ze sloeg de rest van de jenever in één keer achterover. ‘Je zit aan het einde. Dat staat op je smoeltje geschreven.’

Ze haalde liefdevol haar hand over zijn gezicht.


Terug op het bureau was het nieuws al tot Vledder doorgedrongen.

‘Buitendam heeft mij gevraagd om voorlopig jouw taken over te nemen, omdat je…’ hier aarzelde hij, ‘ziek bent?’

‘Doodziek,’ bevestigde zijn superieur met kalme stelligheid.

‘Van de situatie zeker!’

De Cock knikte en begon zijn bureau leeg te ruimen. ‘En als ik niet een paar dagen ziek thuis blijf zitten, word ik geschorst. Einde oefening.’

Vledder liet dat even tot zich doordringen, toen keek hij de oude speurder geschokt aan.

‘Ben je nog geïnteresseerd in de eigenaar van die Porsche of denk je: laat maar zitten?’

De Cock hield vragend zijn hand op en Vledder legde er een gele post-it in waarop een naam geschreven stond.

‘Jaap Verduin, Egelantiersstraat 53,’ voegde hij eraan toe. ‘Ga je er nog achteraan? Denk je dat dat verstandig is?’

De Cock ging voor het raam staan en liet Vledder zijn brede rug zien.

‘Ik weet het niet, Dick, ik weet niet wat verstandig is. Moet ik doorgaan met wat ik juist vind, of moet ik mij neerleggen bij een nederlaag?’

Het bleef even stil. Dick Vledder zocht naar een antwoord, maar hij vond het niet.

‘Ik kan je hier niet bij helpen.’

De Cock draaide zich om naar zijn jonge vriend.

‘Dat weet ik, Dick, ik moet hier zelf een beslissing in nemen. Jij hebt me al genoeg geholpen, echt.’

Een ringtone schalde door de ruimte.

‘Dat is jouw mobiel,’ zei Vledder en hij wees op de oude regenjas aan de kapstok.

De Cock viste het mobieltje uit een van zijn zakken en zette het aan zijn oor.

‘Ja?’ Hij luisterde gespannen. ‘Blijf daar. Ik kom er nu aan.’

Langzaam zakte zijn hand met daarin het mobieltje van zijn oor naar beneden.

‘Wie was dat?’ wilde Vledder weten.

‘Mijn vrouw,’ antwoordde De Cock ietwat ontredderd. ‘Iemand heeft een baksteen door onze ramen gesmeten!’

Загрузка...