Hij trof zijn vrouw aan in de voorkamer, waar ze bezig was de duizend-en-één stukjes glas bijeen te rapen. Ze wees op zijn lievelingsstoel. De stoel waarin hij ’s avonds zijn krant las en met een goed glas cognac de zorgen van de dag wegspoelde.
‘Daar zou ik voorlopig niet in gaan zitten. Het glas ligt werkelijk overal.’
Een buurman was zo vriendelijk geweest om een groot stuk karton tegen de binnenkant van het raam te plakken, zodat wind en regen geen greep konden krijgen op het interieur van hun huis.
Mevrouw De Cock kwam met een lichte kreun overeind en veegde met een stoffer de glasscherven van het blik in een kartonnen doos.
‘Heb je al een glaszetter gebeld?’
Haar man keek om zich heen. ‘Ik zal hem zo bellen. Ik wilde eerst zelf kijken wat er is gebeurd. Was je thuis?’ voegde hij er bezorgd aan toe.
‘Ik was boodschappen doen. Ik moet er niet aan denken wat er was gebeurd als ik in de kamer was geweest.’
De Cock drukte een kus op haar wang en lachte haar bemoedigend toe.
‘En ik was maar een halfuurtje weg, dus het had zo gekund.’
‘Is dat die steen?’ De Cock wees op een kei die halverwege de kamer op een krant lag. ‘Heb je hem op die plek gevonden?’
‘Ik heb er alleen een krantje onder gelegd,’ verontschuldigde mevrouw De Cock zich.
De Cock schatte de afstand tussen de kei en het raam. Wie die steen ook had gegooid, hij moest een behoorlijke kracht hebben gehad. Mevrouw De Cock schudde haar hoofd en ging weer verder met scherven rapen.
‘Je begrijpt die opgeschoten jongens toch niet!’ Ze zakte voorzichtig door haar knieën.
De Cock pakte de kei op en bekeek hem peinzend. Het was geen baksteen, zoals zijn vrouw door de telefoon had gezegd, en ook geen klinker, waar de grachten mee waren bestraat. Het was zo’n vierkante steen die ook wel kinderkopje wordt genoemd. De Cock tuitte zijn lippen en staarde in de verte.
‘Wat sta je te denken?’
De Cock keek zijn vrouw aan. ‘Ik vraag me af waar deze steen vandaan komt.’
‘Hè, Jurre, wat maakt dat nou uit. Bel liever die glaszetter.’ Ze plukte een klein scherfje glas uit het tapijt en keek ontmoedigd om zich heen. ‘Er is geen beginnen aan.’
De Cock had er geen oog voor. Hij zat met zijn gedachten heel ergens anders.
‘Als je een baksteen vindt, of je wrikt een steen los uit de straat,’ sprak hij meer voor zichzelf dan voor iemand anders, ‘dan kan ik me voorstellen, zij het met veel moeite, dat een kwajongen hem door de ruit gooit.’
‘Nou, ik niet!’ verklaarde zijn vrouw opstandig.
‘Dan heb je pech als het toevallig jouw ruit is,’ vervolgde haar echtgenoot. ‘Maar deze steen, dit kinderkopje, komt in onze buurt niet voor. Die is meegenomen en daarna door de ruit gegooid. Is dat dan nog toeval, of is dat opzet?’
Zijn vrouw kwam weer overeind.
‘Denk je echt dat iemand opzettelijk die steen door onze ruit heeft gegooid?’
‘Ik ben bang van wel,’ beaamde De Cock.
‘Waarom zou iemand dat doen?’
De Cock duwde zijn onderlip naar voren en keek haar aan. Hij herhaalde haar vraag.
‘Waarom zou iemand dat doen? Om mij te waarschuwen, ben ik bang.’
‘Jou? Waarvoor?’
‘Voor de gevolgen van mijn onderzoek. Iemand wil wel heel graag dat ik daarmee stop!’
De Cock en zijn vrouw zaten aan de eettafel in de achterkamer. Voor was een glaszetter in de weer die niet alleen een nieuwe ruit inzette, maar ook apparatuur bij zich had waarmee hij de scherven van de gebroken ruit zorgvuldig kon verwijderen.
Mevrouw De Cock had boterhammen gesmeerd en thee gezet. Ondertussen had haar man haar verteld over het onderzoek waarin hij verzeild was geraakt.
‘Dus het begon allemaal met Wim de Jongh,’ concludeerde zij.
‘Ja,’ beaamde haar man, ‘al wist ik toen nog niet waar dat op uit zou draaien. Het gaat in deze zaak om reputaties, maar blijkbaar ook om heel veel geld. En iemand doet enorm zijn best om mij erbuiten te houden.’ Hij nam een slok uit zijn kopje en verbrandde bijna zijn mond aan de hete thee.
‘Heet?’ vroeg zijn vrouw enigszins overbodig. De Cock knikte en zette het kopje weer op tafel.
‘Jurre?’
‘Ja?’
‘Is het ook niet verstandig?’
De Cock wist wat er komen ging, maar toch vroeg hij: ‘Wat, lieverd?’
‘Om te stoppen met dit onderzoek?’
‘Zeker.’ Hij duwde zijn bril een stukje omhoog en wreef met zijn hand over zijn vermoeide ogen. ‘Zeker,’ herhaalde hij, ‘maar dat kan ik niet. Zeker nu niet meer.’
‘Maar als het waar is wat je zegt, heeft iemand opzettelijk een steen door onze ruit gegooid! Als een waarschuwing. Als je die waarschuwing in de wind slaat gebeuren er misschien echt erge dingen!’ Zonder het te willen had mevrouw De Cock met stemverheffing tegen haar man gesproken. In de voorkamer begon de glaszetter hardop te neuriën.
De Cock zuchtte en reikte over tafel naar de handen van zijn vrouw.
‘Ik kom steeds dichter bij de oplossing. Misschien kom ik wel te dichtbij en levert dat gevaar op. Maar ik kan hier niet mee ophouden. Dat weet je, daar ken je me te goed voor.’
Dat laatste was waar. Mevrouw De Cock was er in de jaren van de lange carrière van haar man aan gewend geraakt dat hij gevaar liep. Een verdwaald schot, een wraakzuchtige crimineel, een uit de hand gelopen ruzie. Maar nog nooit was de dreiging zo dichtbij geweest als nu. Ze keek naar de voorkamer waar de glaszetter bezig was de nieuwe ruit met stopverf in de sponning van het raamkozijn vast te zetten.
‘Ik weet het niet, Jurre.’ Ze voelde zich verward.
‘Dat begrijp ik. Maar ik voel een verplichting naar Wim de Jongh.’
‘Je hebt ook een verplichting naar mij,’ sprak ze eenvoudig.
‘Dat bovenal,’ bevestigde hij. Hij drukte een kus op haar hand en liet haar los. Toen stond hij op en drentelde even de kamer rond. Het moeilijkste kwam nu.
‘Ik wil dat je een paar dagen naar je zuster gaat.’
Het had De Cock enige overtuigingskracht gekost, want zijn vrouw was in eerste instantie absoluut niet van plan geweest haar man te verlaten.
‘Het lijkt misschien ouderwets, maar een vrouw hoort naast haar man, wat er ook gebeurt!’
‘Het is niet alleen ouderwets, maar ook onverstandig,’ had hij haar geantwoord. Hij vond dat zij geen last mocht hebben van de risico’s die nu eenmaal kleefden aan zijn beroep.
Ze had tegengestribbeld maar haar man had van geen wijken willen weten. Uiteindelijk was ze gezwicht en had ze haar zuster gebeld.
De volgende ochtend stond ze met een koffer op het stoepje voor hun huis en wachtte met haar man op de taxi.
‘Je hebt een harde, dwarse kop, Jurriaan De Cock,’ sprak ze vermanend.
‘Dat moet mijn afkomst zijn,’ verontschuldigde hij zich, ‘Urker mensen zijn zo.’
De taxi stopte voor het huis. Mevrouw De Cock pakte de revers van zijn colbertje en drukte een kus op zijn lippen.
‘Wees voorzichtig, neem geen onverantwoorde risico’s. Je hebt ook een verplichting naar jezelf!’
De Cock sloot zijn ogen en knikte. ‘Ik beloof het.’
Mevrouw De Cock stapte in de taxi en riep, voor ze de deur dichtsloeg: ‘En bellen! Iedere avond bellen!’
De taxi scheurde weg. De Cock zwaaide zijn vrouw na en keek toen om zich heen. Dit was de plek waar hij al zoveel jaren woonde en die hem zo vertrouwd was. De huizen, de bomen, de mensen die groetend hun hand naar hem opstaken als ze langsliepen. Iemand hield hem in de gaten, hier op deze plek die hij als zijn privédomein beschouwde. Hij gruwde bij het idee.
De Cock trof dokter Den Koninghe op een bankje aan de Herenmarkt, een klein pleintje aan weerskanten omzoomd door huizen, dat aan de voorkant grensde aan de Brouwersgracht en aan de achterkant werd gescheiden van de Haarlemmerstraat door het historische West-Indisch Huis.
Op een bankje bij de speeltoestellen in het midden van het pleintje zaten wat jonge moeders met elkaar te praten terwijl ze ondertussen hun mobiele telefoons raadpleegden. In de klimrekken hingen hun kinderen.
Een tijdje zaten de twee mannen zwijgend op het bankje. De Cock had in de zak van zijn regenjas een in papier verpakt koffiekoekje gevonden, dat hij verkruimelde voor de duiven die rond hun voeten scharrelden.
‘Is dit ons voorland?’ verzuchtte de dokter uiteindelijk.
‘Als we tijd van leven hebben,’ antwoordde De Cock.
‘Dan mag jij wel oppassen!’ De dokter keek zijn oude strijdmakker over zijn brilletje scherp aan.
‘Bedankt dat je wilde komen. Zoals je weet heeft Buitendam mij ziek gemeld, maar ondanks mijn blijkbaar deplorabele gezondheid ben ik toch heel nieuwsgierig naar het autopsierapport van Cindy de Vries.’
‘Altijd treurig, zo’n jonge vrouw, een bloem in de knop gebroken.’
De Cock knikte bedachtzaam. ‘Maar geen twijfel over de doodsoorzaak, toch?’
‘Nee, dat was inderdaad een overdosis, zoals de gevonden injectiespuit al suggereerde. In haar bloed zijn sporen van heroïne gevonden. En in zo’n hoge concentratie dat zelfs een paard tegen de vlakte was gegaan.’ Het was weer even stil. Midden op het pleintje struikelde een klein jongetje over zijn eigen benen.
‘Jij hebt haar de nacht ervoor vastgezet, begrijp ik.’
‘Ja,’ antwoordde De Cock, ‘maar ik heb er meer spijt van dat ik haar moest laten gaan.’
Het geluid van een huilend kind waaide over het plein. Een van de moeders op het bankje verderop was opgestaan en had het kind liefdevol van de grond opgepakt. Ze kuste het plekje op zijn hoofd waar het jongetje zich blijkbaar had gestoten.
‘Cindy de Vries was sowieso niet heel oud geworden,’ hernam de dokter.
De Cock keek hem verbaasd aan.
‘Niet?’
‘Nee. Autopsie wees uit dat ze een defect aan haar hartklep had. In combinatie met haar drugsgebruik was haar dat vroeger of later fataal geworden.’
‘Niet echt een troost,’ vond De Cock. ‘Heb jij het dossier van Van Deijssel nog ingezien voor het naar Zoetermeer moest?’
Den Koninghe liet een kort lachje horen. ‘Jij zei het zo treffend: sic transit gloria mundi! De grote professor! Van het trappetje gevallen, verkeerd terechtgekomen en overleden. Meer kan ik er niet van maken. Het was een ongeluk, De Cock, dit soort dingen gebeuren. De meeste dodelijke ongelukken gebeuren thuis, dat is een bewezen feit.’
De Cock zuchtte en wilde opstaan.
‘Het enige was…’ de dokter aarzelde en De Cock ging weer zitten.
‘Ja?’
‘Nou ja, het enige opmerkelijke was dat hij al een paar dagen dood was. Waarschijnlijk is hij vrijdagmiddag van die trap gevallen en maandagochtend pas ontdekt.’
‘En niemand die hem had gemist?’
‘Misschien had hij niemand. We zijn niet allemaal zo bevoorrecht als jij, De Cock.’
De rechercheur bracht zijn hand naar zijn mond, bewoog met duim en wijsvinger over zijn lippen en dacht even na. Vrijdagmiddag. Dat was dus voor Wim de Jongh dood werd aangetroffen. Veranderde dat iets aan de situatie? Hij keek op uit zijn overpeinzing om Den Koninghe te bedanken, maar de dokter was al opgestaan.
‘Overdrijf het niet, De Cock, ik zou het heel vervelend vinden om jouw lichaam te moeten onderzoeken.’
De Cock grinnikte en stak zijn hand op. Den Koninghe draaide zich om en verdween richting Haarlemmerstraat.
De Cock vond dat hij niet erg opgeschoten was. Even overwoog hij zijn jonge collega Vledder op te bellen, maar hij zag ervan af. Hij wilde hem niet te veel belasten met zijn eigen problemen. Hij besloot naar de Egelantiersstraat te wandelen en de man van de Porsche, Jaap Verduin, op te zoeken.
Het bewolkte weer van de afgelopen dagen had plaatsgemaakt voor fris lenteweer. De bomen langs de gracht begonnen aan een nieuwe groene tooi en de hele binnenstad was vervuld van een redeloos optimisme. De Cock hield van de jaargetijden en de wijze waarop Amsterdam met elk jaargetijde mee veranderde en toch zichzelf bleef. Hij sjokte de Prinsengracht af en genoot van de wandeling. Het verdreef voor even de sombere gedachten waar hij de afgelopen vierentwintig uur last van had gehad.
De Egelantiersstraat was een smalle straat aan de rand van de Jordaan. De meeste vervallen arbeiderswoningen waren vervangen door nieuwbouw waarin klaarblijkelijk jonge gezinnetjes woonden. De Cock struikelde bijna over de fietsen en fietsjes, om over de bakfietsen waarin de kinderen tegenwoordig werden vervoerd nog maar te zwijgen. Maar tussen al die twee- en driewielers was geen Porsche te zien.
Nummer 53 was nog een oud pandje, maar wel goed onderhouden. De verf op de deur en de kozijnen was niet lang geleden aangebracht.
De Cock ontdekte geen naamplaatje, wel een briefje naast de bel: Bel is stuk. Hij bonkte met zijn vuist op de deur en wachtte tot deze werd opengedaan door een jongensachtige, joviaal ogende man.
‘Jaap Verduin?’ vroeg De Cock.
‘Dezelfde,’ antwoordde de man met een glimlach om zijn mond.
‘De Cock, met ceeooceekaa, recherche. Mag ik even binnenkomen?’
De glimlach was verdwenen.
De Cock volgde de jongeman door een nauw gangetje, waarin het rook naar verf en terpentine, dat leidde naar een verrassend lichte en ruime kamer. Nadere bestudering leerde dat de muren waren uitgebroken en de bewoner van het huis één ruimte had gemaakt. Tegen de achtergevel was een glazen serre geplaatst die uitliep in een klein tuintje.
‘Dit is mijn atelier,’ verklaarde Verduin.
‘U bent kunstschilder,’ concludeerde De Cock verbaasd.
‘Gediplomeerd en wel.’ Verduin liep naar de serre en stelde zich op naast een schildersezel waarop een doek stond dat voor het grootste deel blauw was geschilderd. Zijn oude jeans zat onder de verfvlekken en datzelfde gold voor zijn T-shirt.
Hoe is het mogelijk, dacht De Cock, kunstschilder!
‘Mag ik vragen wat u hier komt doen?’
‘Natuurlijk. Neemt u mij niet kwalijk,’ verontschuldigde De Cock zich. ‘Ik ben hier in verband met Cindy de Vries.’
‘Ah! Cindy de Vries!’ Jaap Verduin sloeg zijn handen tegen elkaar. ‘Zit ze weer eens in de shit?’ Hij keek de oude rechercheur vragend aan.
De Cock schraapte zijn keel. ‘Dat kunt u wel stellen, ja. Ze… ze is dood.’
Verduin zei niets, hij bleef De Cock aankijken, maar in zijn ogen verscheen een doffe blik.
‘U lijkt niet erg verbaasd,’ zei De Cock met zachte stem.
‘Nee. Verbazen doet het mij niet. Niet echt. Maar ik vind het wel…’ hij zocht naar het juiste woord, ‘wel… verschrikkelijk. Hoe…?’
‘Een overdosis.’
‘Ja… ja natuurlijk.’ Hij haalde zijn neus op en keek even naar het blauwgeschilderde doek.
‘U wist dat ze drugs gebruikte?’
Er ontsnapte de schilder een korte lach. ‘Dat mag u wel zeggen, ja. Het was de oorzaak van het einde van onze relatie!’ Hij schudde zijn hoofd even hevig heen en weer en slaakte een diepe zucht.
‘Koffie?’ Hij keek De Cock weer met open vizier aan.
‘Graag.’
Verduin liep naar de andere kant van de ruimte, waar zich een los aanrecht bevond. Blijkbaar had daar ooit de keuken gezeten. Op het aanrecht stond, tussen potten met kwasten en tubes verf, een glanzend espressoapparaat.
De Cock aarzelde even, maar vroeg toen toch: ‘Is dat espresso?’
‘Ja, lekker.’ Verduin sloeg de koffiehouder leeg in een houten bakje dat naast het apparaat stond.
‘Mag het misschien niet zo sterk?’ De Cock ging in gedachten terug naar het kopje koffie dat de vrouw van Wim de Jongh hem ingeschonken had. Jaap Verduin moest lachen. Hij had zijn bravoure weer terug.
‘Ik maak een Americano voor u.’
‘Pardon?’
‘Een espresso met dubbel water.’
‘Heel graag.’
Terwijl de kunstschilder in de weer ging met de koffie keek De Cock rond in het atelier. De ruimte was spartaans ingericht. De muren waren witgestuukt en slechts hier en daar behangen met een affiche. Er stond een tafel in het midden met nog meer potten en uitgeknepen tubes. Bij die tafel stond een enkele stoel. Het blauwe doek in de serre was het enige schilderij in de ruimte.
‘Waren het pillen?’ klonk het vanaf het aanrecht.
‘Pillen?’ kaatste De Cock terug.
‘Die overdosis, waren het pillen?’
‘Slikte ze die dan?’
‘Soms. Meestal was het coke. Maar ik kan me niet voorstellen dat je je neus zo vol kunt stoppen dat je eraan doodgaat.’
De Cock ergerde zich licht aan het populistische taalgebruik. Het hoorde blijkbaar bij het jongensachtige, ongebonden imago dat Jaap Verduin graag wilde uitstralen.
‘Je kunt het ook roken, of spuiten.’
‘Spuiten? Vergeet het maar,’ riep Verduin boven het razende espressoapparaat uit.
‘Ze was bijna hysterisch met haar lichaam bezig. Zo is die hele drugsshit ook begonnen. Ze ontdekte dat ze lekker snel kon afvallen op speed en dan is het een kleine stap naar cocaïne.’ Het espressoapparaat had zijn werk gedaan en Verduin kwam met een kopje naar De Cock.
‘Maar ze spoot niet,’ concludeerde deze.
‘Nooit. Ze wilde niet eindigen als een tandeloze junk achter een gestolen boodschappenwagentje. Dat waren haar eigen woorden.’