De Cock had de gordijnen gesloten, de lampen aan gedaan en zelfs de dikke witte kaars op de keukentafel aangestoken, maar het wilde niet gezellig worden in huize De Cock. Hij miste de hand van zijn vrouw, het ogenschijnlijk moeiteloze vermogen om van hun huis een warm thuis te maken. De Cock had zijn colbertje vervangen door een gerieflijke trui. Hij had zijn knellende schoenen met een zucht van opluchting uitgetrokken en was in zijn comfortabele sloffen geschoten. Hij had zich een goed glas ingeschonken. Maar nog steeds miste er iets.
Omdat er toch ook gegeten moest worden, had hij voor het eerst in zijn leven een pizza besteld. Terwijl hij op zijn bestelling wachtte, belde hij met zijn vrouw om haar te verzekeren dat het goed met hem ging. Hij was niet bedreigd of beschoten en hij kon zich thuis ook heel goed redden. Dat laatste was enigszins bezijden de waarheid, maar hij wilde haar niet ongerust maken. Toen de deurbel ging beloofde hij zijn vrouw morgen weer te bellen en brak hij het gesprek af. Terwijl hij naar de deur liep, haalde hij zijn portemonnee tevoorschijn. Maar toen hij de deur openzwaaide stond er geen pizzakoerier op de stoep. Het was Dick Vledder!
Vledder en De Cock hadden plaatsgenomen aan de keukentafel.
De Cock had zijn glas nog eens bijgevuld en voor zijn jonge vriend had hij een biertje ingeschonken.
‘Weet Buitendam dat je hier bent?’ informeerde De Cock luchtig.
VLedder nam een slok bier en likte vergenoegd het witte schuim van zijn lippen.
‘Dan had ik nu ook met ziekteverlof gekund! Maar serieus, De Cock, hij is bezorgd en ik ben dat ook. Er spelen in deze zaak hogere machten mee, machten waar wij geen invloed op hebben. En die volgens Buitendam zonder aanzien des persoons zullen handelen.’
‘Maar wie zijn die machten dan?’ wilde De Cock weten. ‘Gerrit Beumer?’
‘Gerrit wie?’
Op dat moment ging de bel.
‘Verwacht jij iemand?’ vroeg Vledder verontrust. Hij stond op en wilde De Cock voorgaan naar de buitendeur. De Cock protesteerde.
‘Dick! We spelen niet in een film! D’r staat geen lid van de maffia op de stoep. Hoogstens een Italiaan.’
De jonge rechercheur keek zijn baas vragend aan.
‘De pizzabezorger!’
De Cock liep naar de voordeur en daar stond een jongen die hem in ruil voor een paar euro een platte doos overhandigde.
In de keuken maakte De Cock de doos open en de ronde pizza gorgonzola lachte hem tegemoet. Met een mes, dat niet al te scherp leek, deed de oude rechercheur verwoede pogingen de pizza om te brengen. Vledder kon het niet aanzien.
‘Laat mij maar. Heb je een schaar?’
De Cock keek hulpeloos om zich heen. ‘Vast wel. Ergens…’
Hij trok een keukenlaatje open en zag meteen een schaar liggen.
‘Ik wist het wel! Hier.’ Hij overhandigde triomfantelijk de schaar. Vledder nam de pizza uit de doos en knipte die, tot verwondering van De Cock, in hapklare punten.
‘Eet smakelijk!’
De Cock nam een punt uit de doos en beet erin.
‘Neem jij alsjeblieft ook een punt, want eigenlijk hou ik er niet zo van,’ sprak hij met volle mond.
Vledder viel gretig aan.
Toen de resten van de ‘maaltijd’ waren opgeruimd en De Cock nog een biertje had ingeschonken, kwam Vledder tot de reden van zijn bezoek.
‘Ik hoorde van Buitendam dat je vandaag weer op de kit was.’
‘Dat kan ik niet ontkennen.’ De Cock walste een laagje cognac door het diepbolle glas.
‘Hij is echt bezorgd, De Cock. Ik weet niet wat er allemaal speelt, maar hij is gewoon bang voor jouw gezondheid.’
‘Dat is mooi van hem.’ De Cock snoof verlekkerd de geur van de cognac op en bracht het glas naar zijn lippen.
‘Hij meent het,’ drong Vledder serieus aan. ‘Hij zegt dat er krachten werkzaam zijn waar zelfs jij niet tegenop kunt. Waar gaat dit nog over, waar jaag je achteraan?’
De Cock stak vermanend een vinger in de lucht. ‘Eén vraag tegelijk, Dick.’
Hij nam een slokje van zijn cognac en liet het kostbare vocht genietend over zijn tong rollen. Hij sloot even de ogen, opende ze weer en keek zijn bezorgde vriend aan met een scherpe blik.
‘Ik onderzoek de dood van Wim de Jongh. Wat ik niet kon voorzien, was dat er in korte tijd nog twee doden zouden vallen, en alle drie hadden ze op een bepaalde manier een relatie met elkaar.’
‘Misschien kun je bewijzen dat er een relatie is tussen die drie,’ gaf Vledder toe, ‘maar je hebt hun zelfmoord niet kunnen uitsluiten.’
‘Tot vandaag. Dat is ook de reden waarom ik bij Buitendam zat.’
Het was even stil in de kamer. Vledder liet de opmerking van zijn oude collega diep binnendringen.
‘Wat weet jij dat ik niet weet?’
‘Als we ons alleen beperken tot deze zaak,’ merkte De Cock ironisch op, ‘dan kunnen we uitsluiten dat Cindy de Vries zichzelf door een overdosis van het leven heeft beroofd.’
‘De Cock! De spuit lag nota bene naast haar op de grond.’
‘Ze spoot niet. Nooit. En op haar lichaam zijn verder ook geen naaldsporen aangetroffen.’
‘Hoe kun je dat zo zeker weten?’
‘Ik heb het van haar vriend gehoord. De kunstschilder Jaap Verduin, die meer dan twee jaar zijn leven met haar heeft gedeeld.’
‘Het mannetje van de Porsche.’
De Cock knikte en nipte nog eens van zijn cognac. Vledder ademde diep uit en het vlammetje van de kaars flakkerde door de verstoorde luchtstroom.
‘Is dat wettig en overtuigend, zoals er in de wet staat?’
De Cock trok een diepe rimpel in zijn voorhoofd.
‘Het is overtuigend genoeg om grondiger onderzoek te doen naar de dood van de andere twee. En er moet ook wel iets aan de hand zijn, want er is iemand die zijn uiterste best doet om mij van het onderzoek af te houden. Die hier stenen door de ruiten gooit. Waarom zou de Nationale Recherche zich ermee bemoeien als er niets aan de hand is?’
‘Maar wat is het motief?’
‘Goeie vraag.’ Maar De Cock had geen antwoord. Nog niet.
‘Heeft de Nationale Recherche die steen soms door je ruiten gegooid?’
‘En dat is een heel goeie vraag,’ sprak de grijze rechercheur bewonderend.
De mannen dronken in stilte van hun drankje. Er hing iets onuitgesprokens in de lucht.
De oude rechercheur en zijn jonge collega beseften de onmogelijkheid van de situatie waarin De Cock zich bevond. De jonge Vledder verbrak de ban.
‘Ik ben het met Buitendam eens: dit is te groot voor jou, De Cock.’
‘Dat is de vraag.’
‘Nee! De vraag is hoeveel doden er nog moeten vallen!’
De Cock keek verrast op door de felle reactie maar zei niets. Vledder zag het als een aanmoediging.
‘Als het waar is wat jij beweert: dat De Jongh en Van Deijssel en dat meisje Cindy zijn vermoord, wanneer ben jij dan aan de beurt!’
De Cock bracht zijn hand naar zijn gezicht en wreef over zijn brede kaken.
‘Mij zullen ze niet zo snel vermoorden, Dick. Als ik dood word aangetroffen krijgen ze heel Nederland over zich heen.’
‘Tenzij je zelfmoord hebt gepleegd!’ antwoordde Vledder met dodelijke logica.
De Cock zette zijn glas op de keukentafel en stond op. Hij liep naar de kamer en ging voor het grote raam staan, waar gistermiddag nog een steen doorheen gevlogen was. Hij tuurde de donkere avond in en dacht even aan zijn vrouw. Toen liep hij terug naar de keuken en richtte hij zich tot Vledder, die somber in zijn biertje staarde.
‘Als ik dood word aangetroffen omdat ik zelfmoord heb gepleegd, of omdat mij een ongeval is overkomen, dan weet jij dat het niet zo is. Dat er van toeval geen sprake is.’
Vledder blikte geëmotioneerd naar De Cock en nam snel een slok van zijn bier.
‘Dan ligt deze zaak in jouw handen, Dick.’
De Cock begeleidde zijn jonge vriend naar de voordeur. Ze hadden niet veel meer gezegd. Ze hadden hun glas opgedronken en nog wat nietszeggende woorden gewisseld.
‘O! Stom!’ Vledder sloeg zich met de vlakke hand tegen het voorhoofd. ‘Dat had ik je nog willen vertellen!’
‘Wat?’
‘Ik heb dat kenteken van die Porsche nog even verder nagetrokken. De dagwaarde van dat karretje, en dat is misschien wel interessant, was vandaag 54.158 euro. Niet gek, hè.’
De Cock trok aan het puntje van zijn neus. ‘Dat is zeker niet gek…’
Vledder deed de deur open en de frisse lucht stroomde het halletje in. Het was stil op straat. In de verte startte een auto. Vledder ademde de late avondlucht diep in.
‘Lekker! Ik kan niet wachten op de zomer.’ Vledder stapte naar buiten.
De Cock sloeg hem goedmoedig op de schouder.
‘Bedankt voor je komst.’
Vanuit zijn ooghoek zag De Cock een auto met hoge snelheid naderbij komen.
Vledder draaide zich nog even glimlachend om, alvorens met een groet het stoepje af te stappen. De Cock zag de auto bijsturen richting het trottoir. Tot zijn verbijstering zag hij hem recht op Vledder af rijden die met zijn rug naar de aanstormende auto stond!
‘Dick!!’
De Cock greep de jonge rechercheur met twee handen bij zijn arm en trok hem terug het halletje in. De twee mannen tuimelden achterover, terwijl de auto met gierende banden het huis passeerde.
Hijgend lagen de mannen op de grond. Dick krabbelde snel overeind en trok zijn oude collega bij de hand omhoog. Kreunend en steunend kwam De Cock weer op beide voeten terecht.
‘Heb je je bezeerd?’ vroeg Vledder bezorgd.
De Cock schudde het hoofd en greep naar zijn pijnlijke rug. Vledder rende de straat op en keek in de richting waarin de auto was verdwenen. Toen draaide hij zich naar zijn collega, die een grimas trok en zijn rug rechtte.
‘Wat was dit?’
De Cock liep naar zijn vriend en pakte hem bij zijn armen.
‘Dit was “het”, Dick. “Het” dat mensen vermoordt en stenen door ruiten gooit. Luister, jongen, vergeet wat ik je vanavond heb gezegd. Vergeet dat je hier bent geweest. Jij bent nergens verantwoordelijk voor, wat ik je ook heb gezegd. Ook niet als ik dood gevonden word!’