2

Hij was maar een paar dagen weg geweest, maar toch was De Cock opgelucht toen hij het oude politiebureau aan de Warmoesstraat binnen liep. Jan Rozenbrand, de wachtcommandant, stond achter de balie over zijn papieren gebogen. Hij keek even op toen De Cock binnenkwam en gaf hem een snelle blik over zijn halve leesbrilletje dat op het puntje van zijn neus balanceerde.

‘Leuk gehad?’

De Cock tuitte zijn lippen.

‘Zeker. Maar ik vond het lang genoeg.’

Hij liep door naar de stenen trap die naar de tweede verdieping leidde.

‘Nog bedankt voor de ansichtkaart,’ riep Jan hem na. De Cock hield even in en sloeg met zijn vlakke hand tegen zijn voorhoofd. Daarna vervolgde hij met een vrolijk huppeltje zijn weg.

In de recherchekamer zat zijn assistent Dick Vledder al achter zijn computer. Zijn vingers dansten over de toetsen en zonder op te kijken van zijn werk groette hij zijn chef. De Cock nam zijn hoedje af en wierp het richting kapstok.

‘Raak,’ constateerde hij tevreden. Vledder liet zijn vingers rusten.

‘Leuk gehad?’

De Cock grinnikte.

‘Zeker. En het spijt me van de ansichtkaart.’

Vledder stopte met typen.

‘Welke ansichtkaart?’

‘Die ik niet gestuurd heb,’ sprak de grijze speurder eenvoudig. ‘Kun jij voor mij de gegevens van Wim de Jongh naar boven halen? De Jongh met jeeooengeehaa.’

De Cock stapte dwars door de recherchekamer tot bij het grote raam achter zijn bureau. Tevreden keek hij naar beneden, naar de Heintje Hoeksteeg. Het was vroeg, dus er waren nog niet veel mensen op straat. Maar die er liepen konden op zijn warme aandacht rekenen.


‘Ik heb zeven Wimmen de Jongh, naar wie ben je precies op zoek?’

De Cock zat achter zijn bureau gebogen over de achterstallige post en keek op naar de jonge rechercheur die met een aantal computeruitdraaien voor hem stond.

De Cock stak zijn onderlip naar voren.

‘Tussen de vijftig, vijfenvijftig jaar. Vastgezeten wegens illegale gokpraktijken en fraude.’

‘Ik weet genoeg,’ onderbrak Vledder hem. Hij trok een uitdraai uit het stapeltje en legde dat op het bureau. ‘Waarom ben je in hem geïnteresseerd?’

De Cock keek van het velletje papier naar zijn assistent.

‘Wim de Jongh heeft zich in de nacht van zaterdag op zondag uit een hotelraam geworpen.’

Vledder knikte begrijpend.

‘Van het hotel waar jullie logeerden.’

Het was zomaar een gok, maar De Cock reageerde bevestigend.

‘Heel juist geconcludeerd.’

Hij pakte de uitdraai op en bekeek de gegevens. ‘Ik had de middag daarvoor nog een glas met hem gedronken.’ Hij zuchtte. ‘Ik moest maar even bij de weduwe langs.’

Hij plantte zijn beide handen op het bureaublad en hees zichzelf omhoog. Vledder keek hem vragend aan, maar de Cock schudde zijn hoofd.

‘Dit is een privébezoek, Dick. Voorlopig,’ voegde hij er raadselachtig aan toe.


Het miezerde buiten. Het mooie weer van de afgelopen dagen was omgeslagen en wat lente moest voorstellen leek eerder op herfst. De Cock besloot de tram te nemen naar de Bloemgracht. Hij had er een hekel aan zich met dit weer in het drukke stadsverkeer te begeven, zeker nu zijn jonge assistent op het bureau was achtergebleven.

Hij trok zijn hoedje wat dieper over zijn ogen en wandelde naar het Centraal Station. Daar nam hij tram 17 tot aan de Westermarkt. Vanaf dat punt was het nog maar enkele minuten lopen naar de Bloemgracht. Op de brug over de Prinsengracht keek hij even van onder zijn hoedje omhoog naar de Westertoren.

Bloemgracht nummer 144 was een smal oud pandje dat zo te zien wel een likje verf kon gebruiken Galerie de Harmonie stond in elegante letters op het winkelraam geschilderd. De Cock kende het pandje wel. Vroeger had er een bakkerij in gezeten.

De Cock opende de winkeldeur en net als in de tijd van het oude bakkerswinkeltje rinkelde er een belletje. Hij betrad een smalle kale ruimte. De witte wanden waren voornamelijk behangen met grafiek en hier en daar hing een iets groter abstract olieverfschilderij. Achter in het zaakje, aan een mahoniehouten tafel, zat een elegante vrouw te telefoneren. Ze wuifde even met haar hand om aan te geven dat ze zijn binnenkomst had opgemerkt maar dat ze haar gesprek wilde afronden. De Cock bekeek ondertussen de kunst aan de muur. Een groot veelkleurig abstract werk was de blikvanger. Maar hij had er niet veel mee. Hij hield meer van kunst die hij kon begrijpen, zoals dat Bruidje in de morgen dat hij in de krant had gezien. Maar ja, dat kostte dan ook zestien miljoen!

‘Lana de Jongh.’

De Cock draaide zich om en keek in het knappe gelaat van een ingetogen vrouw van begin veertig. Klassieke gelaatstrekken omlijst door een explosie van bruine krullen.

‘De Cock, met ceeooceekaa,’ sprak hij en hij nam zijn hoedje af. ‘Ik ben van de recherche.’

‘Dat dacht ik al,’ glimlachte ze weemoedig.

De Cock trok zijn wenkbrauwen omhoog.

‘Ik wil u natuurlijk niet tekortdoen, maar u bent niet het soort klant dat hier gewoonlijk binnenkomt. U komt voor Wim.’

De Cock knikte kort. Lana wees naar de mahoniehouten tafel. ‘Koffie?’

‘Graag.’

De vrouw ging hem voor. De Cock constateerde dat niet alleen haar hoofd maar ook haar figuur de kwalificatie klassiek verdiende. Hij nam plaats aan de tafel en Lana ging in de weer met een espressoapparaat.

‘U bent op de hoogte gebracht?’

Lana blikte even over haar schouder. ‘Ze hebben me vanuit Den Haag gebeld.’

‘Gecondoleerd.’ De Cock keek haar aan, maar de vrouw leek niet erg aangedaan.

‘Heeft u zaterdag nog contact met hem gehad?’

Lana liet het espressoapparaat tot leven komen en draaide zich om.

‘Nee, eerlijk gezegd hadden we nog maar weinig contact de laatste tijd. En dan ging het ook nog alleen maar over de scheiding.’ Ze glimlachte droef. ‘Volgende week zouden de papieren worden getekend.’

Ze plukte het kopje onder het uitgeraasde apparaat vandaan en zette het op tafel. De Cock trok het kopje naar zich toe.

‘Was hij daar verdrietig over? Depressief?’

Lana schudde haar bruine krullen. ‘Ons huwelijk was op. Daar waren wij het allebei over eens. En van depressiviteit heb ik bij hem nooit iets gemerkt.’

Ze schoof een stoel naar achteren en ging bij De Cock aan de tafel zitten.

‘Wim… was een bijzondere man. Op zijn manier. Hij kon veel. Leerde snel. Hij was heel erg geïnteresseerd in de galerie, las er echt alles over. Hij kreeg werkelijk verstand van kunst.’

Ze haalde even diep adem. De Cock verlegde zijn aandacht naar het koffiekopje waarin een bodempje zwarte koffie zat. Hij zette het kopje aan zijn lippen en dronk het slokje op. Hij trok zijn gezicht in een grimas. Zulke sterke koffie had hij nog nooit gedronken. Een rilling trok langs zijn ruggengraat. Lana scheen het niet te merken.

‘Wim begon altijd met van alles, maar alles moest ook weer kapot.’ Ze keek de oude speurder in zijn ogen. ‘Een verhouding, een huwelijk, de galerie. Hij kon niet tegen harmonie.’

Onwillekeurig dwaalden de ogen van De Cock naar de winkelruit waarop in spiegelschrift de naam van de galerie te lezen stond. ‘Harmonie.’

‘Ja, ironisch, vindt u niet? Wilt u nog een kopje koffie?’

De Cock keek snel terug en stak een hand omhoog. ‘Nee. Nee nee, dank u wel,’ sprak hij haastig. ‘Denkt u dat iemand als hij zover gaat dat hij van een dak af springt?’

‘Absoluut niet,’ sprak Lana resoluut.

‘Ook niet als hij veel geld verliest in het casino?’ probeerde De Cock.

Lana produceerde een klein lachje. ‘Dan had hij jaren geleden al zelfmoord moeten plegen. Wim was gokverslaafd, meneer De Cock.’

De Cock knikte. ‘Bekend.’

‘En niets was veilig voor die verslaving. Ik heb ternauwernood de galerie uit zijn handen weten te houden. Alles ging ten onder aan die vreselijke verslaving. Maar zijn eigen leven, nee. Want dat is het rare…’ Ze stokte even.

De Cock keek haar vragend aan. ‘Ja?’ Maar Lana antwoordde niet meteen.

‘Wat is raar?’ drong hij aan.

‘Dat ik voor mijzelf zeker weet dat Wim geen zelfmoord heeft gepleegd.’

Ze stond op en liep weer naar het espressoapparaat. Ze maakte de koffiehouder los, sloeg de oude koffieprut eruit en vulde het filterbakje met versgemalen koffie.

‘Ik sprak hem een paar dagen geleden bij de advocaat. Hij was zo vrolijk, zo optimistisch. Hij deed zaken met Van Deijssel. Kent u Rogier van Deijssel?’

De Cock kuchte en bracht zijn hand naar zijn oorlelletje.

‘Zo’n beetje, ja.’

‘Zaken met Van Deijssel! Wim was lyrisch.’ Lana drukte op een knopje en de machine begon vervaarlijk te proesten.

‘En wat voor zaken waren dat?’ vroeg De Cock boven het geluid uit.

‘Dat vraag je je inderdaad af. Van Deijssel is de grootste kenner van de zeventiende-eeuwse schilderkunst in Nederland. Wat moest die nou met ene Wim de Jongh?’

De Cock stond op.

‘Ik ben vast van plan om dat uit te zoeken, mevrouw.’

Lana lachte dankbaar.

‘Zo’n roemloos einde verdient niemand,’ vervolgde De Cock, ‘en als u nog iets te binnen schiet, of als iemand zich meldt…’

Lana zette grote ogen op en onderbrak De Cock met een hoge ‘O!’

De Cock kneep zijn ogen samen.

‘U herinnert zich nog iets?’

Lana trok haar afsprakenboek naar zich toe en bladerde tot ze de juiste pagina vond.

‘Vorige week werd ik achter elkaar gebeld door iemand die vroeg of Wim dit nummer terug wilde bellen.’ Ze scheurde een stukje van de pagina en overhandigde dat aan De Cock. ‘Het was een vrouw. Ze had wat voor hem, zei ze. Iets interessants. Ik schonk er verder geen aandacht aan en heb hem het 06-nummer doorgegeven.’

De Cock bekeek het telefoonnummer, stopte het papiertje weg en tikte met zijn vinger aan zijn hoedje.

‘Ik hou u op de hoogte.’

Lana glimlachte dankbaar.

Eenmaal buiten had De Cock spijt dat hij toch niet met de auto was gegaan. Het was harder gaan regenen en het vooruitzicht dat hij een kwartier op een tramheuvel op lijn 17 mocht gaan wachten, trok hem niet bepaald aan. Maar er zat weinig anders op. Hij knoopte zijn regenjas tot boven aan toe dicht en liep in de richting van de brug die over de Bloemgracht naar de Lijnbaansgracht, richting Rozengracht leidde. Even later ging zijn mobiele telefoon. De Cock zuchtte, knoopte zijn regenjas weer open en diepte zijn mobieltje op uit de binnenzak van zijn colbert.

‘De Cock?’

Het was Jan Rozenbrand. ‘Waar hang je uit?’

‘Lijnbaansgracht hoek-Rozengracht. Hoezo?’

‘Blijf daar staan. Vledder pikt je op. Je hebt een dooie op de Willemsparkweg.’

‘Moord?’

‘Ik ben er niet bij geweest,’ antwoordde de wachtcommandant laconiek, ‘maar naar ik begrijp is er een professor van een trappetje gevallen.’

De Cock trok zijn wenkbrauwen omhoog.

‘Is er dan niemand anders die daar langs kan gaan?’

‘Vledder is onderweg.’ Rozenbrand verbrak de verbinding. De Cock schudde het grijze hoofd en knoopte zijn regenjas weer dicht om de regen buiten te houden. Met een hoog opgeslagen kraag en zijn hoedje diep over het hoofd getrokken liep hij naar de Rozengracht. Hij zocht een portiek om te schuilen, terwijl hij zich afvroeg waarom hij midden in de stad moest worden opgepikt om naar een ongeval te kijken!

Vledder kwam gelukkig al snel aangereden in de oude Golf. De Cock liep naar de rand van het trottoir, ontweek behendig een diepe plas en stak zijn hand op. Vledder stopte en De Cock stapte in. Hij deed zijn natte hoedje af en legde het op de achterbank.

‘Een ongeluk op de Willemsparkweg?’

‘Daar ziet het wel naar uit,’ bevestigde zijn jonge assistent.

‘Waarom moet jij mij daarvoor oppikken? Was niemand anders beschikbaar?’ De grijze rechercheur begreep het nog steeds niet.

‘Nadrukkelijk verzoek van Buitendam. Hij wil dat jij het onderzoek keurig afrondt.’

‘Hm.’ De Cock zakte humeurig in de kraag van zijn jas. ‘Ik ben dus blijkbaar de enige die “keurig kan afronden”!’

Vledder blikte met een grijns naar opzij.

‘Het zal je wijsheid wel wezen, die schijnt met de ouderdom te komen.’

Veel werd er niet meer gezegd gedurende de rit die hen via de Nassaukade, de Overtoom, de Constantijn Huygensstraat en de Van Baerlestraat naar de Willemsparkweg voerde.

Het kantoor waar het ongeval had plaatsgevonden, bevond zich volgens Vledder op de parterre van een groot, statig pand op nummer 34. De Cock inspecteerde de brievenbus naast de deur, maar een naambordje ontbrak. Hij duwde de zware voordeur open en kwam in het tochthalletje dat van de gang werd gescheiden door een deur met gezandstraald glas. Rechts in de monumentale gang liep een gebeeldhouwde trap omhoog. De fiets die onder de trap tegen de gangmuur stond geparkeerd detoneerde enigszins, maar de bezitter wilde hem blijkbaar niet kwijt. En geen plek in Amsterdam ontkwam aan fietsendieven. Ook de chique Willemsparkweg niet. Aan het einde van de gang zag De Cock een deur openstaan waarachter hij enige beweging waarnam.

De deur leidde naar een kantoortje waar een goed verzorgde vrouw in een stemmig crèmekleurig mantelpakje sniffend achter haar bureau zat.

‘Ik was wat verlaat omdat ik de tram had gemist,’ sprak ze met een bibberstem, ‘en toen ik zijn kantoor binnen ging, lag hij daar, op de grond.’ Ze snoot haar neus in een zakdoekje. De agent die bij haar aan het bureau zat en klaarblijkelijk haar verhaal opnam, duimde over zijn schouder om aan te geven waar De Cock werd verwacht.

Hij doorkruiste het kantoortje en kwam bij een zware deur met ornamenten die toegang gaf tot een groter kantoor. In die ruimte waren de muren rondom bekleed met boekenkasten die tot de nok toe vol stonden met boeken en mappen. Er was slechts een smal stukje muur vrijgelaten tussen de deurpost en het raam. Daar hing een schilderij. De Cock wist niet hoe het heette, maar het kwam hem op een of andere manier bekend voor. Voor het raam, dat uitzicht gaf op de tuin achter het huis, stond een bureau. En overal lagen boeken: op het bureau, onder het bureau op de vloer. En tussen die boeken lag een lichaam. Over het lichaam heen gebogen ontwaarde De Cock zijn oude kompaan Den Koninghe. De lijkschouwer keek even op van het lichaam en blikte over zijn ronde brilletje naar de grijze speurder.

‘De Cock! Sinds wanneer word jij naar dit soort klusjes gestuurd?’

De Cock schokte met zijn schouders.

‘Vraag het Buitendam. Wat hebben we?’

Den Koninghe stond voorzichtig op en legde met een grimas zijn hand op zijn rug.

‘Niet veel bijzonders. Van het trappetje gevallen.’ Hij wees op het trapje dat aan een rail boven aan de boekenkast bungelde. ‘Wilde waarschijnlijk een boek opbergen, of pakken, wie zal het zeggen. Van het trappetje gevallen en ongelukkig neergekomen. Meer kan ik er niet van maken.’ Hij nam het ronde brilletje van zijn hoofd en begon omstandig de glazen schoon te wrijven met de onderkant van zijn das.

De Cock keek de kamer rond. Wat hij zag was de typische werkplek van een geleerde. Een chaotisch rommeltje van boeken en paperassen waar de man zelf ongetwijfeld goed de weg in had geweten. En dan je nek breken omdat je ongelukkig terechtkomt.

‘Sic transit gloria mundi,’ murmelde De Cock.

‘Zo vergaat de wereldse grootheid,’ vertaalde Den Koninghe ongevraagd. ‘Dood gaan we uiteindelijk allemaal. Ik ben hier klaar.’ Hij deed een stap richting de zware, bewerkte deur.

De Cock tuitte zijn lippen.

‘Weten we al wie we hier hebben?’

‘Jazeker,’ de dokter hield even stil bij de deur en draaide zich om naar De Cock, ‘een beroemde geleerde: professor Van Deijssel!’

Загрузка...