3

De Cock had onrustig geslapen. Meestal gaf hij zich met graagte over aan Morpheus’ armen. Hij hoefde zijn hoofd maar op het kussen te leggen om in een diepe, verkwikkende slaap te vallen. Dit keer was het hem maar matig gelukt. De dood van Wim de Jongh en professor Van Deijssel spookte door zijn hoofd.

Een zelfmoord en een ongelukje. Een scharrelaar en een internationaal gelauwerde kunstkenner. Zo ver uit elkaar, en toch zo dichtbij.

Tegen de ochtend was hij in een diepe slaap gevallen en zijn vrouw had hem laten liggen, zodat hij gehaast en verlaat de recherchekamer binnen kwam.

Vledder zat al ijverig achter zijn computer.

‘Je bent laat, De Cock,’ merkte hij scherp op.

Zijn chef mikte zijn hoedje naar de kapstok en schokte met zijn schouders toen het op de grond viel.

‘Je hoeft niet per se achter een computer te zitten om te werken,’ mopperde De Cock terwijl hij naar zijn bureau tegenover dat van zijn jonge collega liep. Vledder keek hem vragend aan. De Cock tikte met zijn wijsvinger tegen zijn grijze hoofd.

‘Het denkwerk gaat gewoon door, ook ’s nachts.’

Vledder stak zijn handen in de lucht. ‘Waar lig je dan wakker van?’

De Cock leunde achterover in zijn stoel en vouwde zijn handen over zijn buik.

‘Ik kom in Scheveningen een blije man tegen, die op het punt staat goeie zaken te doen met professor Van Deijssel. Nog geen dag later zijn én die blije man én professor Van Deijssel dood. De een door zelfmoord en de ander door een ongeluk. Is dat toeval?’ Het was een retorische vraag, maar hij gaf zelf het antwoord. ‘Ik heb te veel meegemaakt om op toeval te vertrouwen. Er moet ergens een verband zijn. En daar heb ik vannacht over liggen woelen.’ Hij veegde met een hand over zijn brede gezicht en onderdrukte een geeuw.

‘Wat voor “goeie zaken” had die De Jongh met Van Deijssel?’

‘Dat kunnen we ze helaas niet meer vragen. Hebben we al een rapport van Den Koninghe?’

Vledder schudde ontkennend het hoofd. ‘Nee. Alles wat er over de Willemsparkweg binnenkomt moet linea recta naar Buitendam.’

De Cock ging overeind zitten en trok een frons in zijn voorhoofd.

‘Buitendam? Waarom?’

De jonge rechercheur hief weer eens zijn handen. ‘Wie het weet, mag het zeggen.’

‘Je kunt het natuurlijk ook vragen!’ De ironie ontging Vledder niet. De Cock stond op en liep naar de deur. Daar draaide hij zich nog even om.

‘O, en heb je het 06-nummer nog nagetrokken dat ik je gisteren heb gegeven?’

Vledder tuurde naar zijn beeldscherm en ging met zijn vingers over het toetsenbord.

‘Ja, het zit in mijn mail… hier: ene… Cindy de Vries.’

‘Adres?’

‘Wordt aan gewerkt.’

‘Zodra je dat hebt mag je haar laten ophalen. Ik ga naar Buitendam.’ Hij draaide zich weer om en beende de gang op.


‘Binnen.’

De Cock opende de eikenhouten deur van de kamer van commissaris Buitendam en betrad het vertrek. De commissaris keek op naar de rechercheur en een glimlach plooide om zijn lippen.

‘Bedankt dat je gisteren langs de ongelukkige Van Deijssel wilde gaan. Alles duidde op een ongeval, maar we wilden het zekere voor het onzekere nemen.’

‘We?’ De Cock keek zijn superieur strak aan, maar die besloot de vraag te negeren.

‘En dan is het voor iedereen een geruststelling als het onderzoek wordt uitgevoerd door mijn beste rechercheur.’ De Cock nam het complimentje met een kort knikje in ontvangst en trok zijn gezicht in een minzame plooi.

‘Dan heeft u er vast geen bezwaar tegen als uw beste rechercheur inzage krijgt in het volledige dossier, om het onderzoek op juiste wijze af te kunnen sluiten.’ De Cock hield zijn hoofd een beetje schuin en keek de commissaris vragend aan.

‘Alle documenten aangaande dit geval gaan naar Zoetermeer,’ antwoordde hij kortaf.

‘Aha, dus dat zijn die “we”,’ constateerde De Cock. ‘En ik neem aan dat daar in Zoetermeer de Nationale Recherche de zaak overneemt?’

‘Helemaal juist.’

‘Maar dat begrijp ik niet.’ De Cock plukte aan het puntje van zijn neus. ‘Welke zaak nemen zij dan over? Het was toch een ongeval?’

De commissaris stond op om op gelijke hoogte te komen met zijn ondergeschikte.

‘Luister, De Cock, professor Van Deijssel was een belangrijk man, nationaal en internationaal. Hij was buitengewoon invloedrijk, ook op hoog ambtelijk niveau. Hij deed zaken voor de regering. Laatst nog met dat Bruidje in de morgen voor het Rijksmuseum. De onnatuurlijke dood van zo’n persoon roept altijd vragen op. Die hoeven wij niet te beantwoorden. De zaak, welke zaak dan ook, is overgenomen door de Nationale Recherche. Wij hebben er niets meer mee te maken. Jij,’ zei hij met nadruk, ‘hebt er niets meer mee te maken. Jou wacht ander werk. Eruit!’

Cindy de Vries bleek te wonen in een anti-kraakpand in de Spuistraat. De diender die door Vledder was gestuurd om haar op te halen had nog moeten zoeken in een wirwar van kamertjes, maar uiteindelijk had hij haar op aanwijzing van een van haar medebewoners gevonden. Ze zat in kleermakerszit op een oude doorgezakte sofa en zapte jachtig heen en weer tussen diverse muziekzenders op een oude, kolossale kleurentelevisie. Ze had in eerste instantie luidkeels geprotesteerd, maar toen de doorgewinterde diender haar dreigde met een dwangbuis was ze mopperend met hem meegegaan.

Nu zat ze stuurs wegkijkend achter een kaal houten tafeltje in een verhoorruimte. Vledder keek van enige afstand op haar neer. Cindy was nog niet zo oud, maar haar gezicht vertelde een verhaal van afzien en overleven. ‘Een oud meisje’ zou hij haar hebben genoemd. Met ravenzwart piekhaar. Rond haar ogen had ze met kohlpotlood zwarte strepen aangebracht, wat haar ogen accentueerde en het gezicht iets vogelachtigs gaf. Haar opgetrokken schouders versterkten dat beeld.

Een zwart vogeltje, dacht Vledder. Een boos zwart vogeltje met een ringetje in haar snavel. Waarmee hij doelde op de piercing in haar mondhoek.

De deur van de verhoorruimte ging open en rechercheur De Cock kwam binnen. Hij blikte even naar zijn jonge assistent en gaf hem een knipoog. Toen richtte hij zijn aandacht op Cindy.

‘Cindy de Vries?’ De Cock sprak met vriendelijke stem, maar Cindy reageerde niet.

‘Ik ben rechercheur De Cock, met ceeooceekaa, en dit,’ hij duimde over zijn schouder, ‘is mijn assistent, rechercheur Vledder.’

‘Boeie.’ Het meisje keek hem voor het eerst aan. Het viel De Cock op dat haar been voortdurend zenuwachtig op en neer bewoog.

‘Waarom zit ik hier eigenlijk?’ Onder de schrille klank van haar stem hoorde hij het geluid van een meisje dat betere tijden had gekend. Tijden waarin ze naar school ging en een thuis had waar ze zich geborgen wist. Alsof ze zich nu expres ordinairder voordeed dan ze was. De Cock ging tegenover Cindy aan het tafeltje zitten. Vledder bleef achter hem staan.

‘Ken jij Wim de Jongh?’

‘Nee.’ Ze had nog geen seconde over de vraag nagedacht. ‘Kan ik nou weg?’

De Cock reageerde niet op het dwarse gedrag maar speelde verbazing.

‘Dat is vreemd, want je hebt hem vorige week wel… zes keer achter elkaar gebeld.’

Cindy keek hem even in de ogen en wendde toen haar blik weer af. Ze richtte haar aandacht op de nagel van haar wijsvinger en begon eraan te knauwen.

‘O, die Wim.’

‘Ja, die Wim,’ glimlachte De Cock gemoedelijk. ‘Je had iets voor hem. Wat was dat?’

‘Niks!’ Ze keek hem brutaal aan en begon met haar vingers op de tafel te trommelen. ‘Wat maakt het uit. Allemaal gelul. Ik moet weg, ik heb verdomme nog meer te doen. Gezeik.’

Vledder helde iets voorover in de richting van het opstandige meisje.

‘Dat is niet aardig,’ fleemde hij, ‘zoals je tegen mijn collega praat. Dat is een oudere man, je moet respect voor hem hebben.’

‘Fuck you!’

Vledder liet zijn vlakke hand met een klap op de tafel terechtkomen. Het meisje schrok en schoot een stukje de lucht in. Haar mond viel open waardoor de piercing in haar mondhoek leek te zweven.

‘Weet je wat ik denk?’ De vriendelijkheid was geheel uit de stem van Vledder verdwenen. ‘Ik denk dat jij tot je strot toe vol zit met coke. Ik ga bij jou thuis eens neuzen.’

‘Dat mag jij niet, klootzak.’

‘Ik weet precies wat ik wel en wat ik niet mag. En je staat voor schut als je ook maar één grammetje in huis hebt. Want dat mag jíj niet. Hoor je dat?’

De Cock stak zijn hand in de lucht om zijn collega tot rust te manen.

‘Wat had jij met Wim de Jongh, Cindy?’ De grijze rechercheur had zijn rust weten te bewaren. ‘Het is belangrijk, Cindy, want Wim de Jongh is dood.’ Nu had hij de aandacht van het meisje dat hem als een opgejaagd hert aankeek.

‘Uit een raam gevallen en dood,’ vervolgde De Cock emotieloos. Hij keek haar strak aan.

Ze trachtte aan zijn blik te ontkomen, maar dat lukte haar slecht.

‘Het was niks. Echt niks, niks bijzonders. Een handeltje,’ klonk het gejaagd.

Ze had haar armen over elkaar geslagen en begon met haar lichaam te wiegen.

De Cock knikte en wreef bedachtzaam met zijn hand over zijn kin.

‘Wat voor handeltje was dat? Ik moet weten wat dat voor handeltje was, Cindy. Had het iets met professor Van Deijssel te maken? Zegt dat je iets, professor Van Deijssel?’

Cindy zei niets. Zij had haar kin op haar borst gebogen en haar schouders verder opgetrokken alsof ze zichzelf heel klein wilde maken.

Ineens gilde ze het uit.

‘Ik wil hier weg ik wil hier weg ik wil hier weg!!’ Ze wierp haar hoofd in haar nek. ‘Weg!!’

Vledder legde een hand op de schouder van zijn chef.

‘Dit heeft geen zin, De Cock. Eerst moet die coke eruit.’

De Cock blikte nog eens naar het meisje en besefte dat zijn jonge collega gelijk had. Hij zuchtte en stond met tegenzin op.

‘Zet haar maar vast.’

Cindy de Vries reageerde alsof ze net een elektrische schok had gehad.

‘Nee! Shit! Dat kan je niet maken, man.’

Maar De Cock was al verdwenen.


De Cock zat achter zijn bureau en mijmerde over het lot van meisjes zoals Cindy de Vries. Iets te vroeg het ouderlijk nest verlaten, op zoek naar meer spanning en avontuur dan ze thuis konden vinden. Meegenomen in de maalstroom van de grote stad. Hij moest denken aan de regels van de dichter Hendrik Marsman: ‘Groots en meeslepend wil ik leven!’ Hij nam zijn bril af en trachtte met duim en wijsvinger de vermoeidheid uit zijn ogen te wrijven. Groots en meeslepend, een prachtig ideaal dat maar voor weinigen was weggelegd. De meesten eindigden zoals Cindy de Vries, verslaafd in een politiecel. En wat kon zo’n meisje nou voor handeltjes hebben met Wim de Jongh? En hoe paste die Van Deijssel daarin?

Vledder kwam de recherchekamer binnen wandelen.

‘Lekker type, die Cindy.’ Hij toonde een kras op zijn hand. ‘Ze had geen zin in de cel.’

De Cock stond op en liep naar de kapstok.

‘We gaan.’ Hij hielp zichzelf in zijn oude regenjas.

‘Waarheen?’

‘Van Deijssel.’ Hij wipte zijn hoedje van de kapstok en verliet de recherchekamer.

Vledder fronste zijn wenkbrauwen.

‘Die was toch dood!’


De twee rechercheurs reden in hun oude Golf de glibberige houten steiger achter het politiebureau af richting Oudebrugsteeg. Vledder zat achter het stuur en kreeg slechts met moeite het pookje in de tweede versnelling. Hij gromde geïrriteerd. Het gehele politiekorps van Amsterdam reed allang in nieuwe auto’s die waren uitgevoerd met de modernste snufjes en communicatieapparatuur. Maar De Cock gaf nog steeds de voorkeur aan hun oude barrel. Hij had er een hekel aan als iedereen de hele tijd maar met hem kon ‘communiceren’. Tot groot verdriet van de jonge Vledder, die regelmatig met enige afgunst collega’s in de nieuwste politieauto’s zag stappen.

‘Ik begrijp niet wat we daar gaan doen,’ merkte hij knorrig op. De Cock trok zijn oude vilten hoedje iets dieper over zijn ogen en zweeg.

‘Het onderzoek naar de dood van Van Deijssel is overgenomen door de jongens van de Nationale Recherche. Maar nu gaan wij doodleuk op onderzoek uit! Jij bent toch van die zaak gehaald?’

De Cock zuchtte. ‘De dood van Van Deijssel is volgens commissaris Buitendam geen zaak. Dus als er geen zaak is, dan kun je mij daar ook niet van afhalen,’ besloot de grijze speurder met ijzeren logica. ‘Ik heb nog een paar vragen. Puur voor mezelf. Niets aan de hand. We gaan hier naar rechts.’

De rest van de rit naar de Willemsparkweg werd er niet veel meer gesproken. De Cock trok aan zijn onderlip en scheen in gedachten verzonken. Vledder concentreerde zich op het verkeer en vroeg zich af wanneer hij nou eindelijk eens serieus genomen werd.


Ze vonden een parkeerplek voor de deur en even later betraden ze het statige pand dat eens aan een vooraanstaande Amsterdamse handelsfamilie had toebehoord.

De secretaresse, Henny heette ze, keek verbaasd naar het bezoek. Het viel De Cock op dat ze minder formeel gekleed ging dan de laatste keer dat hij haar zag. Ze droeg haar blonde haar los en in plaats van het traditionele mantelpakje was ze gekleed in een vlot truitje boven modieuze jeans. Blijkbaar was Van Deijssel gesteld geweest op een ouderwets degelijke secretaresse.

Henny keek wat hulpeloos om zich heen.

‘Let u maar niet op de troep.’

Het was onmogelijk om niet op de troep te letten. Het kleine kantoortje lag bezaaid met mappen en paperassen.

‘Ik ben maar vast begonnen met opruimen,’ verontschuldigde ze zich naar de twee mannen.

‘Rogier… professor Van Deijssel,’ verduidelijkte ze, ‘had een enorm archief. Dit hier is nog maar een deel van de correspondentie.’

‘En zijn archief bewaarde hij natuurlijk in zijn kantoor,’ veronderstelde De Cock.

‘Ja,’ bevestigde Henny, ‘maar daar kom ik voorlopig nog niet aan toe.’

De Cock liep intussen naar de eikenhouten deur die naar het kantoor van Van Deijssel leidde.

‘U mag daar niet in.’

De Cock draaide zich om naar de secretaresse. ‘Pardon?’

‘Dat hebben ze tegen mij gezegd. Uw collega’s.’

De Cock plukte even aan zijn onderlip. ‘Er zijn nog een paar vragen,’ begon hij, ‘en daar zoeken mijn collega en ik een antwoord op.’

Het gezicht van de secretaresse toonde onbegrip. ‘Maar wat kunnen dat voor vragen zijn? Men heeft mij bezworen dat zijn dood een ongeluk was.’

De Cock knikte plechtig.

‘Professor Van Deijssel was een man met internationaal aanzien,’ citeerde hij Buitendam, ‘en dan kun je niet zorgvuldig genoeg zijn.’

Hij draaide zich weer terug naar de deur.

‘De deur is verzegeld.’

‘Dat zie ik,’ zei De Cock terwijl hij zijn sleutelbos tevoorschijn haalde, waaraan naast de sleutels ook een mesje zat. Hij zette de punt van het mesje in het zegel en met één beweging was het verbroken. De Cock opende de deur.

‘Daar krijgt u last mee!’ waarschuwde de secretaresse.

De Cock lachte haar charmant toe. ‘Dat zal wel meevallen.’ En hij liep het kantoor in.

Vledder sloot heel even zijn ogen en volgde toen zijn chef naar binnen.

In het kantoor was de situatie op het eerste gezicht niet erg veranderd. Het trappetje bungelde nog steeds aan één wieltje aan de rail boven aan de boekenkast. En overal lagen boeken en mappen. Alleen het bureau zag er opmerkelijk opgeruimd uit.

‘Nergens aankomen, Dick,’ bromde De Cock terwijl hij een paar plastic handschoenen uit zijn regenjas toverde. Hij trok de handschoenen aan en opende de lades van het bureau. Geen snippertje papier. De ‘collega’s uit Zoetermeer’ hadden hun werk grondig gedaan.

‘Stond hier geen computer?’ De Cock stelde de vraag aan Henny, die achter Vledder aan het kantoor binnen was gekomen.

‘Meegenomen.’

‘Natuurlijk.’ De Cock bekeek nauwgezet het hele kantoor, tot zijn blik bleef hangen aan het schilderijtje tussen de deurpost en het raam. Het hing scheef. Henny volgde zijn blik.

‘Ach ja!’ Ze liep naar het schilderij en haalde het van de muur. Achter het schilderij was een safe in de muur gebouwd.

‘Volslagen onzin natuurlijk, maar Rogier vond het een leuk idee om zo’n safe achter een schilderij te verstoppen. Hij had dat wel eens op een film gezien.’

De Cock liep om het bureau heen en bekeek de safe aandachtig.

‘Beschikt u over de code?’

‘De safe is open.’

De Cock blikte verbaasd over zijn schouder, pakte toen de draaiknop van de safe tussen duim en wijsvinger en opende de safe. Hij keek erin en voelde even met zijn hand. Leeg. Hij draaide zich weer om naar de secretaresse.

‘De collega’s?’

Henny knikte bevestigend. De Cock onderdrukte zijn teleurstelling.

‘Wat bewaarde de professor hier zoal in?’

‘Waardepapieren. En de documenten die hij nodig had voor zijn boek.’

‘Boek? Waren die documenten dan zo… waardevol?’

‘Rogier nam niet graag risico’s. En hij had nogal ruzie met het departement. Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,’ voegde ze er ter verduidelijking aan toe. ‘Die hebben het schilderij van Gerard ter Borch aangekocht.’

Bruidje in de morgen. Zestien miljoen!’ zei Vledder gretig, blij dat hij iets aan het gesprek kon bijdragen. De Cock keek hem vragend aan.

‘Gelezen in de krant.’

‘Rogier heeft het werk vorig jaar in Amerika uitvoerig onderzocht en er een certificaat van echtheid voor afgegeven. Zodat de regering zeker wist dat ze een echte Ter Borch aan zouden kopen. Het hangt sinds kort in het Rijksmuseum.’

‘Waarom had hij dan ruzie?’ wilde De Cock weten.

Henny produceerde een weemoedig lachje.

‘Volgens Rogier is het doek dat in het Rijks hangt niet het schilderij dat hij heeft onderzocht.’

‘Niet het Bruidje in de morgen?’

‘Jawel, maar een vervalst exemplaar!’

Het ging De Cock even te snel, zijn oude hersens konden de situatie niet direct bevatten.

‘Vals… maar is het nu wel of niet het schilderij dat hij in Amerika heeft onderzocht?’

‘Dat is nu juist het probleem,’ legde Henny geduldig uit. ‘De regering zegt van wel en hij zei van niet. Hij had in Amerika het echte doek onderzocht en in het Rijksmuseum hangt een vervalsing. Hij was razend. Elke amateur kon zien dat het doek een vervalsing was. Zijn reputatie stond op het spel. Maar het was zijn stem tegen die van hen.’

De Cock knikte, hij kreeg zo langzamerhand een beeld van de situatie.

‘Hoe wist hij zo zeker dat het om een vervalsing ging?’

Henny hief haar handen in de lucht.

‘Sorry, daar heb ik geen verstand van. Ik heb het hem alleen een paar keer door de telefoon huren schreeuwen tegen Keesing.’

Vledder, die het verhaal van Henny puntsgewijs in een bloknote noteerde, keek even op.

‘Keesing?’

‘Dat is de kunsthandelaar die heeft bemiddeld bij de aankoop. Rogier wilde koste wat het kost zijn gelijk halen. Het werd gewoon een obsessie. Vandaar dat hij bezig was er een boek over te schrijven.’

‘Juist,’ hernam De Cock, ‘en omdat de regering daar niet blij mee zou zijn, bewaarde hij de documenten voor dat boek in een kluis. Duidelijk. Dank voor uw medewerking. En als u nog iets hoort waarvan u denkt…’

‘Dan zal ik u bellen,’ vulde Henny aan. De Cock stapte over een stapeltje boeken en liep naar de deur. Daar draaide hij zich om, terwijl hij de plastic handschoenen van zijn vingers trok.

‘Toch nog één ding… kent u Wim de Jongh?’

‘Ja,’ bevestigde zij, ‘Rogier had regelmatig contact met hem. De laatste weken belden ze elkaar veel.’

‘En waar gingen die gesprekken over?’

Henny keek verontwaardigd. ‘Meneer De Cock!’

‘Ik wil u niet beledigen, maar het is werkelijk van groot belang dat we weten waar zij het over hadden,’ verontschuldigde de grijze speurder zich.

‘Ik weet het werkelijk niet. Maar gezien het enthousiasme van Rogier moet het iets zijn geweest waarmee hij zijn gelijk kon halen.’

De Cock keek weg van de secretaresse en knikte een paar keer zachtjes met zijn hoofd.

‘Ja… ja ja… iets waarmee hij kon bewijzen dat het schilderij van Ter Borch dat in het Rijksmuseum hangt, vals is. Dank u wel. U heeft ons erg geholpen.’

Op de terugweg in de auto werd er wederom niet veel gesproken. De Cock leek diep in gedachten. Vledder verbrak de stilte.

‘Ik begrijp echt niet hoeveel we nu opgeschoten zijn.’

De Cock schrok op uit zijn overpeinzingen.

‘Ik ook nog niet precies,’ gaf de oude leermeester toe, ‘maar één ding weet ik wel. Rogier van Deijssel en Wim de Jongh wisten allebei blijkbaar te veel. En nu zijn ze beiden dood!’

Загрузка...