De Cock had die nacht slecht geslapen.
Na het vertrek van Vledder had hij zich nog een glas cognac ingeschonken in een poging zijn zenuwen in bedwang te krijgen. Ondanks zijn lange, lange staat van dienst in het niet altijd even vredige ‘milieu’ was de confrontatie met plotseling geweld nog altijd een schokkende ervaring. Hij kon zich niet voorstellen hoe het voorval zou zijn afgelopen als hij de auto niet vanuit zijn ooghoek had zien aankomen. Maar één ding wist hij zeker: als Dick Vledder iets was overkomen, had hij zich dat zijn hele verdere leven aangetrokken.
Hij was aan het antieke bureautje gaan zitten dat in de hoek van de woonkamer stond. Hij zat daar eigenlijk nooit. Het was meer een verzamelplaats geworden voor familiefoto’s en vakantiekiekjes. Hij had de fotolijstjes voorzichtig opzijgeschoven en een aantekenblok gepakt. Daarna had hij alle bekende feiten over deze zaak nog eens op een rijtje gezet. Hij beschreef de personages, het vervalste schilderij, de slachtoffers, en had getracht zicht te krijgen op hun onderlinge verband. Langzaam maar zeker begon hij een beeld te krijgen van de zaak, maar het lukte hem nog niet om greep te krijgen op alle details. Na nog een uur peinzen had hij vermoeid de kaars op de keukentafel uitgeblazen en was hij naar bed gegaan. De genoten cognac hielp hem bij het inslapen, maar na een paar uur werd hij wakker en het lukte hem niet meer om diep in slaap te komen. Niet alleen werd hij geplaagd door gedachten, ook liet zijn rug hem op pijnlijke wijze weten dat hij enige uren daarvoor nogal ongelukkig ten val gekomen was. Toen het eerste ochtendlicht door de gordijnen prikte was hij opgelucht opgestaan.
Nadat hij zich had gedoucht en aangekleed scharrelde hij in de keuken rond, op zoek naar de koffiefilters. Even overwoog hij zijn vrouw te bellen, maar die lag waarschijnlijk nog in diepe slaap dus dat idee liet hij varen. Een speurtocht door alle keukenkastjes leverde uiteindelijk het verlangde resultaat op. De koffiefilters bevonden zich, evenals de koffie, in het kastje recht boven het koffiezetapparaat dat op het aanrecht stond. Hij ontbeet met koffie en een geroosterd boterhammetje met kersenjam en las de krant die al vroeg op de mat gevallen was. Toen hij de krant uit had, spoelde hij zijn bord en kopje om. Het was de hoogste tijd om op pad te gaan.
De ochtend was helder en fris. Een wagentje van de Stadsreiniging veegde met veel geraas de goten en een joggende vrouw passeerde met elegante lange passen de deur toen De Cock naar buiten kwam. Het jonge groen in de bomen stak frivool af tegen de strakblauwe hemel. Er hing verandering in de lucht. Een definitieve omslag van koud naar warm weer. De Cock had even overwogen een taxi te nemen, maar het verkwikkende lenteweer verleidde hem tot een wandeling naar de tramheuvel. Intuïtief keek hij om zich heen of hij iets verdachts zag, maar meteen schudde hij knorrig het hoofd. Hij moest zich nu niet laten opjagen door spookbeelden. Natuurlijk, het was mogelijk dat hij in de gaten werd gehouden, maar voorlopig was de openbare weg de veiligste plek waar hij kon zijn. Zelfmoordenaars werden zelden in een tram aangetroffen!
De Cock passeerde op de Egelantiersgracht een café dat zijn terras al had uitgezet. Aan de tafeltjes langs het water zaten jonge mensen te ontbijten. Ze genoten van het vroege ochtenduur en de versgeperste jus d’ orange. Hoe anders was dit vroeger geweest, toen de Jordaan nog een wijk was waar het proletariaat geteisterd werd door ziekte en ellende. Waar de boldootkar de poepemmers kwam legen! In die stank was er geen plaats voor een krantje en een croissantje. De Cock moest onwillekeurig lachen bij de gedachte.
Hij liep de smalle Egelantiersstraat in en rechtte zijn rug. De tijd was gekomen om een aantal raadsels op te lossen. Bijvoorbeeld hoe het kon dat een arme kunstschilder er een Porsche van een halve ton op na hield!
Naast de bel van Jaap Verduin hing nog steeds de boodschap dat de bel stuk was, maar De Cock hoefde niet te kloppen. De deur stond op een kier. Voorzichtig duwde de oude rechercheur de deur een stukje verder open en stapte hij het nauwe gangetje in. Hij liep op de tast door het halfschemer en probeerde niet te struikelen. Aan het einde van het gangetje was de deur naar het atelier gesloten. De Cock legde voorzichtig zijn hand op de klink van de deur en duwde die naar beneden. De deur gaf soepel mee en door de kleine opening zag De Cock de rug van Jaap Verduin die over iemand heen gebogen stond. De Cock duwde de deur nu verder open en hij kreeg zicht op het gehele tafereel. Zijn hart sloeg een keer over. Op de grond lag, op zijn knieën, kunsthandelaar Keesing. Jaap Verduin stond over hem heen gebogen en hield de man met een hand stevig bij de kraag van zijn camelkleurige jas vast en met de andere hield hij een pistool op het hoofd van de kunsthandelaar gericht.
‘Je moet het toegeven,’ blafte Verduin Keesing toe, ‘ik wil dat je het toegeeft, smeerlap!’ In zijn woede had Verduin de binnenkomst van De Cock niet opgemerkt, maar Keesing zag vanuit zijn benarde positie twee benen de ruimte binnen komen, en toen hij opkeek zag hij tot zijn grote opluchting het brede gezicht van de Amsterdamse rechercheur.
‘Goddank, De Cock!’
Verduin draaide verschrikt zijn hoofd naar de deur, zonder dat zijn greep op Keesing verslapte.
‘Je bent gelukkig net op tijd,’ kraaide Keesing opgelucht. Maar die opluchting was van korte duur. Verduin gaf een ruk aan de kraag van de jas die nu om de keel van Keesing striemde en richtte zich woedend tot De Cock.
‘Hoe kom jij verdomme binnen! Wat doe jij hier?’
Even taxeerde De Cock de situatie. Het belangrijkste was nu dat de situatie niet uit de hand liep. Hij dwong zichzelf regelmatig te ademen en voor het oog te doen alsof zijn neus bloedde.
‘Ik wilde van jou wel eens horen hoe een arme kunstschilder zich een Porsche van ruim een halve ton kan permitteren.’
‘Flikker mijn huis uit!’ Verduin had duidelijk geen tijd meer voor nuances. De beminnelijke kunstschilder van de dag daarvoor was verdwenen. Maar De Cock liet zich niet uit het veld slaan en ging onverstoorbaar door.
‘En ik was benieuwd of jij toevallig de respectabele kunsthandelaar Keesing kende. Of Keesing jou. Maar dat antwoord heb ik nu al.’
‘Sta niet zo te kletsen, man,’ piepte een benauwde Keesing. ‘Haal deze gek van mijn nek.’
‘Ik ben verbaasd u hier aan te treffen.’ De Cock klonk luchtig, maar hij hield de situatie scherp in de gaten.
‘Die gast heeft mij hier met een smoesje naartoe gelokt.’
‘Hou je kop!’ De stem van Verduin klonk als een zweepslag. Hij drukte het pistool in de nek van zijn jammerende slachtoffer. Hij deed een poging om zijn woede onder controle te krijgen.
‘Luister, De Cock, ik wil alleen maar van hem horen of hij verantwoordelijk is voor de dood van Cindy. Alleen maar een simpel “ja” is genoeg. Dus rot nou maar weer op, ik los dit zelf wel op!’
‘Man, je bent gek!’ kermde Keesing.
Jaap Verduin trok een woedende grimas, zweet parelde op zijn voorhoofd en De Cock hoorde hoe hij hoog en kort ademde. Hij richtte zich weer geheel op Keesing en het was alsof De Cock zich niet meer in de ruimte bevond.
‘Ik wil een “ja” horen, ja?!’
‘Hoe kan ik nou iets bekennen wat ik niet heb gedaan?’
De Cock voelde dat de situatie hem ontglipte. De woede van Verduin ontsteeg elke redelijkheid. Hij moest een manier vinden om Verduin te kalmeren voor er slachtoffers vielen.
‘Doe geen moeite, meneer Verduin,’ zei hij, trachtend zijn stem vaderlijk te laten klinken, vol vertrouwen. ‘Ik weet dat hij die moord heeft gepleegd.’
De eenvoudige mededeling maakte dat het beeld van Verduin en Keesing even bevroor. Beide mannen leken een moment hun adem in te houden. Toen draaide Verduin langzaam zijn hoofd naar De Cock.
‘Wat?’
‘Keesing is verantwoordelijk voor de moord op Cindy.’
‘Je lult!’ schreeuwde Keesing.
‘En geloof me,’ vervolgde De Cock, ‘hij is het doodschieten niet waard.’
Jaap Verduin deed een stap naar achteren om De Cock beter te kunnen aankijken, waardoor zijn greep op Keesing iets verslapte. Keesing hijgde en keek op naar de grijze rechercheur.
‘Hoe kom je erbij dat ik ook maar iets met die moord te maken heb?’
‘Ik vermoedde al een tijdje dat er een verband was tussen de heer Keesing en een aantal moorden de afgelopen tijd, maar ik kon er geen bewijs voor vinden.’
‘Is het in je kop geslagen, man?’
‘En de moordenaar van Cindy moest ook de moordenaar zijn van Wim de Jongh.’
‘Wie? Waar gaat dit allemaal over! Haal liever die gek bij me weg.’
‘Maar ik zag het verband niet direct. Bovendien kon ik niets bewijzen.’
Jaap Verduin zei niets, maar luisterde naar het verhaal van De Cock. Hij hield het pistool nog steeds bij het hoofd van de kleine kunsthandelaar, maar de druk leek iets af te nemen. Keesing kreeg daardoor een tikje van zijn oude bravoure terug.
‘Er valt niets te bewijzen, man. Het is allemaal lulkoek!’
‘Pas toen ik uw chauffeur zag, begon het mij te dagen. Toen wist ik het zeker.’
‘Wat? Wat wist je dan zeker?’ Keesing kwam half omhoog en keek De Cock opstandig aan. Verduin verstevigde zijn greep en drukte Keesing weer naar de grond.
‘Oké, dat was het dan.’ Zijn woede had plaatsgemaakt voor een kille berusting. ‘Je had met je klauwen van Cindy af moeten blijven.’
Verduin verplaatste het pistool naar het achterhoofd van Keesing.
‘De Cock, man, doe iets!’
Maar De Cock kon niets doen. Hij kon proberen zich met zijn volle gewicht tegen Verduin aan te gooien, maar het risico dat er daardoor slachtoffers zouden vallen was torenhoog. Hij moest in gesprek blijven. Blijven praten tot Verduin die executie uit zijn hoofd zou zetten.
‘Jaap!’
Verduin keek niet meer om. Hij liet de kraag van de jas van Keesing los en plantte een voet op diens rug waardoor de kunsthandelaar plat op de grond kwam te liggen. Toen haalde hij de veiligheidspal van het pistool.
‘Verdomme, De Cock, stop deze gek.’ Keesing trachtte onder de voet van Verduin uit te rollen. ‘Ik weet nergens van, man. Hou hiermee op!’
‘Hij heeft gelijk, Jaap, je bereikt hier niets mee. Behalve je eigen ongeluk.’ De Cock voelde een straaltje zweet langs zijn oog lopen en wreef met zijn hand over zijn voorhoofd. Jaap had zijn bovenlichaam half gedraaid zodat hij ook De Cock in de gaten kon houden, maar bleef vooral gefixeerd op Keesing.
‘Ik wil dat je bekent, smeerlap. Ik wil dat je mij nu bekent dat je Cindy hebt vermoord.’
‘In godesnaam: wie is Cindy?!’
Verduin wilde antwoord geven, maar tegelijkertijd verstarde zijn blik. Vanuit zijn ooghoek zag hij iets bewegen achter De Cock en op datzelfde moment voelde de grijze rechercheur hoe zijn hoedje over zijn voorhoofd schoof en voelde hij het koude metaal van een pistoolloop tegen zijn achterhoofd. De Cock verstarde.
‘Oswald!’ juichte Keesing.
Achter rechercheur De Cock stond Oswald, de in het zwart geklede chauffeur van Keesing. Hij had zijn zonnebril op zijn kale schedel geschoven en uit zijn kille ogen sprak geen enkele emotie. Hij hield het pistool op het achterhoofd van De Cock gericht en wachtte op instructie. Met een gecontroleerd gebaar, om vooral geen reactie uit te lokken, bracht De Cock zijn hand naar zijn hoedje en nam hij het af. Onder zijn hoedje was zijn grijze haar nat van het zweet. De Cock voelde zijn hart roffelen in zijn borstkas, alsof hij net de Westertoren had beklommen. Angst had hem in een kille greep, maar hij mocht niets laten blijken. Hij moest ogenschijnlijk de sterkste zijn en de situatie controleren. Hij concentreerde zich op zijn stem.
‘Dit lijkt mij niet verstandig, meneer Keesing. Dit hoort niet zo te gaan.’
Keesing hijgde oppervlakkig, maar leek zijn rust teruggevonden te hebben.
‘Het gaat hier ook om mijn leven, meneer De Cock! Het spijt me van de etiquette. Laat deze jonge gek liever dat pistool neerleggen.’
Nu bemoeide ook Verduin zich met het gesprek.
‘Ik dacht het niet.’
‘Doe niet zo stom, man. Hoeveel doden moeten hier vallen?’
‘Eentje is genoeg,’ antwoordde Verduin laconiek.
‘Ik ken Oswald.’ Keesing klonk hees en dwingend. ‘Niemand komt hier levend uit.’
Achter zich hoorde De Cock hoe Oswald zijn wapen spande.
‘Jaap,’ probeerde De Cock.
‘Nee! Verdomme, nee.’ Jaap schudde met zijn hoofd. Het zweet spatte alle kanten op. Verbeten richtte hij zijn blik alleen op zijn slachtoffer. Hij hield het pistool nu met twee handen vast om het trillen van zijn hand tegen te gaan.
‘Op mijn teken schiet Oswald rechercheur De Cock neer, dan schiet jij mij neer en vervolgens schiet Oswald jou dood. Is dat wat je wilt?’
Verduin aarzelde met zijn antwoord.
‘Nou?!’
De Cock voelde hoe de druk van het pistool op de achterkant van zijn hoofd toenam.
Keesing hief zijn lichaam zo ver omhoog als de voet van Jaap Verduin dat toeliet.
‘Wil je dat ik dat teken geef, Verduin?’