‘Ui en zuur?’ vroeg de haringman. Hij wachtte niet op het antwoord, want dat kende hij al. Het was een automatisme. De Cock had een haring besteld en Vledder stond een broodje garnalen te eten bij de haringstal op de brug over de Singel. Onder de brug door voer een rondvaartboot. Op de open achtersteven stond een groepje Japanners de geveltjes van de huizen aan de gracht te foto graferen.
‘Die varen nu door de grachten en straks lopen ze door het Rijksmuseum,’ mompelde De Cock tegen niemand in het bijzonder.
De haringman sneed de haring in vier stukken en overhandigde De Cock het kartonnetje met haring, ui en zuur.
‘Ze kennen niet genoeg krijgen van de Hollandse schilderkunst,’ viel hij De Cock bij. ‘Vroeger maakten ze alles wat ze mooi vonden na, die Jappen, maar dat is ze met onze schilderijen nooit gelukt.’
Vledder bette zijn lippen met het servetje en wierp het daarna met een boog in de grote afvalton naast de viskraam.
‘Dat is dan jammer voor ze,’ lachte hij naar de haringman, ‘want anders hadden ze lekker thuis naar de Nachtwacht kunnen kijken!’
‘Wat heb dat nou voor zin als je weet dat die nep is?’
‘Precies,’ mengde De Cock zich in het gesprek. ‘Als je niet weet of een kunstwerk echt of namaak is, maakt het niet uit waar je naar kijkt. Maar als je wel weet dat het schilderij nep is, wil je er niet meer naar kijken. En daar zit hem de crux!’
De haringman knikte instemmend, maar hij was allang de draad kwijt. En ook Vledder snapte er het fijne niet van.
‘Welke crux?’
‘Ga jij eens op zoek naar het adres van de kunsthandelaar Keesing. Ik loop wel terug, dan kan ik nadenken.’
Hij gooide zijn lege kartonnetje in de afvalbak en stak een hand op naar de haringman.
In de verte sloeg de klok in de Westertoren het hele uur.
De Cock kuierde op zijn gemak via de Nieuwezijds Voorburgwal en de Nieuwezijds Kolk naar de Oudebrugsteeg. Op het Damrak moest hij laveren tussen de groepen vroege toeristen die de binnenstad van Amsterdam kwamen bevolken. De Cock begreep heel goed waarom mensen op Amsterdam afkwamen. De stad was erin geslaagd een groot deel van haar wereldse glorie te bewaren en maakte een bekoorlijke en authentieke indruk. Maar het Damrak hoorde daar volgens hem niet bij. Die was verworden tot een goedkope vreetstraat. De toerist op zoek naar de rijke historie van Amsterdam had daar niets te zoeken. Maar De Cock wist ook wel dat de stad aan die toerist meer te bieden had: de coffeeshops en de Wallen konden tegenwoordig moeiteloos concurreren met het Anne Frank Huis.
Hij stak het Damrak over op weg naar de kit, maar hij had nog geen behoefte om achter zijn bureau te gaan zitten. Hij zag nog steeds het gezicht voor zich van Wim de Jongh, die zulke goede zaken had gedaan met professor Van Deijssel, die nu ook dood was. Wat was het verband? Wat had De Jongh kunnen bewijzen en vooral: hoe had hij dat gekund?
Zijn gedachten draaiden in kringetjes rond, maar een antwoord op zijn vragen bleef uit. Hij stapte het café van Smalle Lowietje binnen en zette zich aan de bar. Hij stak zijn hand op naar een oud mannetje dat in de hoek van de zaak aan een tafeltje van een bittertje zat te genieten. De Cock kende hem al vanaf de tijd dat hij als jonge diender aan het bureau verbonden raakte. Het was nu niet meer voor te stellen, maar dat oude breekbare mannetje was toen de ongekroonde koning van de Wallen. Heintje Klap was destijds eigenaar van het grootste bordeel op de Zeedijk en met hem viel niet te spotten. Nu zou je hem zo omver blazen.
‘Cognakkie?’ Lowie, die nog steeds zo smal was dat hij zijn naam eer aandeed, was achter de bar verschenen.
‘Het is nog vroeg, maar vooruit. Zet er maar wel een koppie koffie naast. En geef Heintje nog een borreltje. Hij ziet eruit alsof hij wel een neut gebruiken kan.’
Lowie haalde zijn schouders op. ‘De drank wordt nog eens zijn dood. Maar wat maakt het uit op zijn leeftijd. Je mot ergens aan doodgaan.’
Hij pakte een van zijn bolle cognacglazen en haalde er even een doek doorheen. Toen dook hij onder de bar en met een aalgladde beweging toverde hij een fles Napoleon tevoorschijn. Hij schonk een royale bodem van het goudgele vocht in het glas.
‘Hoe wil je je koffie?’
‘Blond en zoet,’ verzuchtte De Cock.
‘Zoals de meisjes buiten!’ klonk het vanuit de deuropening.
Lowie keek verstoord naar de deur. Hij had het niet op bijdehante buitenstaanders. Ook De Cock draaide zich naar de deur. Daar stond een lange, slanke man van een jaar of veertig. Hij had een wijkende haargrens, maar zijn gebruinde gezicht oogde jeugdig en gezond. Zijn ogen, die verscholen gingen achter modieuze brillenglazen, stonden pienter en alert.
‘Gerrit Beumer!’
‘Ken jij die gast?’ wilde Lowietje weten.
De Cock gleed van zijn kruk en stak zijn hand uit. De nieuwkomer liep op hem toe en schudde hem hartelijk de hand.
‘Ik zag je hier naar binnen gaan met dat hoedje op je hoofd en die ouwe jas en ik dacht: De Cock met ceeooceekaa! De mannen lachten. De Cock wendde zich tot Lowietje, die een kopje koffie naast zijn cognacglas zette.
‘Ik heb Gerrit onder mijn hoede gehad toen hij net van de academie kwam.’
‘En ik heb van hem het vak geleerd,’ vulde Gerrit aan.
‘Ik heb je hier anders nooit gezien,’ merkte Lowie achterdochtig op. Beumer moest lachen.
‘Nee, logisch. Als ze mij toen hier hadden betrapt, hadden ze me de dienst uitgegooid!’
De Cock knikte instemmend dus Lowie gaf het op.
‘Koffie dan maar?’
‘Graag. Zwart.’ Gerrit zette zich naast zijn oude leermeester op een kruk.
‘Zit jij nog steeds in Zoetermeer?’ Gerrit knikte.
‘Ik zit tegenwoordig bij DNRI, internationale misdaadbestrijding.’
‘Toe maar.’ De Cock nam genietend een slokje van zijn cognac. Lowie zette een kopje zwarte koffie voor Gerrit neer en ging met de jeneverfles naar het tafeltje van Heintje Klap, om hem nog eens bij te schenken. Gerrit trok het kopje naar zich toe.
‘Lekker.’
‘Wacht maar tot je een slok genomen hebt. Lowie staat niet echt bekend om zijn subtiele melange.’
‘Dank je wel, De Cock, voor het versjteren van mijn handel!’ klonk het van achter uit de zaak.
‘Dat zal een hoop spanning geven, die internationale misdaadbestrijding.’
‘Valt wel mee, hoor,’ relativeerde Beumer. ‘Het klinkt spannender dan het is. Ik zit voornamelijk veel achter een bureau. Proberen geldstromen in beeld te krijgen van terrorisme, drugshandel. Dat geld zit in van alles tegenwoordig.’
‘De Cock,’ klonk het beverig. De Cock blikte over zijn schouder en zag dat Heintje zijn kelkje omhooghield. ‘Op het leven!’
‘Op het leven, Hein.’
Beumer stootte De Cock aan.
‘Is dat niet Heintje Klap?’
‘Zeker.’
‘Die heeft een jas uitgedaan!’
‘We worden allemaal ouder, Gerrit, en eens hang je je jas voorgoed aan de kapstok.’
Weemoedig nam hij nog een slok en besloot het gesprek gaande te houden. ‘En waar zit dat geld dan zoal in?’
Beumer schokte met zijn schouders. ‘Vrouwenhandel. Daar weet Heintje alles van. Maar tegenwoordig ook in bankzaken, vastgoed, kunst.’ Beumer nam het lepeltje van het schoteltje en begon in zijn koffie te roeren hoewel hij er nog geen suiker in had gedaan.
‘Kunst?’
Beumer lachte naar De Cock en toonde een rij hagelwitte tanden.
‘Niets wast witter! Schoner dan schoon. De grote jongens zijn er gek op. Je hoeft er niemand voor om te leggen, het gaat moeiteloos de grens over en het klinkt ook zo gemoedelijk: kunst! Maar vergis je niet.’
‘Waarin, Gerrit?’
‘Er gaan honderden miljoenen in om. En ze hebben vrij spel. De politie heeft geen tijd en vooral geen geld om achter kunstzwendel aan te gaan. De mannen die zich daarmee bezighouden weten zich onbedreigd. Die gaan voor niemand opzij.’ De toon van Beumer was indringender geworden. De Cock nam een slok van zijn koffie en zette het kopje zorgvuldig op het schoteltje.
‘Dan zou ik zeggen, Gerrit: pas op je tellen.’
Beumer legde zijn hand op de arm van De Cock.
‘De belangen zijn te groot, De Cock. Respect telt niet in die wereld.’ De twee mannen keken elkaar een moment ernstig aan. Toen legde De Cock zijn hand op de schouder van Beumer en hij lachte goedmoedig.
‘Ik vond het erg leuk je weer eens gezien te hebben.’
‘Insgelijks, De Cock.’
De oude rechercheur gleed van zijn kruk en stak een hand op.
‘Ik moet weer eens aan het werk.’
De Cock stapte door de deuren van bureau Warmoesstraat en trof een verhitte wachtmeester aan.
‘Waar ben jij mee bezig,’ baste Jan Rozenbrand van achter zijn balie.
De Cock trok een onschuldig gezicht. ‘Hoezo?’
‘Buitendam zoekt je,’ verklaarde Rozenbrand zich nader. ‘Hij spuwde zowat vuur. Wat heb je hem aangedaan?’
‘Geen idee.’
‘Hij wacht boven op je.’
‘Wat een heerlijk vooruitzicht,’ zuchtte De Cock en hij begon aan de beklimming van de stenen trap.
Commissaris Buitendam was inderdaad behoorlijk kwaad. Hij zat over een dossier gebogen en maakte geconcentreerd aantekeningen. De Cock had bij binnenkomst even gekucht, maar Buitendam had niet naar hem opgekeken. Na nog eens twee minuten wierp hij met een driftig gebaar zijn pen op het bureau en rechtte zijn rug.
‘Ik heb je al eerder gevraagd de zaak Van Deijssel los te laten, De Cock,’ begon hij streng.
De Cock trok zijn voorhoofd in rimpels.
‘Welke zaak, meneer? De dood van Van Deijssel was toch een ongeluk?’
De commissaris stond op en liep om zijn bureau heen.
‘Niet doen, De Cock, ik heb geen behoefte aan dit soort commentaar. Jij bent met de jonge Vledder naar de secretaresse van Van Deijssel geweest.’
‘Dat kan ik niet ontkennen,’ gaf de oude rechercheur toe.
De commissaris stond nu recht tegenover zijn ondergeschikte. Het hoofd in de nek, de handen op de rug, als een generaal die zijn troepen inspecteert.
‘Wie heeft je daar opdracht voor gegeven? Niemand!’ beantwoordde hij zijn eigen vraag. ‘Wie heeft je toestemming gegeven om een verzegelde kamer binnen te gaan? Niemand!’
De Cock voelde zich wat ongemakkelijk nu de commissaris zo pal voor hem stond en hij wiebelde wat op zijn voeten.
‘Ik test een theorie.’
Maar de commissaris stond niet open voor zijn uitleg.
‘Daarmee ben je ernstig je boekje te buiten gegaan. Ik heb heel lang met de officier van justitie aan de telefoon moeten hangen om dit recht te praten.’
Hij liet even een stilte vallen om De Cock de gelegenheid te geven zijn dankbaarheid te tonen, maar die wist dat Buitendam nog niet klaar was.
‘Dat was niet prettig voor mij. Ik hoop dat je je dat realiseert. Ik wil dit gedonder niet meer! Ben ik duidelijk?’
De commissaris was heel duidelijk geweest. Hij liep terug om zijn bureau en nam weer plaats op zijn stoel.
‘Duidelijk?’ Hij verlangde een antwoord van De Cock.
‘Jazeker, meneer.’
‘Fijn,’ verzuchtte de commissaris. ‘Dus zou ik zeggen: aan het werk. Aan je eigen werk!’
De Cock keerde zich naar de deur. Maar de commissaris had nog iets op zijn lever.
‘O, en, De Cock… er zit hier een schreeuwend meisje in de cel van wie niemand mij kan vertellen waarom zij vastzit.’
De Cock schraapte zijn keel.
‘Voor haar eigen veiligheid. Ik ben bang dat ze gevaar loopt.’ Op het moment dat hij de zin uitsprak wist hij dat hij een verloren koers liep. ‘In het kader van het onderzoek naar… de dood van Van Deijssel.’
De commissaris liet hem geen millimeter ruimte.
‘Dat onderzoek naar het ongeluk is hierbij gestopt. Stuur het meisje naar huis. Eruit!’
Bij de balie had Cindy haar bezittingen van Jan Rozenbrand teruggekregen. De Cock begeleidde haar naar de buitendeur. Hij legde een hand op haar rug.
‘Pas goed op jezelf, Cindy,’ bromde hij vaderlijk.
Het meisje met het zwarte piekhaar schudde zijn hand van zich af.
‘Val dood, man.’
En ze stapte gehaast de straat op.
‘Op weg naar haar dealer,’ mompelde De Cock en hij schudde meewarig het grijze hoofd. Op dat moment voelde hij een hand op zijn schouder. Het was Vledder, die wilde weten of zijn oude strijdmakker de confrontatie met Buitendam had doorstaan.
‘Zonde van zo’n jong leven,’ vulde De Cock aan.
Hij richtte zich tot zijn assistent. ‘Ze houdt iets voor ons achter. Ik moet me wel heel erg vergissen of zij heeft de sleutel in handen.’
Vledder kauwde even op die laatste opmerking na.
‘Sorry, De Cock, maar ik begrijp nog steeds niet waar die sleutel toegang toe geeft.’
‘Ik ook niet. Maar ik heb zo’n gevoel dat er iemand is die niet wil dat ik daarachter kom.’
‘Wie?’ hield Vledder aan.
De Cock schokte met zijn schouders. ‘Als ik dat wist, had ik twee moorden opgelost! Heb jij dat adres nog gevonden van die kunsthandel?’
Vledder aarzelde. ‘Maar Buitendam…?
De Cock stelde hem gerust. ‘Geef mij dat adres nou maar. Ik los het alleen wel op.’ En hij schonk hem goedmoedig een knipoog.
De Cock betrad het statige Rijksmuseum via een zijingang aan de Hobbemastraat. Het museum, dat in de negentiende eeuw was ontworpen door Pierre Cuypers, zuchtte al jaren onder een grondige renovatie. Maar gelukkig was een deel van de collectie te zien in een aparte daartoe ingerichte vleugel van het classicistische gebouw.
In het gedeelte waar de tijdelijke tentoonstellingen werden ingericht hing het beroemde schilderij van Gerard ter Borch, Bruidje in de morgen. Het schilderij toonde een open raam, waar het ochtendlicht doorheen vloeide. Onder het raam zat een jonge vrouw in een fluwelen gewaad met een kanten kraag. Naast haar was een bediende, of een vriendin, bezig linten aan de jurk te bevestigen. De Cock had het kunstwerk eerst vanaf een afstandje bekeken en boog zich daarna naar voren om de details te kunnen bekijken.
Echt of niet, dat was de vraag. De Cock kon er geen antwoord op geven.
‘Let op de structuur van de stof. Hoe fijn de kanten kraag is geschilderd.’
De Cock draaide zich om en stond tegenover een kleine, zelfverzekerd ogende man.
‘Dat was een specialiteit van Ter Borch. De schilder stond destijds in hoog aanzien.’
De kleine man glimlachte minzaam. De Cock stak zijn hand uit.
‘De Cock, met ceeooceekaa.’
‘Keesing, aangenaam.’
Keesing knoopte zijn zandkleurige camel jas open en trok zijn shawl wat losser om zijn hals. Hij zag er goedverzorgd uit. Tip top, zouden ze vroeger hebben gezegd. Onder zijn jas droeg hij een parelgrijs kostuum en zijn zwarte schoenen glommen als spiegels. Zijn gezicht oogde glad en zacht, en zijn haar zat perfect in model. Alsof de man, voor hij het museum betrad, nog even helemaal onder handen was genomen door een styliste van zo’n programma dat je wel eens op televisie zag.
‘Vriendelijk dat u even langs wilde komen,’ sprak De Cock.
‘Geen moeite,’ glimlachte Keesing, ‘mijn kantoor is hier om de hoek. Bevalt het schilderij u?’
De Cock keerde zich weer naar het schilderij om het nog eens te bekijken.
‘U heeft bemiddeld bij de aankoop?’
‘Ik heb het doek gevonden bij een particulier in Amerika.’ Hij glom bij de herinnering.
‘Spectaculaire vondst. Ik wist meteen dat de Nederlandse overheid geïnteresseerd zou zijn.’
‘Zou u kunnen zien of dit schilderij echt of vals is?’ stelde De Cock botweg.
Keesing trok een wenkbrauw op en leek even van zijn stuk gebracht.
‘Nee, ik handel in kunst,’ zei hij met een verontschuldigend lachje, ‘en ik heb er best kijk op, maar het vervalsen van kunst is tegenwoordig… ik zou bijna zeggen, een kunst op zich. In dit soort gevallen, als er een grote naam en veel geld aan te pas komen, moet er vóór de koop van het doek een verklaring van echtheid worden afgegeven door een expert.’
‘Zoals professor Van Deijssel?’ vroeg De Cock.
‘Ah, Van Deijssel, nu begrijp ik het. Tragisch einde.’ De kleine man keek even naar zijn hand met de zorgvuldig gemanicuurde nagels. ‘Hij werd vaak gevraagd om schilderijen aan een onderzoek te onderwerpen. De zeventiende eeuw was zijn specialiteit. En als Rogier een schilderij echt verklaarde, dan werd daar door niemand aan getwijfeld.’
‘En dat geldt ook voor dit schilderij?’
‘Rogier heeft het in Amerika onderzocht en er een certificaat van echtheid voor afgegeven.’
‘En vervolgens liet hij de hele wereld weten dat het schilderij vals was!’ hield De Cock aan.
Keesing trok een mondhoek op.
‘Ja, nu. Nu het hier hangt.’
Hier dacht De Cock even over na.
‘Denkt u dat hij daar redenen voor had?’
‘Ik kan niet in zijn hoofd kijken en we kunnen het hem zelf helaas niet meer vragen. Hij was ervan overtuigd dat dit schilderij niet het schilderij is dat hij in Amerika heeft onderzocht. Zijn reputatie stond op het spel. Bovendien wilde hij het gebruiken om zijn theorie te bewijzen.’
‘Theorie? Welke theorie?’ reageerde De Cock alert.
‘Dat zo’n veertig procent van wat in het museum hangt vals is. Of althans niet is geschilderd door degene wiens naam eronder staat.’ Met genoegen bekeek Keesing het effect van zijn woorden op het gezicht van De Cock. Die kneep zijn wenkbrauwen samen en bracht zijn hand naar zijn oorlelletje.
‘Veertig procent?’ Hij kon het nauwelijks geloven.
‘En niet alleen hier, maar wereldwijd. Rogier was bezig met een boek over kunstvervalsing en dat deed hij, zoals alles, nogal obsessief.’
De Cock keek weer even naar het schilderij van Ter Borch, en toen naar de andere schilderwerken die in de ruimte hingen. Hij kon het nauwelijks bevatten. Al die statige afbeeldingen van voorname patriciërs gevangen in barokke gouden lijsten, waar generaties bezoekers zich voor hadden staan vergapen.
‘Dan praat je niet langer over een sof van zestien miljoen, dan heb je het over… honderden miljoenen!’
Keesing zette zijn ronde, goudgerande bril af en keek De Cock melancholiek aan.
‘Daarom waren ze ook niet zo blij met hem in Den Haag.’
De Cock kuierde op zijn gemak over het Museumplein naar de Van Baerlestraat. Om hem heen fladderden duiven en een enkele meeuw op zoek naar de voedselrestanten die toeristen en scholieren op het plein achterlieten. Hij belde met Vledder om te vertellen dat hij niet meer naar het bureau kwam. Hij had genoeg om te overdenken. Bovendien, voegde hij er grinnikend aan toe, was Buitendam hem op dit moment waarschijnlijk liever kwijt dan rijk.
Hij stapte bij de taxistandplaats in de voorste auto en liet zich naar huis brengen.
Mevrouw De Cock was blij verrast dat haar man zo vroeg thuiskwam, dat gebeurde niet vaak. Maar het geluk was van korte duur. De Cock zat nog niet in zijn lievelingsstoel of zijn telefoon ging. Hij luisterde aandachtig, sloot toen zijn ogen en zuchtte diep.
‘Is het ernstig?’ wilde zijn vrouw weten.
‘Ik ben bang dat daar de meningen over verdeeld zijn.’ En met deze raadselachtige opmerking liet hij zijn vrouw weer alleen achter.
Vledder pikte hem met zijn eigen auto op.
‘Ik was ook al op weg naar huis,’ luidde zijn verklaring terwijl hij het portier voor De Cock opendeed.
De gezette rechercheur perste zich met enige moeite in de oude Mini Morris. Vledder zat bijna dubbelgevouwen achter het stuur.
‘Het is de auto van mijn vriendin,’ verklaarde hij.
De Cock bromde. ‘Nog een geluk dat je niet op de fiets was. Had ik nu achterop gezeten.’
Vledder gaf gas. Het oude karretje hoestte en sprong naar voren.
In de Spuistraat vond Vledder een gaatje tussen twee auto’s waar de Mini net in paste.
‘Dat is wel het voordeel van zo’n klein autootje!’ De Cock blies zijn wangen vol en hees zich met de grootst mogelijke moeite uit de auto. Het was nog een stukje lopen naar het pand waar de melding vandaan gekomen was. Een groot maar verwaarloosd industrieel pand waar grootse verbouwingsplannen voor waren gemaakt. Daar was echter nog steeds niets van gekomen, omdat de eigenaar het benodigde kapitaal niet bij elkaar kon krijgen. Nu stond het gebouw bekend als antikraakpand, waar je voor niets tijdelijk in mocht wonen, als je maar weer vertrok wanneer de eigenaar dat wilde.
Ook binnen in het pand had het verval toegeslagen. De wanden van de lange, hoge gang waren bespoten met graffiti en wateroverlast had grote schade aangericht aan het plafond. Overal stonden dozen en zakken. En fietsen, veel fietsen. De Cock en zijn trouwe assistent baanden zich een weg door de rotzooi, liepen een verveloze trap op en bereikten de eerste verdieping. Hier was een aantal kamers die blijkbaar bewoond werden. Van een van die kamers stond de deur open. Een jonge diender stond in de opening en liet de twee rechercheurs binnen. De Cock en Vledder betraden een groezelige ruimte met links in de hoek een eenvoudig keukenblokje en rechts daarvan een tweepersoonsmatras dat zonder bedbodem direct op de grond lag. Het beddengoed lag er in elkaar verstrengeld dwars overheen.
Centraal in de kamer stond een grote rode sofa met een bakbeest van een televisie ervoor. Over de armleuning van de rode sofa bungelde een halfontblote rechterarm, de lange mouw van een truitje was opgerold tot boven de elleboog. Onder de opgerolde mouw zat een vastgesjorde riem die de arm afknelde. Op de grond onder de armleuning lag een lege injectiespuit.
Cindy de Vries lag achterover op de bank en keek met opengesperde ogen de ruimte in.