13

De Cock had vanaf het bureau zijn vrouw gebeld, die nog steeds bij haar zuster in Amstelveen verbleef, en had haar gemeld dat het gevaar geweken was. Zijn vrouw had hem opgelucht meegedeeld dat ze onmiddellijk haar tas ging pakken. Ze hield veel van haar zuster, maar ze miste haar eigen huis. En hem natuurlijk. De Cock had geglunderd.

Op weg naar buiten werd hij tegengehouden door de wachtcommandant.

‘Zeg, De Cock, we hebben hier nog een arrestant in verzekerde bewaring.’

‘Wat is daarmee?’ wilde De Cock weten.

‘Ja, wat is daarmee?’ antwoordde Jan Rozenbrand opstandig. ‘Niemand kan mij daar iets over vertellen en ik word er een beetje mesjogge van, want hij roept de hele tijd dat hij naar huis wil.’

‘Iedereen die hier zit opgesloten wil naar huis, Jan. Niemand verlangt ernaar om in een betonnen hol de nacht door te moeten brengen. Maar Jaap Verduin wordt verdacht van illegaal wapenbezit en het bedreigen van een ambtenaar in functie. Daar staat volgens artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht een straf op van maximaal een jaar. Dus laat hem maar gerust een nachtje zitten! Goedenavond!’

Hij had de tram naar huis genomen en thuis had hij nog snel het een en ander opgeruimd en rechtgetrokken. Het zag er volgens hem weer net zo uit als toen ze vertrokken was.

‘Jurre, wat heb je er een troep van gemaakt!’ Mevrouw De Cock had haar jas nog maar net uit en stond al hoofdschuddend midden in de kamer. De Cock was zich werkelijk van geen kwaad bewust.

‘Maar ik ben blij dat ik weer terug ben.’

‘Ik ook,’ beaamde hij zacht.

‘Is de zaak opgelost?’ vroeg ze belangstellend.

‘Ja, zo goed als. Nog een paar rafelrandjes, maar dan heb ik het wel rond.’

‘Vertel me er alles van. Wie heeft er een steen door onze ruiten gegooid?’

De Cock moest lachen om haar strijdlustige toon.

‘Nog niet. Morgen, als het goed is morgen. Nu gaan we eten.’

Mevrouw De Cock keek hem verwijtend aan. ‘Maar ik heb niets in huis.’

‘Ik kan pizza’s bestellen,’ zei hij zo achteloos mogelijk. Mevrouw De Cock keek hem even verbaasd aan en moest toen lachen.

‘Dus zo ben jij de dagen doorgekomen!’

‘Trek je jas maar weer aan, ik ken een heel goede Chinees.’


De volgende ochtend liet De Cock zich al vroeg oppikken door Vledder. Hij stapte in de oude Volkswagen Golf en legde zijn hoedje op zijn schoot.

‘We gaan naar Zoetermeer.’

Vledder blikte verbaasd opzij.

‘Wat moeten wij in Zoetermeer?’

De Cock glimlachte geheimzinnig.

‘Daar bevindt zich het gebouw van de Dienst Nationale Recherche Informatie.’

‘Gerrit Beumer.’

‘Heel goed, Dick,’ zei De Cock bewonderend. En daarna deed hij er het zwijgen toe. Vledder wist uit ervaring dat het geen zin had om de grijze speurder te bewegen wat meer informatie met hem te delen. De Cock zat te broeden en Vledder moest geduldig wachten wat er uit het ei kwam.

De DNRI was gevestigd in een grote betonnen kolos, waarachter je als je goed keek, het gebouw van de nationale veiligheidsdienst kon ontwaren. Beide gebouwen oogden weinig toegankelijk, hetgeen natuurlijk ook de bedoeling was.

De Cock wist dat Gerrit Beumer in dat betonnen gebouw zijn kantoor had, maar zekerheid dat hij tot hem zou worden toegelaten, had hij niet. Hij had zijn bezoek niet willen aankondigen om geen slapende honden wakker te maken.

‘Blijf jij maar in de auto wachten. Ze vinden hier één indringer al meer dan genoeg.’ Hij klopte Vledder op zijn schouder en stapte uit.

Het zou natuurlijk zomaar kunnen dat Gerrit hem geen toegang zou willen verschaffen. De Cock had besloten om het eropaan te laten komen en te vertrouwen op zijn intuïtie.


Het was niet erg druk in de grote centrale hal. De zitjes voor bezoekers oogden verlaten. Achter de balie bedienden twee medewerkers met headsets op de telefoon via hun computer en een derde stond te praten met een diender die half over de balie hing en blijkbaar een leuk verhaal vertelde, want de man achter de balie moest schateren van het lachen. De toegang tot de rest van het gebouw was afgesloten door een halfhoge glazen wand die op twee plekken werd onderbroken door een tourniquet.

Een bezoeker in uniform liep naar de tourniquet en hield een pasje voor een sensor waardoor de tourniquet in beweging kwam en de man door kon lopen tot de grote trap die naar boven leidde. Zo’n pasje had De Cock niet.

Hij kuierde naar de balie, haalde zijn identificatiebewijs tevoorschijn en richtte zich tot de lachende medewerker.

‘Ik heb een afspraak met Gerrit Beumer,’ begon hij met veel lef, ‘mijn naam is De Cock.’

‘Met ceeooceekaa?!’ De diender die eerst half over de balie hing had zich nu rechtstreeks tot De Cock gewend. Die keek hem verbaasd aan.

‘Inderdaad,’ antwoordde hij enigszins bedremmeld.

‘Man! Jij bent beroemd!’

De Cock wist niet zo goed wat hij hiervan moest denken.

‘Nou, dat valt wel mee. Ik doe gewoon mijn werk.’

De diender moest lachen en wendde zich weer tot de man achter de balie.

‘Je zou de verhalen moeten horen die Gerrit over hem vertelt. U heeft hem alles geleerd, waar of niet?’ De Cock keek de goedmoedige politieman welwillend aan.

‘Bijna alles,’ sprak hij met een zweem van spot.

‘De rest komt u hem dan zeker vandaag vertellen!’ lachte de diender. Hij wist niet half hoe gelijk hij had.

‘Als ik er even door mag,’ vroeg De Cock bescheiden, en hij hield in gedachten zijn vingers gekruist.

‘Tweede verdieping, kamer 212,’ zei de baliemedewerker. ‘Als u bij het poortje gaat staan, druk ik het voor u open.’

De Cock liep naar de tourniquet en telde zijn zegeningen.


Gerrit Beumer werd niet overvallen door de komst van rechercheur De Cock naar kamer 212. Hij was gebeld door de balie dat zijn bezoek eraan kwam. Dat had hem verbaasd, want hij verwachtte geen bezoek. Toen hij de naam van zijn bezoeker vernam, had hij inwendig moeten lachen, hoewel hij niet bepaald uitkeek naar het gesprek.

‘Doe je jas uit. Koffie?’

‘Ik blijf maar even.’

De Cock nam tegenover Beumer plaats. Het was een sfeerloze kamer. Grijze wanden, slechts onderbroken door een whiteboard en een raam met uitzicht op een desolaat parkeerterrein. Ook op het grijze, strakke bureau was geen foto of ander persoonlijk element te bespeuren. Er lagen zelfs geen papieren. Op de laptop na was het bureaublad maagdelijk leeg. Dit was het kantoor van niemand.

De Cock nam zijn oude vilten hoedje af en legde het op de rand van het bureau.

‘Je hebt je niet aangemeld,’ opende Beumer het gesprek.

‘Nee. Ik wist namelijk niet zeker of jij mij wel wilde zien.’

‘Waarom zou ik jou niet willen zien, De Cock?’

‘Omdat ik vervelende vragen stel?’ opperde de grijze speurder.

‘Dat is je beroep. Daar worden wij voor betaald.’

‘Maar ik kreeg de afgelopen tijd niet de indruk dat jij er erg gelukkig mee was.’

Er viel een stilte tussen de twee mannen. De Cock kon de klok boven de deur heel zacht horen tikken. Beumer zakte onderuit op zijn stoel en vouwde zijn armen voor zijn borst, alsof hij zich af wilde sluiten voor de wereld. Zijn gezicht vertoonde een frons.

‘Ik heb je iets duidelijk willen maken, De Cock. Tot twee keer toe heb ik geprobeerd je op vriendelijke wijze te laten stoppen met het onderzoek.’

‘En de derde keer heb je een steen door mijn ruit gegooid.’

Beumer negeerde de opmerking en keek de oude speurder nieuwsgierig aan.

‘Waarom zet jij zo’n onderzoek dan toch door?’

‘Je zei het net zelf, Gerrit, daar word ik voor betaald.’

‘Je wordt betaald om orders op te volgen.’

‘Je kent me beter, jongen. Ik volg niemand klakkeloos. Behalve misschien Hem daarboven.’ De Cock blikte even vroom naar het plafond. ‘Maar dan nog alleen in het uiterste geval. Een moord is een moord en ik word geacht die op te lossen.’

Het was een delicaat schaakspel tussen de twee mannen en de openingszetten waren voorzichtig. Beumer ging weer rechtop in zijn stoel zitten en keek naar zijn nagels.

‘Ik ben het je niet verschuldigd, De Cock, maar ik wil je wel uitleggen wat er hier speelt.’

‘Graag,’ zei De Cock en hij nam een afwachtende houding aan.

‘Het is volkomen begrijpelijk dat jij je blik gericht houdt op jouw directe omgeving. Jij bent aangesteld om misdaden op te lossen in Amsterdam. Mijn werkterrein is de wereld.’

Hij liet de laatste woorden even hangen, maar De Cock was niet in het minst geïmponeerd.

‘En in die wereld is een oorlog gaande, De Cock. Het is de goeden tegen de slechten. Net als vroeger in de film. Wij voeren een constante strijd tegen de internationale misdaad die overal zijn vertakkingen heeft. Wij proberen hier die netwerken in kaart te brengen. Informatie te verzamelen om een beter inzicht te krijgen in wat er speelt. En ik heb het niet alleen over drugshandel, maar ook over mensensmokkel, wapenhandel, grootschalige financiële fraude en natuurlijk de kunsthandel.’

‘Keesing,’ concludeerde De Cock.

‘En daar komt inderdaad de heer Keesing om de hoek kijken. Weet je zeker dat je geen koffie wilt?’

De Cock schudde zijn hoofd en bleef zijn vroegere leerling strak aankijken.

‘Kunst wordt in de onderwereld veel gebruikt als betaalmiddel, als belegging, een manier om zwart geld te witten. En er is heel veel zwart geld om te witten, zoals je ongetwijfeld zelf ook wel weet. En er is bijna geen controle op. Speciale rechercheafdelingen die zich bezighouden met kunsthandel zijn in de loop der jaren opgedoekt. Bezuinigingen. Op drugs en wapens kun je niet bezuinigen, wel op kunst. Daar gaat niemand aan dood.’

‘Behalve iemand als Wim de Jongh,’ opperde De Cock cynisch.

‘Onze Amerikaanse vrienden noemen dat collateral damage: onbedoelde schade in een grotere strijd. Er is een oorlog gaande, zoals ik al zei.’

Onbedoelde schade! De Cock kreeg een smerige smaak in zijn mond. Hier werd over mensenlevens gesproken alsof het gebruiksvoorwerpen waren die toevallig in de weg lagen.

Beumer vervolgde onaangedaan zijn verhaal.

‘Doordat de controle minimaal is, is kunst voor de internationale onderwereld van steeds groter belang geworden. Keesing is door zijn uitgebreide internationale netwerk een sleutelfiguur geworden tussen de onderwereld en de bovenwereld. Wij hebben hem nodig om die ingewikkelde netwerken in kaart te brengen, om misdaadsyndicaten te kunnen oprollen en uiteindelijk duizenden mensen het leven te kunnen redden. Hem voor een paar jaar achter de tralies zetten brengt deze operatie in groot gevaar. Vandaar.’

Beumer was klaar, maar de nieuwsgierigheid van De Cock was nog niet geheel bevredigd.

‘Wat was zijn rol bij Bruidje in de morgen?’

‘Keesing trof bij toeval in Amerika een onbekend schilderij van Gerard ter Borch aan, een gerenommeerd schilder uit de zeventiende eeuw. Beeldschoon schilderij, zoiets vind je eens in je leven. En de eigenaar was bereid het te verkopen. Onderhands, dus niet via de veiling.’

‘En Keesing bood het de Staat der Nederlanden aan.’

‘Natuurlijk, dat schilderij hoort in het Rijksmuseum.’

‘Dat schilderij wel,’ merkte De Cock droog op, ‘niet het valse exemplaar! Want door die vervalsing is de hele zaak uit de hand gelopen.’

Beumer hief in een verontschuldigend gebaar zijn handen.

‘Het spijt me, De Cock, ik heb je al te veel verteld. Specifieke details aangaande het onderzoek kan ik je niet geven.’

‘Dat hoeft ook niet,’ zei De Cock superieur, ‘want die weet ik al. Keesing heeft het schilderij dat in Amerika de goedkeuring van Van Deijssel had gekregen, laten namaken en het vervalste schilderij ging naar het Rijksmuseum. De vraag is wat er gebeurde met het echte schilderij. Ik dacht eerst dat het wel gekocht zou zijn door een Chinees of een rijke oligarch uit Rusland. Maar ik denk nu, na jouw verhaal, aan zijn uitstekende contacten: dat hij het heeft doorverkocht aan de onderwereld. Waarom? Om aan de muur te hangen?’

Het was geen echte vraag, toch haalde Beumer zijn schouders op. Hij was niet meer zo geïnteresseerd in het gesprek.

‘Nee,’ vervolgde De Cock, ‘het was voor de handel. Over een jaar of wat zou iemand namens de onderwereld heel discreet de directeur van het Rijksmuseum benaderen en hem influisteren dat hij kon bewijzen dat het “Bruidje” dat in zijn museum hangt vals is, maar dat hij hem gelukkig het echte schilderij kon aanbieden! Tegen een zacht prijsje uiteraard. En de directeur zou toehappen, hij zou niet anders kunnen. En ach, een paar miljoen meer of minder maakt op zo’n bedrag ook niet meer uit. En alle geruchten over een vals Bruidje in de morgen waren in één klap de wereld uit.’ De Cock hield even stil, maar Beumer liet geen enkele reactie blijken. ‘Keesing pakte aan twee kanten geld, zowel voor het echte als voor het valse schilderij. En jullie lieten hem in Nederland zijn gang gaan, omdat hij zo belangrijk is voor de wereld! Ik zeg je, Gerrit: hij komt hier niet mee weg.’

Ze keken elkaar aan. Het had iets van het spelletje dat De Cock vroeger op het schoolplein speelde: wie er het eerst met zijn ogen knippert heeft verloren! Maar Beumer was niet in voor spelletjes.

‘Ik heb je altijd bewonderd, De Cock, en nu blijkt maar weer eens hoe gelijk ik daarin had. Je hebt het slim uitgedacht en in grote trekken denk ik dat je gelijk hebt. Keesing werkte voor ons, maar hij had ons niet op de hoogte gebracht van zijn frauduleuze handelingen met Bruidje in de morgen. Dat deed hij op eigen houtje. Hij had echter niet verwacht dat Van Deijssel zo tekeer zou gaan en hem aan de schandpaal wilde nagelen.’

‘En daarom moest hij dood?’

Beumer haalde onverschillig zijn schouders op. ‘Neuh, Van Deijssel was het probleem niet. Een gefrustreerde prof die een foutje had gemaakt. Nee, het probleem was dat er iemand was die zei te kunnen bewijzen dat het “Bruidje” vals was.’

‘Wim de Jongh.’

‘Daar lag eerder het probleem voor Keesing, ja. Wij hebben hem gevraagd zijn probleem op te lossen en dat heeft hij… eh… op zijn eigen wijze gedaan.’

‘Door De Jongh uit een raam te gooien. En jullie hebben dat afgedekt!’ bracht De Cock bitter te berde.

‘Wij waren er niet blij mee, maar wij moesten hem wel dekken, zoals ik je al uitlegde. Hij had er een puinhoop van gemaakt, maar ik kreeg van hogerhand de opdracht om het geheel in de doofpot te stoppen.’

De Cock schudde grimmig zijn hoofd om de doorzichtige wijze waarop de internationale misdaadbestrijder trachtte zijn bordje schoon te vegen.

‘Ik wist dat het moeilijkste van die hele operatie zou zijn om jou te laten stoppen met je onderzoek,’ ging Beumer verder. ‘Maar jouw strijd eindigt hier, De Cock. Wat wij hebben besproken blijft binnen deze muren. Er is geen enkel bewijs dat Keesing het schilderij heeft vervalst.’

De Cock keek zijn voormalige leerling glimlachend aan.

‘Maar, Gerrit, je denkt toch niet dat ik helemaal naar Zoetermeer ben gekomen, met het risico dat ik niet tot jou zou worden toegelaten, als ik niet kon bewijzen dat Keesing het schilderij heeft laten vervalsen?’

Beumer nam een alertere houding aan. Het hele gesprek tot nu toe had hij op minzame wijze gevoerd, zoals een man die weet dat hij niet kan verliezen. Maar dit vertrouwde hij niet. De Cock stak zijn hand in zijn binnenzak en haalde er de envelop uit die hij de avond daarvoor van de secretaresse van Van Deijssel had gekregen. Hij nam er een polaroidfoto uit en toonde die aan Gerrit Beumer.

De foto was genomen in het atelier van Jaap Verduin. Jaap Verduin stond erop, een kwast in zijn hand. Achter hem stond op een schildersezel een groot doek: Bruidje in de morgen. Het was zo te zien nog niet helemaal af, maar Jaap was een eind op weg. Naast de ezel stond Keesing, met zijn rug naar de fotograaf, het doek te bewonderen.

‘Deze foto is genomen door Cindy de Vries, die de foto verkocht aan Wim de Jongh, die op zijn beurt de foto wilde doorverkopen aan professor Van Deijssel.’

Beumer staarde geschrokken naar de foto. De Cock stond op.

‘Je mag hem houden. Het is een kopie. Het origineel hou ik in een kluis. Ik heb de moordenaar, het motief en het bewijs. Je kunt dit niet langer tegenhouden. Alles voor niets, Gerrit. Al die moeite, al die doden, allemaal voor niets.’

Загрузка...