10

Met een zwierige buiging en ontbloot hoofd nam De Cock afscheid van de bekoorlijke Laetitia van Dalen. De oude rechercheur wist welke eerbied hij vrouwelijk schoon verschuldigd was.

Hij kwam na zijn buiging wat stram overeind en schonk Laetitia zijn beminnelijkste glimlach. Daarna draaide hij zich om, zette zijn oude hoedje weer op zijn grijze haardos en schoof met Vledder aan zijn zijde vanuit de Dollebegijnensteeg de Sint Annendwarsstraat in.

De regen kwam nog steeds met bakken uit de hemel. De grijze speurder trok de kraag van zijn regenjas weer omhoog. De zelfgebreide wollen trui die zijn vrouw hem dwong te dragen zolang er een ’r’ in de maand was, kriebelde in zijn nek. Vledder bleef op de hoek van de Dollebegijnensteeg staan en blikte naar het blauwe naambordje aan de gevel. Met drie forse stappen haalde hij De Cock in.

’Jij weet zoveel van Amsterdam,’ riep hij zwaaiend achter zich, ’bestaan er dolle begijnen?’

De oude rechercheur glimlachte.

’Volgens historici stamt die naam uit de vijftiende eeuw en is vrijwel zeker afgeleid van een uithangbord of een gevelsteen. Ik vermoed dat daar een kroegje is geweest dat die naam droeg.’

Vledder lachte.

’Genoemd naar een jolig begijntje, dat zich na een bezoek aan het kroegje wat dolletjes gedroeg.’

De Cock knikte.

’Het zou best kunnen. Amsterdam kende in die tijd vele begijntjes. Ze waren beslist niet altijd even dol. Integendeel, het waren devote, in gemeenschap levende vrouwen met een religieuze beleving. Begijnen hielden het midden tussen leken en kloosterlingen.’

De oude rechercheur blikte na zijn uitleg opzij.

’Hoe vond je onze Laetitia?’

’Een knappe meid. Jammer dat ze in de prostitutie verzeild geraakt is. Het is in feite verschrikkelijk dat zoiets moois zich zomaar voor geld te koop aanbiedt.’

De Cock maakte een berustend gebaar.

’Volgens de bijbel zijn ze er altijd geweest, hoeren en tollenaars. Ze waren Onze-Lieve-Heer het meest dierbaar.’ De oude rechercheur glimlachte vertederd.

’La-e-ti-ti-a,’ sprak hij met welbehagen, ’een prachtige naam. Ik zou geen betere naam voor een hoertje kunnen bedenken.’

’Hoezo?’

De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.

’Laetitia betekent vreugde. Of uitgebreider: zij die vreugde schenkt.’

Vledder bromde.

’De vreugde van ene Maurice de Bouchardon.’

Het klonk bitter.

De Cock glimlachte.

’Denk aan je voorgenomen huwelijk met Edmay,’ waarschuwde hij schertsend. ’Weet wat je doet. Maurice de Bouchardon vindt trouwen het stomste wat een man kan doen.’

Het gezicht van Vledder verhardde.

’Die vent is een parasiet,’ reageerde hij fel. ’Ik verzeker je, als de schoonheid van Laetitia verbleekt, koopt hij een ander hoertje.’

Een tijdje liepen ze zwijgend voort. Het werd stiller op straat. De felle regen joeg zelfs de meest verstokte hoerenloper uit de rosse buurt.

Vledder keek zijn oudere collega van terzijde aan.

’Wil je nog even langs de kit?’

De Cock knikte nadrukkelijk.

’Absoluut. Je weet nooit of er nieuwe ontwikkelingen zijn.’ Vledder liet zijn hoofd mistroostig hangen.

’Ik ben het anders goed zat,’ verzuchtte hij. ’Wat een dag hebben we achter de rug. Over werkdruk gesproken. Wie krijgt er op een enkele dag zoveel te verwerken als wij, twee simpele, sobere rechthandhavers uit de Amsterdamse Warmoesstraat? Vergeten wordt dat ik ook Edmay wel eens wil zien.’ De Cock hield zijn hoofd iets voorover en liet het regenwater uit de rand van zijn hoed lopen.

’Steek van wal,’ sprak hij bemoedigend.

’Waarmee?’

’Onze werkdruk.’

’Jij begon vandaag met een hooglopende ruzie met commissaris Buitendam, die er volgens jou ten onrechte op aandrong om niet te veel aandacht aan de moord op de zwerver Harold de Vries te besteden.’

De jonge rechercheur zweeg even.

’We ontmoetten daarna een bezorgde Jeroen van Moerdijk, die Maurice de Bouchardon van moord op zijn zwager beschuldigde.

Vervolgens meldde zich Adriaan van Bovenkerk, een zwerver die uitdrukkelijk zijn medewerking opeiste bij het vinden van de moordenaar van de betreurde medezwerver Harold de Vries.’

Vledder ademde diep.

’Op Westgaarde zag ik een boze Madeleine de Bouchardon op het lijk van haar ex-man spuwen. Daarna woonde ik een vervelende en langdurige gerechtelijke sectie bij, waar dokter Rusteloos zich druk maakte over een minuscuul steensplintertje in de beschadigde hersenmassa van de vermoorde.’

De Cock stak zijn vinger op.

’Maurice de Bouchardon preekte bij mij zijn onschuld en verwees naar zijn emotionele vader, die hij zonder enige schroom als de absolute dader aanwees.’

Vledder knikte instemmend.

’Adriaan van Bovenkerk bracht ”getuige” Jules de Graaf, die op de plaats van het misdrijf een zwerver had waargenomen die stonk, maar van wie hij verder geen enkel signalement kon geven.’

De Cock zuchtte.

’Marcel de Bouchardon, een wat gewelddadige jongeling, verwees naar zijn zuster Madeleine als de basis van al het kwaad. Tot slot van alle verwarring vonden wij op de kop van het Stenenhoofd een nieuwe dode zwerver.’

’Johnny van der Kamp, een lijk dat stonk.’

De jonge rechercheur haalde diep adem.

’En dan zijn we er nog niet. Adriaan van Bovenkerk, zelf aanwezig op de plek van het misdrijf, vertelde vanaf de Westerdoksdijk een zwerver in een donkere auto te hebben zien wegrijden.’

De Cock knikte.

’En Smalle Lowietje vernam uit betrouwbare bron dat Adriaan van Bovenkerk vóór zijn zwerversbestaan een groot advocatenkantoor leidde.’ Vledder grinnikte.

’Maurice de Bouchardon trakteerde diezelfde Adriaan van Bovenkerk in het etablissement van Smalle Lowietje heel menslievend op een pilsje.’

De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi.

’Het gebeurde — toeval of niet? — enige tijd voor de moord op Johnny van der Kamp, waardoor Adriaan van Bovenkerk wat verlaat op het Stenenhoofd bij het warme rooster kwam.’ De grijze speurder liet de grillige accolades om zijn mond dansen.

’En last but not least aast, zo zegt de bekoorlijke Laetitia, Maurice de Bouchardon op een grote partij diamanten, die ook door anderen wordt begeerd.’

’Wie in deze warwinkel nog enig licht ziet…’

Vledder maakte zijn zin niet af.

Toen de rechercheurs de hal van het politiebureau aan de Warmoesstraat binnenstapten, wenkte Jan Kusters De Cock van achter de balie met een kromme vinger.

De oude rechercheur liep op de wachtcommandant toe en stak dreigend zijn wijsvinger naar hem uit.

’Ik ga gillen,’ sprak hij spottend, ’als jij mij vertelt dat er weer ergens een lijk ligt.’

Jan Kusters lachte vrolijk.

’Het is jammer, ik heb nog geen melding van een nieuw lijk. Maar ik verzeker je, mocht er vannacht nog zo’n melding komen, dat ik die met het grootste plezier aan je doorgeef.’ De Cock trok een grijns.

’Wat heb je dan?’

Jan Kusters wees omhoog.

’Boven zit al bijna een uur een man op je te wachten.’

’Een zwerver?’

De wachtcommandant schudde zijn hoofd.

’Een keurig geklede man. Hij vroeg naar jou. Toen ik hem vertelde dat jij er niet was, vroeg hij of hij op je mocht wachten.’

’Wat jij genadig toestond.’

Jan Kusters keek hem verongelijkt aan.

’Jij had voor de nacht nog geen afscheid van mij genomen, dus wist ik dat je nog wel even langs zou komen.’

’Heb je zijn naam?’

De wachtcommandant schudde zijn hoofd.

’Op het moment dat hij zich meldde, was het hier voor de balie een heksenketel… ruzie tussen twee Duitsers, een Fransman en een Canadees over een hoertje uit het Oostblok.’

De Cock grijnsde.

’Je hebt het zwaar.’

Hij draaide zich om en besteeg opmerkelijk kwiek de stenen trappen naar de tweede etage.

Vledder volgde met vermoeide tred.

Op de bank bij de deur naar de grote recherchekamer zat een man. Toen hij de oude rechercheur in het oog kreeg, stond hij op en liep op hem toe.

’U bent rechercheur De Cock? De Cock met… eh, met ceeooceekaa?’

De grijze speurder moest een glimlach onderdrukken. Hij keek de man voor zich zwijgend aan. Hij schatte hem op achter in de veertig. Wellicht iets ouder.

De man had bruine ogen, lichtgolvend zwart haar, iets grijzend aan de slapen. De man was keurig gekleed, een heer. Onder zijn vrijwel droge beige regenjas droeg hij een stemmig donkerblauw driedelig kostuum, een spierwit overhemd met een effen rode stropdas.

Het zwijgen van De Cock stoorde de man zichtbaar. ’U… eh, u bent toch rechercheur De Cock?’ vroeg hij ongeduldig.

De oude rechercheur knikte.

’U wilt mij spreken?’

’Inderdaad. Ik blijf niet voor niets uren op u wachten.’ De Cock liep aan de man voorbij.

’Gaat u maar mee.’

Hij opende de deur naar de grote recherchekamer, zwiepte zijn oude hoedje missend naar de kapstok en ging met zijn regenjas nog aan achter zijn bureau zitten. Daarna keek hij op naar de man die hem was gevolgd.

’Hoe later op de avond,’ declameerde hij, ’hoe schoner volk. Neemt u plaats.’

De man ging aarzelend zitten.

’Ik… eh, ik heb,’ opende hij voorzichtig, ’vanavond een vreemd telefoontje gekregen.’ Hij stopte even. Over zijn ovaal gezicht gleed een glimlach. ’Laat ik mij eerst even aan u voorstellen. Mijn naam is Baardwijk… Antoon Baardwijk. Ik woon in Aerdenhout. Ik ben directeur van een exportbedrijf in Haarlem.’

’U kreeg een telefoontje.’

Antoon Baardwijk knikte.

’Iemand raadde mij aan om contact met u op te nemen. Letterlijk zei de man: ”Ga naar het politiebureau aan de Warmoesstraat in Amsterdam en vraag naar rechercheur De Cock met ceeooceekaa”.’

Hij maakte een verontschuldigend gebaar.

’Vandaar dat ik uw naam spelde.’

De Cock knikte begrijpend.

’Wat zei die man nog meer?’

’Dat u een mededeling voor mij had.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

’Ik heb geen mededeling voor u,’ sprak hij hoofdschuddend. ’Ik zie u vanavond voor het eerst en ik heb uw naam nog nooit horen noemen.’

Antoon Baardwijk keek hem peinzend aan.

’Vreemd. Ik kreeg toch de indruk dat het de man ernst was. Ik bedoel, het was geen grap.’

De Cock boog zich iets naar Baardwijk toe.

’Heeft de man zijn naam genoemd?’

Antoon Baardwijk knikte.

’Ik weet alleen niet of ik zijn naam goed heb verstaan. Het was iets met ’Boven…Bovendijk…Bovenkant… of zoiets.’ De Cock trok zijn wenkbrauwen samen.

’Bovenkerk?’ opperde hij.

Antoon Baardwijk reageerde onzeker.

’Dat kan het wel zijn geweest.’

’Van Bovenkerk?’

Antoon Baardwijk zuchtte.

’Het is stom dat ik zijn naam niet heb genoteerd. Ik heb ook niet verder gevraagd. Ik ging ervan uit dat u inderdaad een mededeling voor mij had. Het leek mij ernstig genoeg. Ik ben onmiddellijk in mijn wagen gestapt en ben naar Amsterdam gereden.’

De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.

’Ik stel u een vreemde vraag: hebt u relaties met zwervers?’ Antoon Baardwijk keek hem verward aan.

’Hoe bedoelt u dat?’

De Cock spreidde zijn handen.

’Kent u mensen die een zwervend bestaan leiden?’ Antoon Baardwijk schudde nadenkend zijn hoofd. ’Nee.’

’Zegt de naam Harold de Vries u iets?’

’Nee.’

’Johnny van der Kamp?’

De ogen van Antoon Baardwijk lichtten op.

’Johnny… ja, Johnny, mijn halfbroer. Aan hem dacht ik even niet.’

’Leidt hij een zwervend bestaan?’

Antoon Baardwijk knikte.

’Na de dood van mijn vader, Antonius Baardwijk, trouwde mijn moeder voor de tweede keer, met een Johannes van der Kamp. Dat had ze nooit moeten doen. Die vent deugde niet. Het ergste was nog, dat ze van hem zwanger werd en een zoon baarde.’

’Johnny van der Kamp.’

Antoon Baardwijk knikte.

’Johnny. Ik ben niet samen met hem opgevoed. Ik was toen gelukkig al het huis uit. Hij is achttien jaar jonger dan ik.’

’U hebt geen contact meer met hem?’

Antoon Baardwijk tuitte zijn lippen.

’Soms, soms belt Johnny mij op en dan maak ik een afspraak met hem ergens in een café hier in Amsterdam. Ik heb niet graag dat hij in zijn slordige outfit naar Aerdenhout komt.’ De Cock glimlachte.

’Een kleine familiereünie?’

Antoon Baardwijk liet zijn hoofd iets zakken.

’Johnny zit altijd om geld verlegen. Als hij platzak is, dan belt hij.’

’En dan gaat u naar Amsterdam om hem wat te geven?’ Antoon Baardwijk glimlachte.

’Niet te veel. Dat zou niet goed zijn. Maar toch wel genoeg voor hem en zijn maat om er een tijdje op te teren.’ De man keek op. De uitdrukking op zijn gezicht veranderde. ’Is er wat… is er wat met Johnny?’

In zijn stem klonk achterdocht.

De Cock knikte traag.

’Hij is dood. Iemand sloeg hem vanavond zijn hersens in.’

’Vermoord?’

De Cock knikte opnieuw.

’Duidelijk.’

Antoon Baardwijk trok zijn gezicht strak.

’De man die mij belde, moet dat hebben geweten.’

’Die wist het. Hij was de man die het ontzielde lichaam van Johnny ontdekte.’

’Waar was Pieter dan?’

’Wie is Pieter?’

’Zijn maat… zijn lijftrawant. Die twee waren onafscheidelijk. Ik heb Johnny nog nooit zonder zijn Pieter gezien.’ De Cock kauwde op zijn onderlip.

’Weet u iets meer van die Pieter?’

Antoon Baardwijk verzonk in gepeins.

’Hij was een Belg… kwam uit Antwerpen… was ongeveer even oud als Johnny.’

’Achternaam?’

Antoon Baardwijk schudde traag zijn hoofd.

’Heb ik nooit gehoord.’

De Cock strekte zijn wijsvinger naar hem uit.

’Als u geld bracht… gebeurde dat steeds in hetzelfde café?’

’Ja.’

’Welk?’

’Een klein kroegje op de hoek van de Achterburgwal en de Barndesteeg.’

De Cock veerde op.

’Smalle Lowietje.’

Antoon Baardwijk maakte een schouderbeweging. ’Ik weet niet hoe dat kroegje heet. Volgens mij heeft het geen naam. Er is geen uithangbord en er staat niets op de ruiten.’ De Cock glimlachte.

’Smalle Lowietje zwaait daar de scepter.’

Antoon Baardwijk zweeg secondenlang. De uitdrukking op zijn gezicht versomberde.

’Johnny deugde niet,’ sprak hij hoofdschuddend. ’Ik weet dat hij en zijn maat vaak kleine diefstallen pleegden. In een overmoedige bui hebben ze mij dat wel eens verteld. Toch wens je niemand zo’n einde.’

Hij keek naar De Cock op.

’Weet u al wie het heeft gedaan?’

De oude rechercheur schudde zijn hoofd.

’Ik heb nog geen flauw idee. Iemand met een duister motief. Op dezelfde plek is een dag tevoren ook een zwerver vermoord… op dezelfde wijze.’

Antoon Baardwijk reageerde niet. De woorden van De Cock gleden langs hem heen. Hij schudde zijn hoofd.

’Arme Johnny,’ sprak hij bewogen. ’En hij dacht nog wel rijk te worden.’

De Cock verstarde.

’Rijk?’

Antoon Baardwijk knikte.

’De laatste keer dat ik hem sprak, deed hij nogal geheimzinnig. Binnenkort, zei hij… binnenkort heb ik jouw centen niet meer nodig.’

Загрузка...