Vledder keek De Cock verwonderd aan.
’Je liet hem zonder meer gaan,’ sprak hij niet-begrijpend. De Cock schudde zijn hoofd.
’Niet zonder meer. Hij gaat pogingen doen om de zwerver met de donkere wagen op te sporen.’
Vledder grinnikte smalend.
’Wat is zo’n toezegging waard?’
’Hij bracht ons Jules de Graaf. Hij heeft blijkbaar mogelijkheden, mogelijkheden die ik niet ken, kanalen die ik niet kan openen.’ Vledder schudde zijn hoofd.
’Volgens mij,’ sprak hij zoet grijnzend, ’was je toch bang voor wat die Adriaan van Bovenkerk de grootste stommiteit uit je carrière noemde.’
’Adriaan van Bovenkerk,’ sprak De Cock bedachtzaam, ’is een man met blijkbaar veel relaties. Bovendien is hij sluw en intelligent. En vooral tegen sluwe en intelligente mensen moet je geen stommiteiten begaan.’
Vledder keek hem schuins aan.
’Het arresteren van Adriaan van Bovenkerk zag jij als een stommiteit?’
De Cock knikte.
’Gezien de huidige stand van ons onderzoek was dat niet verstandig geweest.’
’Is hij in jouw ogen dan geen redelijke verdachte?’ De Cock knikte traag.
’Dat is hij wel. Hij bevond zich op de plek van het misdrijf. We hadden hem op basis daarvan wel enige tijd kunnen vasthouden. Maar zonder verdere aanwijzingen hadden we hem toch weer moeten laten gaan. En ik laat niet graag verdachten tussen mijn vingers door glippen.’
De oude rechercheur trommelde met zijn vingers op het bureau.
’Wat ik mis,’ ging hij verder, ’is het motief. Waarom zou Adriaan van Bovenkerk die Johnny van der Kamp vermoorden? En bedenk: als wij Adriaan van Bovenkerk verantwoordelijk achten voor de moord op Johnny van der Kamp, dat wij dan ook moeten bewijzen dat hij Harold de Vries vermoordde.’
’Hoezo?’
De Cock keek zijn jonge collega verwonderd aan.
’Snap je dat niet?’
’Niet direct.’
’Beide moorden zijn volkomen identiek, gepleegd op exact dezelfde wijze, door vrijwel zeker dezelfde dader. De man of vrouw die Johnny van der Kamp vermoordde, moet ook verantwoordelijk zijn voor de dood van Harold de Vries.’
’Natuurlijk. Je hebt gelijk. Het was een stomme opmerking.’ De jonge rechercheur zweeg even.
’De leden van de familie De Bouchardon,’ ging hij nadenkend verder, ’hadden een motief inzake de moord op Harold de Vries, een stalker die Madeleine de Bouchardon belaagde. In welke relatie staat de familie tot Johnny van der Kamp? Kunnen wij de familie voor beide moorden aansprakelijk stellen?’ De Cock stak een wijsvinger omhoog.
’Ogenschijnlijk pleit deze tweede moord voor de onschuld van de familie De Bouchardon. Tenzij…’
De oude rechercheur stokte.
Vledder keek hem verwachtingsvol aan.
’Tenzij wat?’
’Tenzij er een ander motief is.’
Vledder glunderde.
’Je bedoelt, dat Harold de Vries niet werd vermoord omdat hij zijn ex-vrouw lastigviel, maar om een reden die wij nog niet kennen. En in die reden, in dat motief, moet dan ook Johnny van der Kamp passen.’
De Cock keek naar hem op.
’Dick Vledder, je geest was even verduisterd, maar het licht breekt weer door. Trek die Johnny van der Kamp eens na. Probeer er achter te komen waarom hij een zwervend bestaan leidde, of er familieleden zijn met wie hij nog relaties onderhield. Als dat banale warme rooster geen rol speelt, dan moet er een ander motief voor zijn dood zijn.’
De grijze speurder stond op, slenterde naar de kapstok en kroop onder zijn oude hoedje.
Vledder liep hem verwonderd na.
’Waar ga je heen?’
De Cock draaide zich half om.
’Ik hoop dat Smalle Lowietje nog open is. Mijn dorstige keel snakt naar het fluweel van een cognackie. Kom mee.’
Lowietje, wegens zijn geringe borstomvang in het wereldje van de penoze steevast Smalle Lowietje genoemd, zwaaide al meer dan een kwarteeuw met milde hand de scepter in het schemerig intieme lokaaltje, dat hij vol trots als ’mijn etablissement’ betitelde.
Toen de rechercheurs binnenstapten, begroette hij hen uitbundig. De Cock schudde hij hartelijk de hand. Op zijn miezerig muizensmoeltje lag een gulle glans van verrukking. Smalle Lowietje was bijzonder op de grijze speurder gesteld, een genegenheid die door De Cock soms schaamteloos werd uitgebuit. De Smalle wuifde joviaal.
’Ik ben blij je weer te zien,’ riep hij vrolijk. ’Nog steeds in dienst?’
De Cock keek de caféhouder niet-begrijpend aan.
’Hoezo, nog steeds in dienst?’ De oude rechercheur gniffelde. ’Dacht je dat ze mij inmiddels wegens wangedrag hadden ontslagen?’
Smalle Lowietje glimlachte.
’Het zou mij niets verbazen als dat op een kwade dag gebeurde. Als ik goed ben geïnformeerd, dan botert het niet zo tussen jou en de commissaris.’
Het gezicht van De Cock versomberde.
’Een liefde-haatverhouding, een soort latrelatie met de nadruk op ”living apart”. Het ”together” heb ik nooit zo zien zitten.’ Smalle Lowietje lachte vrijuit.
’Hetzelfde recept?’
Zonder op antwoord te wachten, dook hij aalglad onder de tapkast en kwam omhoog met een fles Franse cognac Napoleon, die hij speciaal voor De Cock gereserveerd hield. Hij zette drie diepbolle glazen op de bar en schonk klokkend in.
’Druk aan de kit?’
De Cock trok achteloos zijn schouders op.
’Ik zit met twee dode zwervers op schoot.’
Smalle Lowietje gniffelde.
’Dat zit, dacht ik, een beetje ongemakkelijk.’
De Cock reageerde niet. Voorzichtig nam hij zijn glas op, warmde het in de kom van zijn hand en nam een slokje. Met gesloten ogen liet hij de cognac door zijn keel glijden. Begeleid door een zoete zucht zette hij het glas weer voor zich op de bar neer. ’Dit, brave Lowie,’ sprak hij teder, ’zijn van die schaarse momenten in mijn turbulent bestaan, die mij met het zoeken naar misdadigers verzoenen.’
De tengere caféhouder keek hem bewonderend aan. ’De Cock,’ sprak hij gedragen, ’je bent een poëet, een prins van het woord. Je kunt van die mooie dingen zeggen.’
De oude rechercheur negeerde de opmerking.
’Weet jij iets van zwervers?’ vroeg hij achteloos.
Smalle Lowietje keek hem bestraffend aan.
’Je mag ze geen zwervers meer noemen. Het zijn thuis- en daklozen.’
’Zwerven ze niet meer?’
De caféhouder knikte.
’Dat wel, maar ze worden tegenwoordig toch met wat meer aanzien en respect behandeld. Het woord ”zwerver” heeft een negatieve klank. Thuis- en daklozen klinkt beter.’ Hij keek peinzend naar de grijze speurder op.
’Hoe kom je aan twee dode zwervers?’
’Gevonden op de kop van het Stenenhoofd.’
’Vermoord?’
’Ja.’
Smalle Lowietje reageerde verbaasd.
’Wie vermoordt er een zwerver?’
’Een goede vraag: wie vermoordt er een zwerver en waarom?’
’Heb je nog niemand op het oog?’
De Cock schudde zijn hoofd.
’Het vreemde is, dat het er sterk op lijkt dat beide zwervers door een andere zwerver werden vermoord.’
’En dat zint je niet?’
’De dingen gebeuren niet altijd op een manier die mij zint,’ antwoordde hij joliger dan hij zich voelde.
’Ik denk dat de misdaad daar weinig rekening mee houdt.’ De oude rechercheur pakte zijn glas op en nam bedachtzaam nog een slok van zijn cognac.
’Heb jij wel eens een zwerver in je… eh, je etablissement?’
’Soms.’
’Ken jij zo iemand… min of meer persoonlijk?’
’Adriaan van Bovenkerk.’
De mond van De Cock gleed halfopen.
’Adriaan van Bovenkerk,’ riep hij verrast.
’Speelt hij dan een rol in uw onderzoek?’ vroeg Lowietje nieuwsgierig.
De Cock bedacht wat hij zou antwoorden.
’Zijdelings.’
Smalle Lowietje schoof zijn onderlip vooruit.
’Dan zou ik maar oppassen.’
’Waarom?’
De tengere caféhouder tikte met zijn kromme wijsvinger tegen de zijkant van zijn hoofd.
’Koppie koppie. Van Bovenkerk was, voor hij een zwervend bestaan ging leiden, hoofd van een advocatenkantoor.’ De Cock staarde de caféhouder geslagen aan. Het duurde lange seconden voor de grijze speurder de dreun had verwerkt. ’Hoofd van een advocatenkantoor?’ vroeg hij met enige achterdocht.
Smalle Lowietje knikte.
’Ik heb dat uit betrouwbare bron.’
’Wanneer heb je hem hier voor het laatst gezien?’
De caféhouder gebaarde naar een kruk.
’Vanavond nog. Hij zat hier bij mij aan de bar en dronk een pilsje met Maurice.’
De Cock kneep zijn wenkbrauwen samen.
’Maurice? Maurice, en verder?’
Smalle Lowietje glimlachte.
’Ik kan zijn achternaam nooit goed onthouden. Ik dacht De Bourbon of zoiets.’
De Cock slikte.
’Maurice de Bouchardon.’
De blik van de tengere caféhouder verhelderde.
’Dat is het: De Bouchardon. Hij heeft hier in de buurt een liefje.’
Wat beduusd door de onthullingen, maar met de milde gloed van de verrukkelijke cognac in hun aderen verlieten de rechercheurs het café van Smalle Lowietje. Ze slenterden zij aan zij vanaf de Barndesteeg over de Achterburgwal. De avondlucht was kil, te kil voor de maand oktober. Ondanks de stromende regen heerste er drukte op de Wallen. Een leger van behoeftigen sjokte langs de etalages, waarin een bonte mengeling aan hoertjes in het milde roze licht zat te lonken.
De Cock ging achteloos aan de drukte voorbij. Hij trok de kraag van zijn oude regenjas omhoog. Zo nu en dan wuifde hij joviaal naar een hoertje dat hij kende.
Vledder keek hem van terzijde aan.
’Maurice de Bouchardon kent dus de als zwerver opererende Adriaan van Bovenkerk.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
’O-pe-re-ren-de?’
Vledder knikte.
’Ik krijg steeds meer het idee dat hij geen echte zwerver is, dat hij zich alleen maar als zodanig presenteert.’
’Om wat voor reden?’
’Geen flauw idee.’
De Cock trok een bedenkelijk gezicht.
’Het zijn vogels van diverse pluimage. Onder de daklozen tref je de meest vreemde figuren.’
Vledder zuchtte.
’In ieder geval is het vreemd dat Maurice de Bouchardon onze Adriaan van Bovenkerk kent.’
’Hoe?’
’Wat bedoel je?’
’Kent hij hem als zwerver of als de man die een groot advocatenkantoor leidde?’
’Maakt dat verschil?’
De Cock knikte nadrukkelijk.
’Kent hij hem als advocaat, dan behoeft dat niets te betekenen, maar kent hij hem als zwerver, als dakloze, dan is er mogelijk een link naar de vermoorde Harold de Vries en Johnny van der Kamp.’
’Beide versies zijn toch ook mogelijk?’
De Cock knikte.
’Aanvankelijk als advocaat en later, min of meer toevallig, ook als zwerver. Hoe dan ook, het maakt de zaak wel ingewikkeld. Ik heb het gevoel dat wij er nog lang niet uit zijn.’
Vledder mopperde.
’Als we er ooit uitkomen.’
Het klonk verdrietig.
Bij de Oude Kennissteeg namen ze de brug naar het Oudekerksplein. Plotseling liep De Cock links de Sint Annendwarsstraat in. Vledder kwam hem na.
’Waar ga je heen?’
’Naar de Dollebegijnensteeg.’
De jonge rechercheur reageerde verrast.
’Wat moet je in de Dollebegijnensteeg?’
’Daar woont Laetitia… volgens Smalle Lowietje het blonde liefje van Maurice de Bouchardon.’
De jonge vrouw, gekleed in een ultra kort glimmend zwart rokje en getooid met een hoog opgebonden boezem in een witte blouse met volanten, keek in de deuropening van De Cock naar Vledder en terug.
Daarna schudde ze haar blonde hoofdje.
’Ik neem nooit twee mannen tegelijk mee.’
De Cock glimlachte.
’Wij zijn hier niet,’ sprak hij vriendelijk, ’om door u meegenomen te worden.’
De oude rechercheur lichtte beleefd zijn hoedje.
’Mijn naam is De Cock met eh… met ceeooceekaa.’ Hij gebaarde opzij. ’En dat is Vledder. Wij zijn beiden als rechercheur verbonden aan het bureau Warmoesstraat.’
’O, Jezus.’
De Cock schudde zijn hoofd.
’Die heeft met ons werk weinig te maken, hoop ik. Wij wilden even met u praten. Het lijkt mij beter om dat binnen te doen.’ Hij liet zijn blik over de vrouw glijden.
’In dit barre weer en uw schaarse kledij…’
De oude rechercheur maakte zijn zin niet af. Hij duwde haar met zachte drang haar werkkamertje in en liet Vledder de deur achter zich sluiten.
De vrouw keek hem wat angstig aan.
’Ik heb niets gedaan.’
De Cock bracht zijn beminnelijkste glimlach.
’Dat beweren wij ook niet. Daarvoor zijn we niet gekomen.’ Hij pakte een rotanstoeltje dat tegen de muur stond, nam plaats en legde zijn hoedje op zijn knie. Vledder bleef afwachtend bij de deur staan wachten.
’U bent Laetitia?’
Ze knikte bevestigend.
’Laetitia… Laetitia van Dalen.’
De Cock gebaarde voor zich uit.
’Doe je gordijntjes dicht,’ sprak hij vertrouwelijk, ’en ga rustig in je stoel achter het raam zitten. Wij maken het niet te lang. Wij wilden alleen even met u babbelen over uw vriend Maurice de Bouchardon.’
De blik van Laetitia van Dalen verhelderde.
’Maurice… de eeuwige vrijgezel.’
’Noemt hij zich zo?’
Laetitia van Dalen knikte.
’Daar is hij trots op. Trouwen is volgens hem het stomste wat een man kan doen. Zo’n vrouw, zegt hij, moet je in een volledig gemeubileerd huis zetten met alles d’r op en d’r an. Vaak wil ze ook nog een autootje. Het kost handenvol geld.’
Ze lachte vrijuit.
’Als Maurice getrakteerd wil worden, komt hij even naar mij. Ik geef hem alles wat hij nodig heeft. Hij is altijd volmaakt tevreden met me. Daar zorg ik wel voor. Volgens hem ben ik veel goedkoper dan zo’n vrouw met wie je trouwt.’
De Cock trok een zuinig gezicht.
’Vanuit dat standpunt heb ik de man-vrouwverhouding nog nooit bekeken. Ken je hem al lang?’
Laetitia knikte nadrukkelijk.
’Al een paar jaar. Wij zijn nog steeds erg close. Ik ben wel eens bij hem thuis geweest. Ik heb zijn vader en moeder ontmoet, lieve mensen.’
Ze zweeg even. De uitdrukking op haar gezicht veranderde. ’Toen zijn vader klant van mij wilde worden, heb ik dat toch afgewezen. Dat vond ik niet zo kies.’
De Cock keek haar vleiend aan.
’Vind ik toch netjes van je.’
Laetitia van Dalen glunderde onder de lof.
’Zijn vader bood me veel geld, maar ik kon het Maurice niet aandoen.’
’Komt hij vaak?’
’Maurice?’
’Ja.’
Het gezicht van Laetitia versomberde.
’Het is de laatste tijd wat minder. Hij heeft het zo druk, hij is achter een grote zaak aan. Als het lukt krijg ik wat moois van hem.’
’Grote zaak?’
Laetitia van Dalen glimlachte.
’Hij praat er niet graag over. Dat is gevaarlijk, zegt hij.’
’Waarom?’
’Er zijn er meer die op die partij azen.’
’Wat voor een partij?’
’Diamanten.’