Vledder liet zich met een vermoeid gebaar in de stoel achter zijn bureau zakken. Zijn jong gezicht stond zorgelijk. ’Ik heb,’ verzuchtte hij, ’meer dan vijf kwartier nodig gehad om van het sectielokaal op Westgaarde naar de Warmoesstraat te komen. Ik had het in die tijd wel kunnen lopen. Het verkeer in Amsterdam liep volkomen vast. Er was echt geen doorkomen aan… eindeloze files, obstakels als ladende of lossende vrachtwagens, demonstraties met spandoeken, vuilniskarren, opengebroken straten en bruggen die plotseling opengaan om een trekschuit door te laten.’
De Cock wachtte op een pauze in de aanklacht.
’Nog meer Amsterdamse bezwaren?’ vroeg hij grijnzend. Vledder bromde.
’In het vervolg laat ik de auto staan en ga ik op de fiets.’ De Cock lachte.
’Met Madeleine achterop?’
Vledder staarde voor zich uit.
’Ma-de-lei-ne,’ herhaalde hij zacht. De jonge rechercheur verzonk even in gepeins. Het was alsof hij een sombere herinnering verdrong. ’Ze heeft hem positief herkend,’ ging hij traag verder. ’De zwerver is inderdaad haar ex-man Harold de Vries.’ De Cock glimlachte.
’Mooi. Daar ben ik blij mee. Gelukkig geen onbekend lijk.’
’Ze was heel positief. Geen enkele twijfel. ”Het is Harold,” zei ze onmiddellijk.’
’Prachtig.’
’Ik heb nog voor de confrontatie een taxi gebeld om Madeleine naar huis te brengen. Ik vond het niet gepast haar voor de gehele duur van de sectie op Westgaarde te houden.’
De Cock knikte begrijpend.
’Hoe was de sectie?’
’Het zit mij niet mee vandaag,’ antwoordde Vledder mistroostig. ’Een rotdag. De sectie duurde ongewoon lang. Ik heb dat niet eerder meegemaakt. Dokter Rusteloos kon er niet genoeg van krijgen. Hij bleef maar in de hersenmassa van het slachtoffer zoeken.’
De Cock keek hem niet-begrijpend aan.
’In de hersenmassa?’
’Het begon al toen hij de wond in het schedeldak onderzocht. Hij zei dat hij geen idee had wat voor een slagwapen de dader had gebruikt.’
’Geen hamer?’
’Een slagwapen. Maar welk? Volgens dokter Rusteloos was het geen bijl, geen klauwhamer, geen installatiehamer, geen moker, geen knuppel, geen knots, geen met lood gevulde pijp. Wonden van die slagwapens had hij in zijn praktijk als patholoog-anatoom al eens gezien.’
’Een daar leek de verwonding van Harold de Vries niet op?’ Vledder schudde zijn hoofd.
’Het maakte dokter Rusteloos nieuwsgierig. Je weet hoe hij is. Wanneer hij iets buitensporigs tegenkomt, is hij niet te stoppen. Het werd nog erger toen hij een steensplintertje ontdekte.’ De Cock keek verrast.
’Een steensplintertje?’
’Minuscuul klein. Hij liet het op het topje van zijn wijsvinger zien. Het was, zo zei hij, vrij diep in het hersenweefsel gedrongen. Volgens Rusteloos leek het op een stukje kiezel, kristal of kwarts. Hij zou het in Rijswijk laten onderzoeken.’
’In het gerechtelijk laboratorium.’
’Precies.’
’Dan krijgen wij wel een verslag van het onderzoek.’ Vledder knikte.
’Dokter Rusteloos heeft de hersenen van het slachtoffer minutieus onderzocht. Hij hoopte nog meerdere soortgelijke splintertjes te ontdekken.’
De Cock keek hem nadenkend aan.
’Was het geen botsplinter?’
’Ik denk dat dokter Rusteloos het onderscheid wel kent. Hoeveel secties zou die oude patholoog-anatoom in zijn lange leven al hebben verricht? Toen ik hem dat eens vroeg, zei hij op dat nasale toontje van hem: Als ze allen nog leefden, dan zou men er een aardig dorp mee kunnen bevolken.’
De Cock lachte.
’Dat geloof ik. Denk eens aan het aantal lijken dat wij hem al hebben aangedragen.’
Vledder trok een ernstig gezicht.
’Dokter Rusteloos is echt geobsedeerd door de vraag wat als slagwapen is gebruikt. Dat merkte ik aan alles. Het zat hem dwars dat hij het antwoord niet kon vinden. Mochten wij op het moordwapen stuiten, dan wil hij onmiddellijk bericht.’ De Cock krabde zich achter in zijn nek.
’Zover zijn we nog niet.’
Vledder plukte aan zijn onderlip.
’Ben je nog naar de Reguliersdwarsstraat gegaan?’
’Nee.’
’Waarom niet?’
’Geen tijd. Ik heb bezoek gehad.’
’Die man die naar binnen glipte toen ik net wegging?’
’Ja, dat was Maurice de Bouchardon.’
Vledder keek geschrokken.
’Echt?’
’Ja.’
’Heb je hem onmiddellijk in laten sluiten? Zit hij beneden in de cel?’
De Cock schudde zijn hoofd.
’Daar zag ik geen reden toe.’
’Je hebt hem toch verhoord?’
’Uiteraard… langdurig.’
’Hij heeft het niet gedaan?’
’Hij zegt dat hij niet verantwoordelijk is voor de dood van zijn ex-zwager. En ik kan het tegendeel niet bewijzen.’
’Maar zijn bedreiging… zijn wilde kreet: vandaag of morgen sla ik hem zijn hersens in… gaf hij dat toe?’
’Ja.’
’En?’
’Dat was om indruk te maken.’
Vledder keek De Cock ongelovig aan.
’Op wie?’
’Zijn vader.’
’Wat heeft die ermee te maken?’
’Maurice de Bouchardon schetst zijn vader als een soort verlicht despoot, een man voor wie de eer van de familie De Bouchardon het hoogste goed is. Vanuit die optiek was Maurice bang dat zijn vader jegens Harold de Vries tot gewelddadigheden zou overgaan. Om hem daarvan te weerhouden kondigde Maurice in de familiekring luid en duidelijk aan, dat hij als oudste zoon de eer van de familie hoog zou houden door die ellendeling zijn hersens in te slaan.’
Vledder keek hem verward aan.
’En hij zegt dat hij niet de man was die Harold de Vries vermoordde?’
’Hij niet.’
’Wie dan wel?’
’Maurice is ervan overtuigd,’ sprak De Cock gedragen, ’dat zijn wilde kreet niet heeft geholpen.’
’Hoe bedoel je?’
’Dat zijn vader toch zelfstandig en eigenhandig is opgetreden en omwille van de eer van de familie Harold de Vries heeft vermoord.’
Vledder keek hem grijnzend aan.
’En dat geloof jij… een oude man met een killersinstinct.’
’Volgens Maurice de Bouchardon is zijn vader nog steeds een krachtige, atletisch gebouwde man, die gedreven door emoties en temperament beslist tot een moord in staat is. Er is geen enkele belemmering, noch lichamelijk, noch geestelijk.’ Vledder liet zijn hoofd een paar seconden hangen.
’We moeten,’ sprak hij opkijkend, ’de hele familie De Bouchardon in het cachot stoppen… Madeleine incluis.’
’Madeleine?’
Vledder knikte.
’Een vreemde tante. Tijdens de confrontatie met het lijk van haar ex-man toonde ze geen enkele emotie. Zonder enige expressie op haar gezicht bleef ze minutenlang naar het dode lichaam staren. Toen ik meende dat het lang genoeg had geduurd en ik haar sommeerde om met mij mee te gaan omdat dokter Rusteloos op mij wachtte, schuifelde ze eerst een paar meter met mij mee. Bij de deur draaide ze zich plotseling om, liep terug naar het lijk, bukte zich ver voorover en spuwde haar ex-man in het gezicht.’
’Woede?’
Vledder knikte.
’Haar ogen schoten vuur.’
De jonge rechercheur zuchtte diep.
’Ik heb het dokter Rusteloos verteld. Hij heeft de klodder later van de neus van het slachtoffer geveegd.’
’Heb je Madeleine nog gevraagd waarom ze op het lijk van haar ex-man spuwde?’
’Daar ben ik niet toe gekomen. De taxi was er en dokter Rusteloos stond bedrijfsklaar met een lancet in zijn hand op mij te wachten. Achteraf vind ik haar reactie wel begrijpelijk. Die vent heeft haar maanden achtereen op een ergerlijke manier lastiggevallen. Het is niet leuk als je telkens een zwerver achter je aan krijgt. Ik zie haar reactie als een ontlading van haat en woede.’
De Cock trok een bedenkelijk gezicht.
’Ik vind het wat extreem. Ze heeft toch ook gelukkige momenten met hem beleefd. Is daar dan niets van blijven hangen?’ Vledder wuifde het onderwerp weg.
’We moeten nog eens met haar praten, ook over het feit dat haar broer Maurice meent dat vader De Bouchardon de dader is.’ De Cock knikte.
’Maar voor ik vader De Bouchardon benader, wil ik ook met haar andere broer praten.’
’Marcel.’
’Heet hij zo?’
Vledder knikte.
’Een gewelddadige jongen.’
’In welk opzicht?’
’Een man met losse handjes… zoekt ruzie in cafés. Ik heb hem nagetrokken. Hij is al een keer voor mishandeling veroordeeld.’
’En Maurice?’
’Een blanco strafblad. Ook Jeroen van Moerdijk komt in onze administratie niet voor. Naar vader De Bouchardon heb ik nog niet gekeken.’
Er werd op de deur van de grote recherchekamer geklopt en Vledder riep: ’Binnen!’
De deur ging langzaam open en in de deuropening stond Adriaan van Bovenkerk. In zijn schamele plunje liep hij op De Cock toe en lachte breed.
’Ik heb hem gevonden,’ riep hij vrolijk.
’Wie?’ vroeg De Cock overbodig.
’De man van wie ik u vertelde. De man die de dode Harold de Vries op de kop van het Stenenhoofd ontdekte voordat die vent van de bewaking over de voeten van het lijk struikelde.’
’Waar is hij?’
De zwerver duimde over zijn schouder.
’Ik heb hem bij me,’ riep hij opgetogen. ’Hij zit in de gang op de bank.’
’Hoe heet hij?’
’Jules de Graaf.’
’Wil hij praten?’
Adriaan van Bovenkerk knikte.
’Onder één voorwaarde.’
’En die is?’
’Dat jullie hem niet arresteren.’
De opmerking kriebelde De Cock.
’Wij arresteren geen onschuldige mensen!’ riep hij feller dan zijn bedoeling was. ’Als die Jules de Graaf niet verantwoordelijk is voor de dood van Harold de Vries, dan loopt hij dit bureau net zo makkelijk uit als hij binnen is gekomen.’
’Oké.’
’Hebt u al met hem gesproken?’
Adriaan van Bovenkerk knikte.
’Uiteraard. Om hem te bewegen naar u toe te gaan, heb ik wel enige discussies met hem gevoerd. Over hetgeen hij die bewuste avond heeft gezien of gehoord, heb ik geen woord met hem gewisseld.’
De Cock keek hem ongelovig aan.
’Waarom niet?’
’Dat leek mij niet raadzaam. Ik ben geen rechercheur. Verhoren is uw vak. Bovendien wilde ik hem op geen enkele wijze beïnvloeden. Tijdens een gesprek doe je toch algauw suggesties.’
’Zoals?’
’Wat iemand beter wel of niet kan zeggen.’
De Cock glimlachte.
’Je bent een brave man. Laat die Jules de Graaf maar binnenkomen. Als je wilt, mag je buiten op de gang op hem wachten.’ Adriaan van Bovenkerk draaide zich om en liep de recherchekamer uit. Na enkele seconden duwde hij een man voor zich uit naar binnen. Hij strekte zijn arm naar De Cock uit. ’Die grijze vent daar,’ sprak hij bemoedigend, ’die moet je hebben. Hij vreet je niet op.’
Jules de Graaf kwam schoorvoetend naderbij.
De Cock nam hem onderwijl nauwkeurig in zich op. Hij was kleiner dan Adriaan van Bovenkerk. Slonziger en meer gebogen. De oude rechercheur schatte hem op achter in de veertig. Het gezicht van de man zag ziekelijk bleek. De grijze stoppels op zijn kin en de ingevallen wangen versterkten die indruk. Het jack dat de man droeg, was verkeerd geknoopt en zijn voeten staken in afgetrapte schoenen.
Voor De Cock bleef hij staan en graaide een slappe vilten hoed van zijn hoofd.
’U wilt mij spreken?’ opende hij.
De oude rechercheur gebaarde naar de stoel naast zijn bureau. ’Neemt u plaats,’ sprak hij vriendelijk. ’U bent Jules de Graaf?’ De man ging hoofdknikkend zitten, zette zijn knieën tegen elkaar en legde zijn hoedje op zijn schoot.
’Ik kom niet graag op een politiebureau,’ sprak hij verlegen. De Cock glimlachte.
’Slechte ervaringen?’
’Voor ons soort mensen zijn er verkeerde wetten. Ik ben altijd bankemployé geweest, tot ik verliefd werd op een vrouw en trouwde.’
’Wat is daar verkeerd aan?’
’Op zichzelf niets,’ antwoordde Jules zacht. ’Je trouwt en hoopt op een goed leven. Maar ze had een gat in haar hand… een gat dat ik met mijn salaris niet kon dichten.’
De Cock knikte begrijpend.
’Toen hebt u naar aanvullingen op uw salaris gezocht.’ Om de slappe mond van Jules de Graaf kwam een glimlach. ’Dat noemt men in uw kringen verduistering, oplichting, of fraude.’
’U werd gepakt en veroordeeld?’
Jules de Graaf knikte traag.
’Dat bedoel ik met verkeerde wetten. Men had niet mij moeten straffen, maar haar. Zonder haar was ik nu nog een respectabel man met een goede baan. Misschien was ik uiteindelijk wel directeur geworden.’
’Het leven is hard.’
’Niet voor iedereen,’ zei Jules opstandig. ’Zeker niet voor iedereen. Sommige mensen lacht het leven toe. Voor anderen is het een kwelling. Of dacht u dat ik het plezierig vond om als een zwerver te leven?’
De Cock wreef zijn vlakke rechterhand over zijn breed gezicht. Het was een gebaar om tijdwinst te boeken. Zijn geest zocht koortsachtig naar een ingang om het gesprek in een andere richting te stuwen.
’U hebt Harold de Vries bij leven gekend?’
Jules de Graaf knikte.
’Ik heb een tijdje met hem samengewoond in een kraakpand. Ik kon het wel met hem vinden. Hij was net als ik tegen een verkeerde vrouw aan gelopen.’
De Cock ontweek de opmerking. De oude rechercheur was bang om opnieuw van zijn onderwerp af te dwalen. ’Was het toeval dat u hem op de kop van het Stenenhoofd trof?’ Jules de Graaf schudde zijn hoofd.
’We ontmoetten elkaar daar wel meer. Als je een beetje inschikkelijk bent, dan kun je wel met zijn tweeën op dat warme rooster bivakkeren.’
’U was van plan daar te gaan slapen?’
Jules de Graaf knikte nadrukkelijk.
’Toen ik zag wat er met Harold was gebeurd, ben ik gevlucht.’
’Waarom?’
’Ik… eh, ik was bang om voor de moordenaar te worden aangezien.’
’U had hem toch niet vermoord?’
Jules de Graaf schudde zijn hoofd.
’Ik niet. Nee, ik niet. Maar ik had wel zijn bloed aan mijn handen.’
’Hoe kwam dat?’
’Ik heb hem aangeraakt. Ik heb even zijn gezicht in mijn handen gehouden.’
’U zag onmiddellijk dat hij dood was?’
’Met een gat in je kop, zo groot dat je zijn hersens kon zien…’ Hij maakte zijn zin niet af.
’U hebt dat gat in zijn hoofd bekeken?’
’Ja… even.’
De Cock keek de man strak aan.
’Het was er aardedonker.’
Jules de Graaf grijnsde.
’Ik heb altijd een zaklantaarntje bij me.’ Zijn hand gleed in een steekzak van zijn jack.
’Nu ook. Kijk.’
Hij hield een klein model zaklantaarn omhoog.
’Je weet als zwerver nooit waar je ’s avonds terechtkomt,’ gromde hij. ’In sommige kraakpanden hebben ze de leuningen van de trappen gehaald. Je maakt een doodsmak als je niet uitkijkt.’
De Cock bracht hem weer tot de orde.
’Hebt u buiten die man van de bewaking nog iemand anders op het Stenenhoofd gezien?’
Jules de Graaf antwoordde niet. Hij klemde zijn lippen opeen en draaide zijn hoofd weg.
De Cock wachtte geduldig tot de man hem weer aankeek. ’Ik vroeg u,’ herhaalde hij vriendelijk, ’of u buiten de man van de bewaking nog iemand anders op het Stenenhoofd hebt gezien.’
’Dat… eh, dat zeg ik liever niet.’
’U hebt dus iemand gezien.’
’Ja.’
’Wie?’
’Een… eh, een zwerver.’
De Cock keek hem verrast aan.
’Een zwerver?’
Jules de Graaf knikte.
’Hij liep op het Stenenhoofd langs mij heen toen ik op weg was naar het rooster.’
’U hebt hem herkend?’
Jules de Graaf schudde zijn hoofd.
’U zei het toch zelf… het was daar aardedonker en ik had niet het benul om mijn zaklantaarntje op hem te richten.’
’Hoe wist u dat het een zwerver was.’
Jules de Graaf grijnsde.
’Dat ruik je.’