De ding-dong in de gang galmde nog een beetje na. De Cock, op zijn sloffen, deed de deur van zijn woning open. Voor hem op de stoep stond Vledder. De jonge rechercheur lachte wat verlegen. In zijn linkerhand bungelde een fraai boeket herfstbloemen. Om zijn lippen danste een grijns.
Hij hield het boeket omhoog.
’Voor jouw vrouw,’ legde hij uit. ’Hoe langer ik jou ken, hoe meer ik haar ga bewonderen.’
De Cock keek hem misprijzend aan.
’Die kreet van jou ken ik,’ sprak hij bestraffend. ’Afgezaagd. Niet meer te gebruiken. Ik zou die tekst in de toekomst eens drastisch veranderen.’
De grijze speurder bekeek het boeket.
’Geen rode rozen?’
Vledder schudde zijn hoofd.
’Ik doe geen eigen keuzes meer in dit soort zaken. Ik laat mij nu door Edmay adviseren. Ze is mee geweest om dit boeket voor jouw vrouw uit te zoeken. Edmay heeft gevoel voor kleuren. Ze weet precies wat bij het jaargetijde past.’
’Herfstkleuren.’
’Precies.’
De Cock keek zijn jonge collega onderzoekend aan. ’Nog last van je rechterknie na die prachtige flying tackle van je?’
Vledder glimlachte.
’Een paar schaafwondjes en blauwe plekken aan mijn dijen. Meer niet.’
’Ik wist niet dat je zo’n tackle in huis had. De Engelse bobby’s worden erop getraind.’
Vledder gebaarde afwerend.
’Ik heb zo’n tackle toch al eens meer gedemonstreerd. Het was van mij dit keer een impulsieve daad. Ik was bang dat die vent zijn auto zou bereiken en ons toch nog zou ontvluchten.’ De jonge rechercheur liep verder de gang in.
’Zijn de anderen er al?’
De Cock knikte.
’Appie Keizer en Fred Prins zitten bij mijn vrouw en hebben, zoals gebruikelijk, het hoogste woord. Ze presenteren haar de meest fantastische verhalen over hun belevenissen.’ Ze stapten de woonkamer in.
Mevrouw De Cock kwam onmiddellijk overeind en schudde Vledder de hand. Met een kreet van verrukking nam ze het boeket in ontvangst.
’Prachtig, Dick. Prachtig… zulke warme kleuren. Heb je die zelf uitgezocht?’
De Cock grijnsde.
’Daar heeft hij nu Edmay voor.’
Mevrouw De Cock wuifde uitnodigend naar een diepe fauteuil. ’Ga zitten,’ riep ze vrolijk. ’Mijn man vroeg zich al af waar je bleef.’
Vledder maakte een verontschuldigend gebaar.
’Commissaris Buitendam hield mij op.’
De Cock keek hem verwonderd aan.
’Wat moest hij?’
Vledder glimlachte.
’Buitendam feliciteerde mij met onze, zoals hij dat noemde, glorieuze operatie. Hij was verrukt en glom als er weer een persmuskiet belde. Het ergste was, dat ik hem niet kon vertellen waarom die arme zwervers waren vermoord.’
Hij keek naar De Cock op.
’Dat weet ik nog steeds niet.’
Fred Prins vroeg om aandacht.
’Ik zou waarachtig ook wel eens willen weten waarom ik in de gutsende regen lange tijd op dat gammele vlondertje heb moeten staan.’
De Cock keek hem aan.
’Wat ging er nu mis met dat licht?’
Fred Prins zwaaide.
’Ik zou met mijn zaklantaarn het sein geven dat ze op die patrouilleboot hun schijnwerper zouden ontsteken. Dat sein heb ik niet gegeven. Ik had de moordenaar nog niet in zicht.’
’Toch ging bij hen het licht aan.’
Fred Prins knikte.
’Ik heb later nog contact gehad met de Opper van de Rijkspolitie te Water. Zij volgden op hun boot ook het verkeer op onze mobilofoons. Uit die gesprekken concludeerden zij dat de moordenaar de kop van het Stenenhoofd al had bereikt.’ De Cock krabde zich achter in zijn nek.
’We zullen bij een volgende keer toch betere afspraken moeten maken. Het was ook een foutje dat wij de wagen van Jeroen van Moerdijk niet onder controle hadden, nadat hij die had verlaten.’
Appie Keizer zwaaide.
’Laten we daar niet verder over zeuren. Uiteindelijk is alles toch goed gegaan.’
Hij gebaarde naar De Cock.
’Jij hebt die Jeroen van Moerdijk al verhoord?’
’Ja.’
’Hij heeft bekend?’
De Cock knikte.
’Volledig.’
’Jij kent nu dus het hele verhaal?’
’Inderdaad.’
Appie Keizer grijnsde.
’Steek dan van wal. Ik ben nieuwsgierig.’
De Cock lachte. Hij vatte de fles cognac Napoleon, die hij speciaal voor dergelijke gelegenheden in voorraad hield en vulde ruim de bodem van diepbolle, voorverwarmde glazen. Hij reikte die zijn vrienden aan. Daarna hield hij zijn glas omhoog.
’Op mijn geestelijk onvermogen.’
Fred Prins keek hem niet-begrijpend aan.
’Geestelijk onvermogen,’ herhaalde hij. ’Jij staat bekend als de beste speurder die ons land rijk is. Dan kun je toch niet van ”mijn geestelijk onvermogen” spreken?’
De Cock zuchtte.
’Toch heeft het volgens mij veel te lang geduurd voor ik de verbanden ontdekte… voor ik begreep waarom iemand weerloze zwervers vermoordt. Als ik scherper van geest was geweest, had ik wellicht een of meerdere moorden kunnen voorkomen.’ Appie Keizer tikte met zijn knokkels op het blad van zijn bijzettafeltje.
’Vooruit… waarom vermoordde Jeroen van Moerdijk weerloze zwervers?’
De Cock nam een slok van zijn cognac.
’Ongeveer een week geleden,’ begon hij voorzichtig, ’stierf in een kraakpand aan de Oostenburgergracht François Vandenberge, een steenrijke Belgische diamantair, die uit een… eh, een existentiële onvrede zijn huis en haard en zijn florerend bedrijf in Antwerpen verliet om hier in Amsterdam een zwervend bestaan te leiden.’
Appie Keizer keek hem aan.
’Hij werd vermoord?’
De Cock schudde zijn hoofd.
’Geen moord. Absoluut geen moord. Het was een natuurlijke dood. Vrijwel zeker een hartverlamming. Rechercheur Hans Rijpkema, die de zaak nauwkeurig onderzocht, kon geen sporen van misdrijf ontdekken. Die waren er ook niet.’
’Waarom is de dood van die François Vandenberge zo belangrijk?’
De Cock antwoordde niet direct. Hij keek Appie Keizer even verwijtend aan.
’Laat mij nou uit vertellen,’ vermaande hij. ’De heer Opdenbroecke, hoofdcommissaris van de Gerechtelijke Politie in Antwerpen, die ik nog van een onderzoek in Antwerpen ken, bezocht mij aan de Warmoesstraat en vertelde dat na het vertrek van François Vandenberge er uit Antwerpen een partij uiterst kostbare diamanten was verdwenen. De mogelijkheid bestond dat Vandenberge die had meegenomen, maar daarover bestond geen zekerheid. Na zijn dood werd de partij diamanten niet op hem be-von-den, zoals dat in ons vakjargon heet.’
Fred Prins grinnikte.
’Ik begin er iets van te snappen. Die François Vandenberge stierf in een kraakpand, waar ook die andere zwervers woonden.’
De Cock knikte.
’Heel goed,’ sprak hij bewonderend, ’heel goed. Een van hen, Pieter de Goede vertelde mij dat het Johnny van der Kamp was, ontdekte de dode Vandenberge en snuffelde zijn kleding na op zoek naar geld.’
De ogen van Vledder glinsterden.
’Hij vond diamanten.’
De Cock knikte opnieuw.
’Het gebeurde in het bijzijn van Harold de Vries, Jules de Graaf en Pieter de Goede. Zij waren er dus getuige van dat Johnny van der Kamp op het naakte lijf van Vandenberge een linnen gordel met fonkelende diamanten vond.’
Fred Prins hijgde.
’Wat zullen ze zijn geschrokken.’
De Cock negeerde de opmerking.
’Ze lieten de verdere bezittingen van François Vandenberge onaangeroerd, waardoor geen enkele verdenking op hen viel. Rechercheur Rijpkema had dus geen zaak. François Vandenberge stierf een natuurlijke dood en er waren geen gedachten aan diefstal.
Vledder grinnikte.
’Begrijpelijk. Er was niets weg. Niemand wist of die Vandenberge die partij diamanten wel of niet in zijn bezit had gehad.’ Appie Keizer boog zich iets naar voren.
’Wat deden de zwervers met die prachtige partij diamanten?’ De Cock glimlachte.
’Eenieder claimde een deel. De vraag die onmiddellijk opdoemde, was: hoe maak je diamanten te gelde? Als zwerver met diamanten naar een juwelier stappen, is vragen om moeilijkheden.’ Vledder stak zijn wijsvinger omhoog.
’Ik weet het.’
’Wel?’
De jonge rechercheur zuchtte.
’Harold de Vries, de ex van Madeleine, en Jeroen van Moerdijk waren vrienden.’
’Precies. Harold de Vries vertelde aan de andere zwervers van die vriendschap en de relaties die Jeroen van Moerdijk had met de te goeder naam en faam bekendstaande familie De Bouchardon. En hij kreeg van de anderen toestemming om de partij diamanten aan Jeroen van Moerdijk aan te bieden om te verkopen, waarna ieder zijn deel van de opbrengst zou krijgen.’ Fred Prins knikte begrijpend.
’Jeroen van Moerdijk zag andere mogelijkheden.’
De Cock nam nog een slok van zijn cognac.
’Hij besloot de gehele partij in eigen bezit te houden. Toen Harold de Vries op een betaling aandrong, maakte Jeroen van Moerdijk met hem een afspraak op de kop van het Stenenhoofd. Van Moerdijk, die altijd keurig gekleed ging in strakke driedelige kostuums, verscheen in de gedaante van een zwerver. Het is vrijwel zeker dat Harold de Vries door die gedaanteverandering was verrast. Vermoedelijk heeft hij zijn oude vriend niet eens herkend. Met een strijdhamer sloeg Jeroen van Moerdijk hem een gat in zijn hersenpan.’
Vledder keek De Cock peilend aan.
’Ben jij gisteren met het apparaatje van Handige Henkie de woning van Jeroen van Moerdijk binnengedrongen?’
De oude rechercheur knikte.
’Ik lokte hem door een telefoontje van brigadier Jan Rozenbrand over een vermeende verkeersovertreding uit zijn huis. Jan hield hem hier aan het bureau een tijdje aan de praat. Ik liep daardoor weinig risico’s om in zijn huis betrapt te worden.’
’Waar zocht je naar?’
’Die strijdhamer.’
Vledder keek hem niet-begrijpend aan.
’Waarom dacht je die bij hem te vinden?’
De Cock ademde diep.
’Ik was net zo verrast door de steensplintertjes in de hersenmassa van de slachtoffers als dokter Rusteloos. Een moderne hamer of een bijl laat geen steensplintertjes achter.’ Vledder knikte.
’Dat begrijp ik, maar waarom Jeroen van Moerdijk.’ De Cock glimlachte.
’Jeroen van Moerdijk had prehistorie gestudeerd met een voorliefde voor het Moustérien.’
’Wat is het Moustérien?’
De Cock gebaarde als een leraar.
’Met het Moustérien,’ sprak hij op een doceertoontje, ’wordt de laatste periode van het stenen tijdperk aangeduid. De naam komt van Le Moustier, een grot nabij Les Eyzies in Frankrijk… een vindplaats van stenen werktuigen.
De strijdhamers zijn vaak als grafgiften gevonden. Ze lijken een beetje op de stenen tomahawk van de Indianen. Tomahawk komt van het Indiaanse ”otomahuk”, wat neerslaan betekent.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
’Heb jij die strijdhamer bij Jeroen van Moerdijk gevonden?’ De Cock schudde zijn hoofd.
’Ik vond in zijn boekenkast wel enige geschriften waarin de technieken worden beschreven die bij het vervaardigen van zo’n strijdhamer in het verleden werden toegepast. De strijdhamer die ik gisteravond in de zak van zijn regenjas vond, heeft hij zelf gemaakt.’
De oude rechercheur pauzeerde even.
’Als ik,’ ging hij verder, ’in zijn woning die strijdhamer wel had gevonden, dan had ik vermoedelijk die hele operatie met Pieter de Goede aan het Stenenhoofd niet opgevoerd, maar Jeroen van Moerdijk eenvoudig als verdacht van een drievoudige moord gearresteerd.
Maar gezien de ervaringen van de laatste jaren met de Nederlandse rechtspleging, koos ik voor een waterdicht bewijs.’ Fred Prins lachte.
’Dat heb je nu.’
Appie Keizer vroeg om aandacht.
’Werden de anderen op dezelfde manier vermoord?’ De Cock knikte.
’Ze namen contact op met Jeroen van Moerdijk en die maakte met hen een afspraak voor een afrekening van de diamanten op de kop van het Stenenhoofd. Ik heb aan Pieter de Goede gevraagd waarom na de moord op Harold de Vries niemand van hen op de gedachte kwam, dat Jeroen van Moerdijk wel eens de moordenaar kon zijn.’
’En?’
’Pieter de Goede zei: ”We waren alledrie verblind door het geld dat ons te wachten stond. De dood van Harold de Vries betekende voor ons alleen dat wij de opbrengst van de diamanten nu slechts met drie man moesten delen… en niet met vier”.’
Vledder boog zich naar voren.
’Welke rol speelde Adriaan van Bovenkerk?’
’Heeft Opdenbroecke jou dat niet verteld?’
Vledder schudde zijn hoofd.
’Hij zou het uitzoeken.’
De Cock lachte.
’Ik weet het inmiddels.’
’Van wie?’
De oude rechercheur gniffelde.
’Van Maurice de Bouchardon. Toen ik hem vertelde dat zijn toekomstige zwager een moordenaar was, gaf hij opening van zaken. Adriaan van Bovenkerk had hem benaderd, omdat hij vermoedde dat de partij diamanten uiteindelijk wel aan de firma De Bouchardon zou worden aangeboden.’
De Cock keek Vledder lachend aan.
’Adriaan van Bovenkerk… die man heeft jou, geloof ik, slapeloze nachten bezorgd.’
’Ik vond hem verdacht.’
De Cock schudde zijn hoofd.
’Dat was hij niet. Adriaan van Bovenkerk is een peperdure schade-enquêteur. Hij werkte voor de maatschappij bij wie de verdwenen partij diamanten was verzekerd. Omdat hij in Antwerpen bij zijn onderzoek in het voormalige bedrijf van François Vandenberge niet verder kwam, ging hij ervan uit, dat Vandenberge de partij diamanten wel degelijk had meegenomen. In het camouflagekleed van een zwerver ging hij naar Amsterdam. Hij wist in welk pand aan de Oostenburgergracht François Vandenberge was overleden en hij kwam er… eerder dan wij… achter welke zwervers er ten tijde van dat overlijden in hetzelfde pand hadden gewoond. In de hoop de diamanten te achterhalen, ging hij hun gangen na en kwam daardoor in ons gezichtsveld. Het is jammer dat hij ons niet eerder heeft geopenbaard wie hij was en wat hij wist.’
Vledder grinnikte.
’Hoe kwam het dat Jeroen van Moerdijk in zijn zwerverskledij zo stonk?’
De Cock lachte.
’Een oude truc. Hij kocht in een feestwinkel van die glazen stinkbommetjes, waarmee wij vroeger op school onze leraar pestten door zo’n bommetje in de klas stuk te trappen.’
’En met dat spul smeerde hij zich in?’
De Cock schudde zijn hoofd.
’Hij smeerde het aan zijn oude regenjas. Het was die stank die Jules de Graaf rook toen hij hem in het donker passeerde.’ De oude rechercheur hield zijn glas omhoog.
’Zijn er nog vragen?’
Vledder keek hem aan.
’Is Pieter de Goede strafbaar?’
De Cock glimlachte.
’Dat onderwerp zouden wij niet ter sprake brengen.’ Vledder hield zijn gezicht strak.
’Is hij strafbaar?’
De Cock knikte.
’Ik heb aan de officier van justitie verteld welke deal ik met Pieter de Goede heb gesloten en hij heeft mij beloofd dat hij hem niet zal vervolgen. Pieter de Goede is inmiddels weer thuis bij zijn moeder in Antwerpen.’
De oude rechercheur schonk zijn gasten nog eens in en liet zich in zijn fauteuil terugzakken. De uiteenzetting had hem wat vermoeid.
Mevrouw De Cock verdween naar de keuken. Ze kwam terug met schalen vol lekkernijen en liep presenterend rond. Na momenten van bezinning werd het gesprek algemener. De gruwelijke gebeurtenissen aan de kop van het Stenenhoofd raakten wat op de achtergrond.
Het was al vrij laat toen de laatste gasten vertrokken. De Cock nam zijn derde glas cognac. Zijn vrouw schoof een poef bij en ging pal tegenover hem zitten.
’Ze hebben het vanavond niet gevraagd,’ sprak ze liefjes, ’maar waar is die partij diamanten gebleven?’
De Cock gebaarde voor zich uit.
’In de kluis bij Justitie. De officier moet maar uitmaken wie de rechtmatige eigenaar is.’
’Heb jij de diamanten naar Justitie gebracht?’
De Cock knikte.
’Jeroen van Moerdijk had de gordel met diamanten onder de vloer van zijn woning verstopt. Ik heb ze daar op zijn aanwijzing gevonden.’
Mevrouw De Cock keek haar man stralend aan.
’Heb jij ze in je handen gehad?’
De Cock knikte opnieuw.
’Ik heb ze stuk voor stuk bekeken.’
’Waren ze mooi?’
De Cock schoof zijn onderlip vooruit.
’Schitterend.’
’Kon die schittering je niet in de verleiding brengen om er een paar achter te houden?’
De Cock schudde langzaam zijn hoofd. Om zijn mond dartelde een glimlach.
’Diamanten… je kunt ze niet eten.’