De rechercheurs reden met de dienstauto van de houten steiger achter het politiebureau weg.
Het regende nog steeds of alweer. De buien volgden elkaar in een snel tempo op. Opgejaagd door een felle wind sloegen dikke regendruppels tegen de voorruit.
Vledder draaide de Golf behendig van de Oudebrugsteeg het Damrak op en zette de ruitenwissers aan.
De Cock liet zich onmiddellijk ver onderuitzakken en schoof zijn hoedje tot op de rug van zijn neus.
Vledder keek opzij en gniffelde.
’Nog geen tijd gehad voor een psychiater?’ riep hij plagend. De Cock antwoordde niet.
Toen Vledder met gierende banden vanaf de De Ruijterkade de brug nam naar de Westerdoksdijk, zette de oude rechercheur zich schrap om niet te duikelen.
’Over een psychiater gesproken,’ gromde hij. ’Neuroot, je bent in je zenuwen niet eens in staat om zonder kleerscheuren door een bocht te rijden.’
Vledder reageerde niet. Hij stuurde van de Westerdoksdijk het Stenenhoofd op. Aan het einde van de pier stond een politiewagen met blauw zwaailicht. De jonge rechercheur bracht de Golf schokkend tot stilstand achter de politiewagen.
De Cock blikte opzij.
’Rijden met jou,’ sprak hij somber, ’is een volmaakte kopie van een middeleeuwse foltering. Ik ben compleet geradbraakt.’ Steunend liet hij zich uit de auto glijden en bevoelde zijn verkreukelde botten.
Een jonge diender liep in de stromende regen op De Cock toe, tikte ter begroeting tegen de rand van zijn pet en duimde over zijn schouder.
’Het lijk ligt daar… half tegen de muur… bijna op de hoek. Voor de regen hebben we hem met een brok zeildoek afgedekt.’ De Cock keek hem schattend aan.
’Was jij hier gisteravond ook?’
’Ja.’
’Heb je de meute al gewaarschuwd?’
De jonge diender knikte.
’Via de wachtcommandant.’
De Cock blikte om zich heen.
’Ben je alleen?’
De diender schudde zijn hoofd.
’Het lijk werd ontdekt door een medewerker van B&M Beveiliging en Alarmering. Dezelfde man die hier gisteravond een lijk aantrof. Hij had dit keer iemand zien weglopen. Mijn collega en hij proberen nu die man te achterhalen. Volgens de beveiligingsman kan hij nog niet ver weg zijn.’
De Cock trok zijn wenkbrauwen samen.
’Heeft die man van B&M een signalement van die weglopende vent?’
’Vaag. Het is hier nogal donker. Hij sprak over een soort zwerver.’
De oude rechercheur liep langs de jonge diender. Het woord ’zwerver’ danste onder zijn schedeldak.
Hij liep naar een brok bruin zeildoek waar twee voeten onderuit staken met de hielen omhoog. De Cock pakte zijn zaklantaarn en trok het zeildoek weg. Het ovale licht van zijn zaklantaarn gleed over het levenloze lichaam van een man. Hij lag op zijn buik met zijn armen iets gespreid langs zijn lichaam. De vingers van zijn handen waren geklauwd. Zijn grijze haren en de rechterzijkant van zijn gezicht lagen in een grote plas donkerrood geronnen bloed.
De Cock bukte bij hem neer. Het rechteroog was in de plas bloed niet goed zichtbaar. Het linkeroog staarde wijd opengesperd in het niets.
De oude rechercheur liet het licht van zijn zaklantaarn over het achterhoofd van het slachtoffer dwalen. Ongeveer ter hoogte van de kruin was een grote gapende wond, waarin grijze hersenkronkels zichtbaar waren. Hij scheen met zijn zaklantaarn even in de pupil van het linkeroog.
Er was geen reactie.
De Cock kwam uit zijn gebukte houding omhoog. Zijn oude knieën kraakten. Hij blikte opzij naar Vledder.
’Identiek,’ sprak hij somber. ’Volkomen identiek aan de moord van gisteren. Dezelfde modus operandi. En gezien zijn kleding is het slachtoffer opnieuw een zwerver.’
Vledder kneep met duim en wijsvinger zijn neus dicht. ’Deze stinkt.’
Achter de Golf kwam een wagen tot stilstand. Met een aluminiumkoffertje in zijn rechterhand klom Bram van Wielingen achter het stuur vandaan en liep met een chagrijnig gezicht op De Cock toe.
’Het is nog steeds bar en boos. Gewoon beestenweer.’ Hij zwaaide met zijn opgestoken wijsvinger.
’En dit keer geen jolige verwijzingen naar Onze-Lieve-Heer. Ik stel jou verantwoordelijk. Jij laat mij in dit hondenweer opdraven.’
De fotograaf blikte om zich heen en veranderde van toon. ’Hier waren wij gisteren toch ook?’
De Cock knikte.
’De kop van het Stenenhoofd.’
Bram van Wielingen zette zijn koffertje tegen de muur van de loods en bekeek de dode man.
’Het is dezelfde,’ gniffelde hij. ’Dezelfde van gisteren, maar dan zonder baard.’ Hij draaide zich half om naar De Cock. ’Is iemand opgewekt bezig om het hele Amsterdamse zwerversbestand uit te roeien?’
De Cock trok zijn schouders op en gromde.
’Ik ben er niet blij mee.’
Bram van Wielingen pakte zijn koffertje, nam daaruit zijn Hasselblad en monteerde een flitslicht.
’Heb je nog bijzondere wensen?’
De Cock knikte.
’Verderop is een metalen rooster. Vanuit de loodsen wordt daar warme lucht geventileerd. Ik wil daarvan een paar plaatjes. Zo’n rooster vormt voor zwervers een begeerde slaapstek.’ Bram van Wielingen staarde hem verwonderd aan. ’En daarvoor slaan ze elkaar de hersens in?’
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
’Geen idee. Ik zoek naar een motief en ik wil niets uitsluiten.’ Terwijl Bram van Wielingen in het dode gelaat flitste, kwam dokter Den Koninghe naderbij. Achter hem torenden twee reusachtige broeders van de Geneeskundige Dienst met hun onafscheidelijke brancard.
De Cock liep op hem toe en begroette hem hartelijk. ’Het spijt me,’ sprak hij vriendelijk, ’dat ik u weer laat komen… in dit verschrikkelijke weer. Ik voel me bijna schuldig.’ Dokter Den Koninghe keek naar hem op.
’Schuldig,’ bromde hij. ’Jij staat hier toch ook niet voor je lol?’ De Cock schudde mistroostig zijn hoofd.
’Uit gore plicht en omdat ik maandelijks mijn huur moet betalen.’ Dokter Den Koninghe liep aan de mopperende De Cock voorbij naar het slachtoffer en knielde bij hem neer. De kleine lijkschouwer besteedde ruime aandacht aan de gapende hoofdwond. Daarna drukte hij in een devoot gebaar de oogleden van de dode toe.
De Cock wachtte geduldig tot de dokter overeind was gekomen en in de regen het bloed van zijn handen had laten stromen. Daarna volgde hij gedwee de reeks routinegebaren met het brilletje en de pochet.
Toen hij zijn ceremonie had beëindigd, gebaarde de lijkschouwer naar het slachtoffer.
’Hij is dood,’ sprak hij laconiek.
De Cock knikte met een strak gezicht.
’Dat begreep ik,’ reageerde hij simpel.
Dokter Den Koninghe wees opnieuw naar de dode. ’Dokter Rusteloos heeft mij vanmiddag gebeld. Hij is ontzettend benieuwd naar het wapen waarmee de moord is gepleegd. Hij vroeg mij of ik gisteren in het haar van het slachtoffer steensplintertjes had zien glinsteren. Hij was bang dat die bij het vervoer van het lijk verloren waren gegaan.’
’Had u steensplintertjes gezien?’
Dokter Den Koninghe schudde zijn hoofd.
’Ook nu niet.’
De kleine lijkschouwer draaide zich om en liep weg. De Cock keek hem na. Daarna wendde hij zich tot de fotograaf, die zijn fraaie Hasselblad beschermend tegen de regen behoedzaam in zijn koffertje teruglegde.
’Ben je klaar?’
Bram van Wielingen knikte.
’Ik heb ook een paar plaatjes gemaakt van het metalen rooster.’ De fotograaf zweeg even.
’Je moet zelf maar eens gaan ruiken. Dat lijk stinkt. Dezelfde geur hangt aan het metaal van het rooster.’
De Cock glimlachte.
’Ik zal het Vledder laten doen. Mijn reukvermogen is niet zo best.’
Bram van Wielingen trok een ernstig gezicht.
’Het is goed waar te nemen. Zelfs in dit weer. Een penetrante geur.’
De Cock gebaarde nonchalant.
’Het betekent alleen dat het slachtoffer daar op het rooster heeft gelegen.’
De fotograaf glimlachte.
’Het was maar een hint.’
Hij zwaaide met zijn vrije hand ten afscheid en rende rillend naar zijn wagen.
De Cock wenkte de broeders van de Geneeskundige Dienst naderbij. Ze tilden de dode met zijn rug op de brancard. De oude rechercheur liep op hen toe en beduidde hen om even te wachten. Zijn hand gleed naar de binnenzakken van het versleten colbert van het slachtoffer.
Er was niets. Geen portefeuille, geen bescheiden. Hij mompelde een verwensing en probeerde het opnieuw in de zijzakken. Zonder resultaat. Daarna gaf hij de broeders een teken dat ze verder konden gaan. Ze drapeerden een laken om het slachtoffer, sloegen de canvasflappen dicht en sjorden de riemen aan. De Cock keek toe hoe zij het slachtoffer zacht wiegend op de brancard naar de ambulancewagen droegen.
Toen die wegreed en de rode achterlichten in mistige slierten vervaagden, draaide de oude rechercheur zich om. Over het water van het IJ hing een grauwe regensluier. Het was hetzelfde beeld als de avond tevoren. Zo nu en dan klonken de misthoorns van elkaar passerende schepen. Het geluid beangstigde hem. Hij tuurde over het klotsende water. De lichten van het Amsterdamse stadsdeel aan de overkant waren in de mist opgegaan. Vledder tikte op zijn rug.
’Wil je hier overnachten?’
De oude rechercheur draaide zich om. Aan de zijde van Vledder liep hij peinzend terug naar de Golf. De politiewagen met het blauwe zwaailicht stond er ook nog. De jonge diender die De Cock te woord had gestaan, leunde verveeld tegen het portier. De regen scheen hem niet te deren.
Plotseling ontstond er langs de loodsen enig rumoer. Geflankeerd door een beveiligingsman en een andere jonge diender liep, gebogen en met slepende tred, een zwerver op De Cock toe. De oude rechercheur herkende de houding, de baard en rook een wee-zoete zweetlucht.
’Adriaan,’ lispelde hij verschrikt, ’Adriaan van Bovenkerk… was jij het?’
De Cock wierp zijn oude hoedje missend naar de kapstok. Hij deed zijn natte regenjas uit en raapte zijn hoedje op. Daarna draaide hij zich om.
Naast Vledder, bij de deur van de grote recherchekamer, stond Adriaan van Bovenkerk. De Cock bekeek hem aandachtig. Boven zijn wilde baard zag zijn gezicht bleek en zijn ogen stonden dof.
’Doe dat natte spul uit,’ sprak hij niet onvriendelijk. Hij wees naar de stoel naast zijn bureau. ’Ga daar maar zitten.’ Adriaan van Bovenkerk volgde gedwee zijn aanwijzingen. De Cock nam achter zijn bureau plaats en boog zich naar de man toe.
’Steek maar van wal met jouw verhaal,’ nodigde hij de zwerver uit.
Adriaan van Bovenkerk wreef met de linkermouw van zijn overhemd het regenwater uit zijn baard.
’Ben ik gearresteerd?’
’Je bent hier niet op kraamvisite, als je dat soms mocht denken,’ antwoordde De Cock.
De zwerver trok zijn kin iets op.
’Ik ben verdachte?’
’Absoluut.’
’Dat begrijp ik. Toen ik van Johnny wegliep, heeft die man van de beveiliging mij gezien.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
’Johnny… wie is Johnny?’
’Die doodgeslagen vent.’
’Jij kent hem?’
’Johnny van der Kamp, een gabbertje van me.’
De Cock grijnsde met een scheve mond.
’En jij slaat gabbertjes van je dood?’
Adriaan van Bovenkerk schudde zijn hoofd.
’Ik heb hem niet doodgeslagen.’
’Wie dan wel?’
’Dat is jouw taak om daar achter te komen.’
De Cock knikte traag voor zich uit.
’Waarom liep je weg?’
’Stom. Noem het de schrikreactie van een dakloze als hij een uniform ziet. Die man van de beveiliging leek precies op een diender.’
De Cock wuifde afwerend.
’Dat argument raakt mij niet.’
Adriaan van Bovenkerk zuchtte diep.
’Toch was dat de reden dat ik wegliep. Niet ver. Ik heb mij ook niet verscholen. Toen ik die man van de beveiliging met een jonge diender zag zoeken, ben ik naar hen toe gegaan. Ik had makkelijk kunnen ontkomen. Een dakloze kent zo zijn plekjes.’
De Cock knikte begrijpend.
’Hoe heb je die… eh, die Johnny van der Kamp gevonden?’
’Hoe?’
’Ja.’
’Net zo als jullie hem hebben gevonden… dood, met een gat in zijn kop.’
De Cock schudde zijn hoofd.
’Ik bedoel, hoe kwam je ertoe om naar de kop van het Stenenhoofd te gaan?’
’Ik had een afspraak met Johnny. We zouden samen op het rooster slapen. Maar ik was wat laat. Iemand in de stad bood mij een pilsje aan.’
’Wie?’
’Wat bedoel je?’
’Wie bood je een pilsje aan?’
’Geen idee. Een hoerenloper, denk ik. Het was op de Wallen.’
’Je kent hem verder niet?’
Adriaan van Bovenkerk keek hem uitdagend aan.
’Moet dat? Moet ik die man kennen? Er zijn gelukkig mensen die beseffen dat ook een dakloze wel eens trek heeft in een goed glas pils.’
De Cock drukte een gevoel van ergernis weg.
’En toen jij op het Stenenhoofd bij het rooster aankwam, vond jij Johnny vermoord?’
’Precies.’
’En dat verhaal moet ik geloven?’
’Ik kan u geen ander verhaal geven,’ sprak de zwerver vertwijfeld. ’Dat is de waarheid. Ik heb geen enkele reden om Johnny van der Kamp iets aan te doen. Ik beschouwde hem als een vriend. Net als ik Harold de Vries als een vriend beschouwde.’ De Cock zuchtte gelaten.
’Johnny was al dood.’
Adriaan van Bovenkerk knikte.
’Niet lang, schat ik. Hij ademde niet meer, maar hij voelde nog warm aan.’
’Hoe lang heb jij bij zijn lijk vertoefd voordat die beveiligingsman kwam?’
’Een halfuurtje, denk ik.’
De Cock keek hem verwonderd aan.
’Een halfuur?’
’Ja.’
’Wat heb je al die tijd gedaan? Johnny zijn handje vastgehouden?’
Adriaan van Bovenkerk reageerde fel.
’Je moet niet zo sarcastisch doen,’ riep hij bestraffend. ’Ik ben eerst achter die zwerver aan gegaan.’
De Cock trok zijn neus iets op.
’Een zwerver?’
Adriaan van Bovenkerk knikte.
’Toen ik komend vanaf de Westerdoksdijk langs de loodsen op het Stenenhoofd naar het rooster liep, passeerde mij een man. Er was niet veel licht en het regende, maar ik meende — gezien zijn houding en zijn kleding — dat het een zwerver was, een dakloze.’
’Je kende hem niet?’
’Ik heb niet in zijn snuit kunnen kijken. Hij draaide zijn gezicht van mij weg toen ik er aan kwam. Zijn kleding kwam mij niet bekend voor. En ik ken de meeste zwervers toch aan wat ze dragen.’
’Stonk die man?’
Adriaan van Bovenkerk keek hem niet-begrijpend aan. ’Stinken?’
De Cock knikte.
’Heb je een onaangename geur aan de man waargenomen? De man die Jules de Graaf na de moord op Harold de Vries op het Stenenhoofd waarnam, stonk. Door die stank concludeerde Jules dat de man die hij in het hartstikke donker niet duidelijk kon onderscheiden, een zwerver was.’
Adriaan van Bovenkerk maakte een moedeloos gebaar. ’Het was een zwerver,’ verzuchtte hij, ’maar welke geur er aan die man hing, weet ik niet. Mijn reukvermogen is niet zo best.’
’Verder?’
’Ik ging naar het rooster.’
De Cock grijnsde.
’En vond een dode Johnny.’
Adriaan van Bovenkerk knikte.
’Inderdaad, ik vond een dode Johnny. Ik was eerst te verbouwereerd om te reageren. Dat was maar kort, enkele seconden. Ineens realiseerde ik mij dat de man die mij was gepasseerd, vermoedelijk de man was die Johnny had vermoord.’ De Cock fixeerde de gelaatstrekken van de man voor zich. Hij volgde gespannen elke beweging van zijn hoofd, mond en ogen. Hij had het intense gevoel, dat dit belangrijk was. ’Verder.’
Het klonk als een bevel.
’Ik liep zo hard ik kon het Stenenhoofd af. Toen ik op de Westerdoksdijk kwam, stapte die man in een auto en reed weg, in de richting van het Centraal Station. Ik heb geprobeerd om het kenteken op te nemen, maar zijn lichten waren gedoofd.’ De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
’Een dakloze stapt in een auto?’
In zijn stem trilde ongeloof.
Adriaan van Bovenkerk knikte.
’Ik heb niet veel verstand van auto’s, merken en zo, maar het was een grote donkere wagen.’
’Heb jij wel eens een dakloze in een grote wagen zien stappen en wegrijden?’
’Vanavond.’
De Cock lachte smalend.
’Ik heb in mijn lange loopbaan als rechercheur al heel veel wonderlijke verhalen aangehoord, maar dit overtreft toch alles.’
Het gezicht van Adriaan van Bovenkerk verstarde.
’De Cock,’ sprak hij vermoeid, ’ik heb je beloofd om de moordenaar van Harold de Vries te vinden en ik bracht je Jules de Graaf.’
’Was hij de moordenaar van Harold de Vries?’
’Dat ligt aan jou om te beoordelen, maar zonder mij had je hem nooit gevonden.’
’Ik ben je dankbaar,’ antwoordde De Cock cynisch. Adriaan van Bovenkerk keek de oude rechercheur onderzoekend aan.
’Ik beloof je de zwerver van vanavond te vinden, compleet met zijn grote donkere wagen.’
Hij zweeg even voor het effect.
’Maar als je mij niet gelooft, als je mijn verhaal niet voor waarheid aanneemt, stop mij dan beneden in de cel en presenteer mij als de moordenaar van Johnny van der Kamp.’ Hij strekte zijn armen naar de grijze speurder uit.
’Ik waarschuw je alleen: het zou de grootste stommiteit uit je carrière zijn.’