4

Toen Jeroen van Moerdijk als een gebroken man, sloffend en met gebogen hoofd, de grote recherchekamer had verlaten, keek Vledder De Cock verrast aan.

’De dood van Harold de Vries heeft hem geschokt. Hij is er werkelijk kapot van.’

De Cock ademde diep.

’Als Harold de Vries een echte vriend van hem was, dan is dat begrijpelijk. Echte vrienden zijn zeldzaam.’

Vledder kwam achter zijn bureau vandaan.

’Wat doen we?’ vroeg hij. ’Gaan we nu onmiddellijk naar de Reguliersdwarsstraat?’

Zijn oude collega reageerde wat verward.

’Wat is daar?’

Vledder wees naar het telefoonboek voor zich op zijn bureau. ’Ik heb het even opgezocht. Daar woont Maurice de Bouchardon.’

’Wat wil je met Maurice de Bouchardon?’

In zijn stem vibreerde achterdocht.

’Hem arresteren. Wat anders? Hem condoleren met het verlies van zijn gewezen zwager.’

De Cock keek hem berustend aan.

’Bijvoorbeeld.’

’We pakken hem gewoon op. Een paar dagen cel doet soms wonderen.’

’Wil je nu al tot actie overgaan?’

Vledder knikte nadrukkelijk.

’De verklaring van Jeroen van Moerdijk laat volgens mij aan duidelijkheid niets te wensen over.’

’Hoe bedoel je?’

Vledder spreidde zijn armen.

’Maurice achtte zich als oudste zoon de enige relevante behoeder en beschermer van het aanzien en de eer van de oude en zeer eerbiedwaardige familie De Bouchardon.’

Het klonk spottend.

’En?’

De jonge rechercheur grijnsde.

’Uit dien hoofde meende Maurice, de resolute en sterke broer van Madeleine, zo snel mogelijk tot daden te moeten overgaan. Zijn kreet Ik sla die ellendeling vandaag of morgen zijn hersens in, is gisteravond realiteit geworden.’

De Cock trok een bedenkelijk gezicht.

’Mensen,’ relativeerde hij, ’zeggen in hun hartstocht en opwinding wel meer dingen waarvan zij op dat moment de draagwijdte niet willen of wellicht niet kunnen overzien.’

’Jij acht het een loze kreet?’

’Dat weet ik niet,’ antwoordde De Cock onzeker. ’Ik vind de verklaring van Jeroen van Moerdijk te gering van gewicht om nu al tot een ingrijpende arrestatie over te gaan. We hebben verder niets… niets concreets… geen aanwijzingen, geen sporen. Misschien heeft Maurice de Bouchardon voor het tijdstip van de moord wel een waterdicht alibi.’

Hij zweeg even.

’En denk eens aan de dichtregels van wijlen Willem Elsschot: Hij dacht, ik sla haar dood en steek het huis in brand.’ Vledder grinnikte.

Maar doodslaan deed hij niet,’ vervolgde hij declamerend, ’want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren.’

De jonge rechercheur zweeg even. De Cock wist nu dat ook hij zijn klassieken kende.

’Denk jij,’ vroeg hij peinzend, ’dat wetten en praktische bezwaren voor Maurice de Bouchardon een beletsel hebben gevormd?’

’Praktische bezwaren… wellicht.’

’Wetten?’

De Cock schudde traag zijn hoofd.

’Wie laat zich in dit tijdperk van ziekelijk narcisme nog door wetten weerhouden?’

Vledder negeerde de cynische opmerking van zijn oude collega. ’De woede-uitbarsting van Maurice de Bouchardon en zijn daarbij uitgesproken bedreigingen hebben op Jeroen van Meerdijk diepe indruk gemaakt.’

’Het zal met veel theater zijn geventileerd.’

’Show?’

’We zullen Maurice de Bouchardon daarover aan de tand moeten voelen. Kijken hoe hij op zijn uitlatingen reageert?’ De oude speurder staarde secondenlang voor zich uit. ’Er is mij iets vreemds opgevallen.’

’Wat?’

’Herinner jij je nog wat Madeleine de Bouchardon in haar wanhoop zei?’

Vledder knikte.

’Dat zij bang was dat haar ex-man, Harold de Vries, zou worden vermoord omdat hij haar als stalker het leven vergalde.’ De Cock keek hem vragend aan.

’Door wie?’

’Wat bedoel je?’

’Door wie zou hij worden vermoord?’

’Ze noemde ons haar vriend, haar vader en mogelijk een van haar broers.’

De Cock knikte opnieuw.

’Precies. In die volgorde.’

’Wat wil je daarmee zeggen?’

De Cock hield een gestrekte wijsvinger voor zijn neus. ’Zij achtte Jeroen van Moerdijk wel degelijk tot een moord in staat en noemde hem het eerst… terwijl ze moet hebben geweten dat tussen Jeroen en haar ex-man vriendschappelijke betrekkingen bestonden.’

Het gezicht van Vledder trok strak.

’Dezelfde vriendschappelijke betrekkingen,’ sprak hij verbeten, ’die Jeroen van Moerdijk aanvoert om ons te doen geloven dat hij nooit tot een moord op Harold de Vries in staat zou zijn geweest.’

De jonge rechercheur schudde mistroostig zijn hoofd. ’De Cock,’ sprak hij met een zucht, ’we zitten weer midden in de ellende.’

De oude rechercheur knikte.

’Hoe laat is de sectie?’

’Vanmiddag om twee uur.’

’Neem Madeleine de Bouchardon vanmiddag mee naar Westgaarde. Laat haar het lijk van Harold de Vries zien. Uiteraard vóórdat dokter Rusteloos met zijn sectie begint. We kunnen de confrontatie als een officiële herkenning gebruiken. Let… eh, let bij het tonen scherp op haar reacties. Vergeet niet, dat ook zij een mogelijke verdachte is.’

Vledder keek verschrikt naar De Cock op.

’Je hebt gelijk. Waarachtig. Dat was mij ontgaan. In feite rust op haar het zwaarste motief. Zij werd door het slachtoffer op een voor haar ondraaglijke wijze lastiggevallen.’

De jonge rechercheur zweeg even.

’En als Madeleine de zwerver niet als haar ex-man herkent?’ Het gezicht van De Cock versomberde.

’Dan hebben we een extra probleem… een onbekend lijk… met gestolen papieren.’

De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde. Vledder boog zich ver naar voren en pakte de hoorn op. Hij luisterde enige tijd en hield toen zijn linkerhand voor het spreekgedeelte. ’Het is de wachtcommandant. Beneden voor de balie staat een zwerver.’

’Een zwerver?’

Vledder knikte.

’Hij vraagt om nadere inlichtingen over de dood van Harold de Vries.’

’Wat vraagt hij?’ vroeg De Cock geschrokken.

Vledder hield de hoorn iets verder omhoog.

’Inlichtingen,’ herhaalde hij, ’over de dood van Harold de Vries.’

De Cock trok denkrimpels in zijn voorhoofd.

’Hoe weet die vent… Laat hem boven komen.’

De Cock keek de man die op de stoel naast zijn bureau was geploft, onderzoekend aan. Hij zag er vaal en onverzorgd uit, maar zijn donkerbruine ogen stonden helder. De oude rechercheur schatte hem op achter in de veertig, maar hij realiseerde zich onmiddellijk dat die schatting, gezien het verwaarloosde uiterlijk van de man, weinig zekerheid bood. Vermoedelijk was hij jaren jonger.

Met zijn ruige haardos van een ondefinieerbare kleur, boog de man zich naar hem toe.

De grijze speurder snoof. Een zoete zweetgeur prikkelde zijn neusgaten.

’Steek van wal,’ opende hij vriendelijk.

De man keek hem schattend aan

’U bent toch rechercheur De Cock?’

’De Cock… eh, De Cock met ceeooceekaa,’ antwoordde hij bijna automatisch. ’Ik wil graag dat mijn naam goed wordt gespeld.’

Om de mond van de man gleed een glimlach.

’Ceeooceekaa,’ grinnikte hij, ’uw handelsmerk. Ik ben Adriaan… Adriaan van Bovenkerk.’

Hij grinnikte opnieuw.

’Van beroep zwerver.’

De Cock liet de opmerking aan zich voorbijgaan.

’U… eh, u wilt inlichtingen over de dood van Harold de Vries?’ vroeg hij weifelend.

Adriaan van Bovenkerk knikte.

’Ik wil weten hoe hij om het leven werd gebracht en of u al oog hebt op een dader?’

’Wie… eh, wie heeft u van zijn dood verteld? Ik heb zijn gewelddadig overlijden tot nu toe buiten de pers gehouden.’ Adriaan van Bovenkerk wees naar de telefoon op het bureau van De Cock.

’Onze tamtam gaat sneller dan uw telefoon.’

De oude rechercheur keek hem strak aan.

’Ik kreeg geen antwoord op mijn vraag. Wie heeft u van zijn dood verteld?’

Adriaan van Bovenkerk grijnsde.

’Dat antwoord wil ik u niet geven. Nog niet. Maar ik beloof u dat ik u straks duidelijk zal maken hoe wij aan de wetenschap van zijn dood zijn gekomen.’

’Graag.’

De zwerver vouwde zijn handen en toonde vervuilde vingers en een dubbele rij nagels met rouwrandjes.

’Ik kan u wel zeggen,’ sprak hij ernstig, ’dat er in mijn… eh, mijn kennissenkring druk over zijn dood wordt gespeculeerd.’

’Over het motief?’

’Wij beschouwen Harold de Vries als een van ons… een lieve, beminnelijke en desondanks verstoten man, die onze aandacht en hulp verdient.’

’Hij is dood.’

’Maar zijn moordenaar leeft.’

’En?’

Adriaan van Bovenkerk verschoof iets op zijn stoel. ’Er is ons veel aan gelegen dat de moordenaar van Harold de Vries wordt gestraft. Zelfs in onze kringen hecht men nog waarde aan gerechtigheid.’

Hij trok zijn gezicht in een ernstige plooi.

’Wij bieden u onze hulp aan.’

Over het gezicht van De Cock gleed een glimlach.

’Hoe wilt u die realiseren?’

De zwerver bracht zijn handen even voor zijn ogen en nam ze daarna weer weg.

’Wij zijn met velen. En we zijn niet blind. Wij hebben ogen en oren, overal. U vroeg zich af hoe wij kennis droegen van Harolds dood.’

’Inderdaad.’

’Voordat de bewaker van de beveiligingsdienst over de voeten van Harold struikelde, had een van ons hem al zien liggen. Op de verlaten kop van het Stenenhoofd. Er is daar een rooster… een metalen rooster. Vanuit de opslagruimten op het Stenenhoofd wordt via dat rooster warme lucht geventileerd. Het is voor ons een geliefde slaapplaats.’

De Cock kneep zijn ogen halfdicht.

’Wie is die man die de dode Harold zag?’

’Dat zeg ik u niet.’

’Waarom heeft hij zijn vondst niet aan ons gemeld?’

’Wat is een zwerver?’ sprak Adriaan geringschattend. ’Voor een op succes beluste rechercheur een gemakkelijke prooi om als verdachte aan te merken. Onze man meende dat hij de politie die kans niet mocht geven.’

De Cock leunde achterover in zijn stoel. De opmerking prikkelde hem.

’Ik ben geen op succes beluste rechercheur!’ riep hij kwaad. ’Laat mij met die man praten. Ik ben niet uit op een gemakkelijke prooi. Ik wil de werkelijke dader op basis van een deugdelijke bewijsvoering.’

De zwerver keek hem doordringend aan.

’En onze hulp?’

De Cock knikte met een zucht.

’Die accepteer ik.’

Vledder keek De Cock verwonderd aan.

’Vormen de Amsterdamse zwervers een soort heilig verbond?’ De oude rechercheur trok zijn schouders op.

’Ik heb er nooit iets van gemerkt.’

’Hebben wij in ons werk wel eens iets met zwervers van doen gehad?’

De Cock knikte.

’Zijdelings. Denk maar eens aan die dode zwerver tegen de muur van de Zuiderkerk.[5] Ik herinner mij nog wat Bram van Wielingen van de kleding van de man zei: ”Vlooien, luizen, platjes en een broek stijf van de urine”.’

Vledder schudde zijn hoofd.

’Ik had niet de indruk dat die Adriaan van Bovenkerk vlooien, luizen, platjes en een broek stijf van de urine had. Hij had het aanzien van een zwerver, maar naar mijn gevoel was hij dat niet. Zijn taalgebruik was ook heel behoorlijk.’

De Cock knikte.

’Ik denk dat wij het begrip ”zwerver” heel genuanceerd moeten benaderen. Ik vermoed dat hun onderscheidenheid net zo selectief is als in andere sectoren van onze samenleving.’

’Net zo gecompliceerd?’

’Beslist.’

Vledder glimlachte.

’Zal Adriaan jou de man leveren die de dode Harold de Vries voor het eerst heeft opgemerkt?’

De Cock knikte.

’Dat heeft hij mij uiteindelijk beloofd. Hij wilde de man daarover eerst voorzichtig benaderen. Op vrijwilligheid behoeven wij volgens Adriaan niet te rekenen. Het wantrouwen onder de zwervers jegens de politie is groot.’

Vledder gniffelde.

’Hebben wij dat verdiend?’

’Blijkbaar.’

’Denk je dat die man iets kan bijdragen?’

De Cock plooide zijn lippen in een tuitje. Daarna keek hij op. ’Bel straks Bram van Wielingen. Ik wil foto’s van de kop van het Stenenhoofd, waarop ook de plek van het rooster.’

’Wat wil je daarmee?’

Het markante gezicht van De Cock verstarde tot een masker. ’Zo’n heerlijk verwarmd rooster vormt onderling vaak het strijdtoneel voor naar goede slaapplaatsen verlangende zwervers.’

’Je bedoelt?’

De Cock knikte.

’Dat Harold de Vries ook door een medezwerver kan zijn vermoord.’

Vledder keek hem met grote ogen aan.

’De man,’ lispelde hij, ’die hem voor het eerst ontdekte.’ De Cock keek hem goedmoedig aan.

’Dick Vledder, dit is vanmorgen de derde keer dat ik je ogen open.’

Загрузка...