De Cock stapte de volgende morgen met een zucht van verlichting op het Stationsplein uit een overvolle tram. Hij was tijdens de rit ernstig in de verdrukking geraakt door een volumineuze dame met een rijkelijk overgewicht. Ze was met een plof naast hem op de smalle trambank gaan zitten en had geen enkele concessie aan haar territoriumdrift willen doen. Opgelucht, maar met de geur van haar parfum nog tussen zijn neusvleugels, slenterde hij temidden van de stroom treinreizigers naar het brede trottoir van het Damrak.
Het regende. Het regende nu al weken achtereen. De oude rechercheur kon zich niet herinneren dat het ooit in de maand oktober zo lang en intens had geregend. Overal lagen plassen. De putten konden het regenwater niet verwerken. De vlaggen aan de steigers van de rondvaartboten hingen zwaar van het water slap naar beneden. Troosteloos.
De Cock blikte om zich heen en ontdekte onder druipende paraplu’s alleen chagrijnige gezichten. Het sombere weer miste zijn uitwerking niet. De mensen werden er bepaald niet vrolijker van. De oude rechercheur snoof een paar maal om de parfumgeur uit zijn neus te verwijderen en beleefde een binnenpretje. In de gang van zijn woning hing al jaren een tegeltje met de tekst: De barometer heeft met ons humeur niets te maken. Het besloot zich daaraan te spiegelen, toverde een glimlach op zijn breed gezicht en versnelde zijn tred. Bij de Oudebrugsteeg stak hij voor een aanstormende tramtrein van lijn 9 de rijbaan over. Iemand lachte. De Cock in draf was een koddig gezicht. Op de hoek van de Oudebrugsteeg en de Warmoesstraat lichtte hij even beleefd zijn hoedje voor een bedaagde prostituee, die hij naar zijn gevoel al een eeuwigheid kende en stapte seconden later het politiebureau binnen. In de hal wuifde hij uitbundig naar de wachtcommandant achter de balie. Fluitend besteeg hij de stenen trappen naar de tweede etage.
In de grote recherchekamer zwiepte hij zijn hoedje naar de kapstok en slaakte een juichkreet toen zijn trouwe hoofddeksel tollend aan een haak bleef hangen. Daarna wurmde hij zich uit zijn natte regenjas en sjokte naar zijn bureau.
’Wat opgeknapt?’ vroeg hij belangstellend aan Vledder, die ontspannen achter zijn bureau de ochtendbladen doornam. Vledder keek verstoord op.
’Waarvan?’
De Cock reageerde verwonderd.
’Ik dacht dat je er gisteravond aardig doorheen zat. Jeremiades over werkdruk. Daar had ik je nog nooit eerder over gehoord.’ Vledder knikte.
’Ik was het ook goed zat. De cognac van Smalle Lowietje viel ook niet zoals anders en tijdens het bezoek van die Antoon Baardwijk viel ik bijna in slaap. Toen ik thuiskwam ben ik onmiddellijk naar bed gegaan en heb een paar uur goed geslapen. Ik heb zelfs niet van de Warmoesstraat gedroomd.’ De Cock reageerde verontrust.
’Je hebt het gesprek dat ik met die Baardwijk had, toch wel goed gevolgd, hoop ik?’
Vledder knikte nadrukkelijk.
’Ik heb er vanmorgen nog over nagedacht. Weet je wat mij het meest frappeerde?’
’Nou?’
’Het telefoontje. Het telefoontje dat Antoon Baardwijk deed besluiten om halsoverkop naar de Warmoesstraat te rijden. De vraag die onmiddellijk bij mij opkwam: hoe kende Adriaan van Bovenkerk de relatie tussen Johnny van der Kamp en Antoon Baardwijk? Hoe wist hij dat Johnny van der Kamp een halfbroer had die in Aerdenhout woonde?’
De Cock gebaarde achteloos.
’Daar is wel een antwoord op te vinden. Adriaan van Bovenkerk beschouwde Johnny van der Kamp als zijn vriend. Als dat wederzijds is geweest, dan bestaat de mogelijkheid dat Johnny hem over zijn rijke halfbroer heeft ingelicht.’
Vledder schudde geërgerd zijn hoofd.
’Ik vertrouw die Adriaan van Bovenkerk niet. Hij speelt een dubieuze rol. Ik denk dat hij meer bij die twee moorden is betrokken, dan wij vermoeden.’
’Hoe?’
Vledder klapte krachtig met zijn vuist op het blad van zijn bureau.
’Dat weet ik niet,’ riep hij. ’Het is een gevoel. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat hij geen echte zwerver is, geen clochard zoals de anderen.’
’Wat is hij dan?’
Vledder wuifde afwerend.
’Ik heb geen flauwe notie wat die vent wel is!’ riep hij geprikkeld. ’Om een of andere duistere reden vertoeft hij tussen dat zwerversvolkje. En ik zou die duistere reden graag kennen.’ De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.
’Volg dezelfde procedure als bij Johnny van der Kamp. Probeer er achter te komen of hij in het verleden werkelijk een advocatenkantoor heeft geleid, en welk kantoor dat was. Vraag naar familiebetrekkingen… vrouw, kinderen.’
De oude rechercheur zweeg even.
’Hoe laat is de gerechtelijke sectie op het lijk van Johnny van der Kamp?’
’Vanmiddag om twee uur. Ik hoop alleen dat dokter Rusteloos niet opnieuw lange tijd naar steensplintertjes gaat zoeken.’ De Cock negeerde de opmerking.
’Bel straks even met Bram van Wielingen en zeg hem dat hij naar het sectielokaal moet komen.’
’Waarvoor?’
’Ik wil een foto van het gezicht van Johnny van der Kamp… let wel, nadat dokter Rusteloos het bloed van dat gezicht heeft verwijderd. Ik wil die foto gebruiken voor de herkenning.’ Vledder keek hem verwonderd aan.
’We weten toch wie hij is?’
De Cock knikte.
’Maar we weten nog niet wie die mysterieuze Pieter is. Volgens Antoon Baardwijk was hij de lijftrawant van Johnny van der Kamp. Misschien kan die Pieter ons vertellen waarom Johnny dacht dat hij spoedig rijk zou worden.’
Vledder grijnsde.
’Sommige mensen wanen zich voor de trekking al rijk met een lot van de loterij in hun zak. Ze doen al uitgaven in de verwachting van de prijs…’
De jonge rechercheur stokte. Hij sloeg met de muis van zijn rechterhand tegen zijn voorhoofd.
’Stom van me, de Cock. Sorry. Ik vergat je te zeggen dat je onmiddellijk bij Buitendam moest komen.’
Commissaris Buitendam, de lange statige chef van het politiebureau aan de Warmoesstraat, wees met een diepe frons op zijn gelaat naar de artistieke klok op zijn bureau.
’Kom je nu pas binnen?’
De Cock verzweeg de vergeetachtigheid van Vledder en knikte.
’Verslapen,’ verzuchtte hij. ’Het is gisteravond nogal laat geworden.’
Buitendam liet het onderwerp rusten. Hij wenkte met een slanke hand naar de stoel voor zijn bureau.
’Ga zitten, De Cock,’ sprak hij geaffecteerd. ’Je moet mij even inlichten.’
De oude rechercheur besloot om dit keer het gesprek met zijn chef prettig te laten verlopen. Hij nam tegenover hem plaats. ’Waarover moet ik u inlichten?’ vroeg hij welwillend. Buitendam wuifde in zijn richting.
’Hoe het staat met je onderzoek naar de dood van die zwerver.’
’Welke zwerver bedoelt u?’
Buitendam raadpleegde een notitie voor zich op zijn bureau. ’Harold de Vries.’
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
’We hebben vrijwel geen vorderingen gemaakt,’ sprak hij verontschuldigend. ’Het is raadselachtig. We dachten aanvankelijk het motief te kennen. De familie De Bouchardon, die zich van de stalkende ex-man van zuster-dochter Madeleine wilde ontdoen. Maar dat is dubieus geworden. Ik denk dat wij het motief in een totaal andere richting moeten zoeken.’
’Hoelang denk je nog nodig te hebben?’
De Cock trok zijn schouders op.
’Daar kan ik geen zinnig antwoord op geven. Het is nogal gecompliceerd. Ik weet echt niet in welke richting ik het onderzoek moet voortzetten. Ik hoop nieuwe aanwijzingen te krijgen.’
Buitendam kuchte.
’Ik wil toch wel graag dat de moord op die… eh, die Harold de Vries wordt opgelost.’
De Cock keek hem schuins aan.
’Ongeacht de tijdsduur?’
Het was een vraag die plotseling bij hem opkwam. Buitendam knikte nadrukkelijk.
’Ongeacht de tijdsduur,’ herhaalde hij.
De Cock voelde zijn bloed kriebelen. Tijdens het vorige onderhoud met zijn chef had die een geheel andere mening verkondigd. In de aderen van de grijze speurder pulseerde het verzet. Hij kwam traag overeind en fronste zijn wenkbrauwen. ’Ik… eh, ik dacht,’ sprak hij aarzelend, ’dat ik in verband met de geringe economische inbreng van zo’n zwerver niet zoveel tijd aan de oplossing mocht besteden?’
Buitendam gebaarde geagiteerd naar de telefoon.
’Nu er een tweede zwerver is vermoord… op dezelfde plek en op dezelfde wijze… zeurt de pers aan mijn kop. Ik ben vanmorgen al tientallen malen lastiggevallen. Als er onverhoopt nog een derde zwerver als slachtoffer valt, dan krijg ik de complete media over mij heen.’
De Cock veinsde onbegrip.
’Door de dood van die tweede zwerver mag ik voor mijn onderzoek al de tijd nemen die ik nodig heb?’ vroeg hij fijntjes. Buitendam knikte nadrukkelijk.
’Absoluut. Er is mij alles aan gelegen dat de beide moorden worden geklaard.’
De commissaris strekte een waarschuwende vinger naar De Cock uit.
’En probeer in godsnaam een soortgelijke derde moord op een zwerver te voorkomen. Ik weet waarachtig niet hoe ik ons werk dan nog moet verkopen.’
De Cock reageerde niet direct. Hij streek met zijn pink over de rug van zijn neus.
’Eén zwerver is niets,’ sprak hij samenvattend, ’twee zwervers is wat en bij drie zwervers gaan we uit ons dak?’
Buitendam keek hem verward aan.
’Ik begrijp je niet.’
De Cock glimlachte.
’Het doet mij denken aan een versje of een spreuk, die mijn oude moeder mij lang geleden leerde: één ei, zei ze, is geen ei, twee ei is een half ei en drie ei is een paasei.’
De oude rechercheur grinnikte uitbundig.
’Heet dat modern beleid?’
Commissaris Buitendam kwam met een ruk uit zijn stoel overeind. Zijn smal gezicht zag bleek en zijn neusvleugels trilden. Hij strekte zijn rechterarm naar de deur.
’Eruit.’
De grijze speurder slenterde op zijn gemak vanuit de Warmoesstraat via de Lange en de Korte Niezel naar de Achterburgwal. Het regende nog steeds. De bomen aan de walkant drupten en de hoertjes hingen verveeld in hun stoelen achter het raam. Er was weinig klandizie. Het sombere weer activeerde de seksdrang niet.
Op de hoek van de Barndesteeg schoof De Cock het schemerig intieme lokaaltje van Smalle Lowietje binnen. Het was er stil. Alleen aan een tafeltje bij het raam zaten twee opzichtig uitgedoste prostituees aan een zoet drankje.
De tengere caféhouder keek de oude rechercheur wat verbaasd aan. Hij vergat te groeten.
’Ben je er al weer?’ riep hij verrast. ’Het is tot nu nog nooit gebeurd dat je binnen de vierentwintig uur mijn etablissement voor een tweede keer betrad.’
De Cock grinnikte.
’Lowie,’ grapte hij, ’ik word onweerstaanbaar tot je aangetrokken.’
’Een ongebruikelijk uur.’
De Cock hees zijn negentig kilo op een barkruk en knikte. ’Het is feitelijk te vroeg voor het consumeren van een glas cognac, maar schenk toch maar in. De vloeibare zon zal ongetwijfeld mijn klamme ziel wat warmte schenken.’
Smalle Lowietje blikte om zich heen.
’Waar is je maat?’
De Cock duimde over zijn schouder.
’Die ziet op dit moment toe hoe dokter Rusteloos een lijk openpeutert.’
De caféhouder schonk klokkend in.
’Hij liever dan ik.’
De Cock nam een slok van zijn cognac.
’Vroeger woonde ik zelf de secties bij, maar ik heb in de loop der jaren genoeg dode mensen van binnen gezien. Het hoeft voor mij niet meer. Ik weet inmiddels wel waar alle organen liggen.’
Smalle Lowietje boog zich iets naar hem toe.
’Schiet je al iets op met de moord op die twee zwervers aan het Stenenhoofd?’
De Cock schudde zijn hoofd.
’Niet erg.’
’Ken je hun namen?’
’Wil je die weten?’
Lowietje trok zijn smalle schouders op.
’Misschien kan ik je een hint geven.’
De Cock zuchtte.
’Ene Harold de Vries, een kunstenaar, en Johnny van der Kamp, een man van wie ik nog niets weet. Zeggen die namen je iets?’ Op het muizensmoeltje van de caféhouder kwam een dromerige trek.
’Van der Kamp.’
De Cock keek hem verwachtingsvol aan.
’Wat is er met Van der Kamp?’
Smalle Lowietje boog zich weer naar hem toe.
’Die Adriaan van Bovenkerk was hier vanmorgen weer. Hij vertelde mij dat een van de vermoorde zwervers Van der Kamp heette en hij vroeg mij of die Van der Kamp wel eens hier in mijn etablissement kwam.’
’En?’
’Wat bedoel je?’
’Wat heb je geantwoord?’
Smalle Lowietje toonde een grijns.
’Ik heb hem gezegd dat ik geen Van der Kamp ken.’ De Cock beluisterde de toon.
’En dat was de waarheid?’
De tengere caféhouder lachte.
’Ik hang die vent toch niet alles aan zijn neus. Hij is niet van de politie. Trouwens, alleen aan jou vertel ik wel eens iets. Begrijp je, op basis van onze jarenlange vriendschap.’
De Cock glimlachte.
’Jij kent hem dus wel.’
Smalle Lowietje gebaarde afwerend.
’Vaag, heel vaag. Er kwam hier eens een keurig geklede heer binnen en die zei mij dat hij in mijn etablissement een afspraak had met zijn broer, ene Johnny van der Kamp.’
’Die kende je niet?’
Smalle Lowietje schudde zijn hoofd.
’Ik had die naam nog nooit gehoord.’
De tengere caféhouder grinnikte.
’Even later kwamen er twee zwervers binnen. Een van hen liep onmiddellijk op die keurig geklede heer af en begroette hem uitbundig.’
De Cock knikte begrijpend.
’En daaruit maakte jij op dat die ene zwerver Johnny van der Kamp was.’
Smalle Lowietje lachte.
’Eén en één is twee… nietwaar? Het spul is later nog een paar maal bij mij op bezoek geweest. Ze zaten meestal aan een tafeltje bij het raam. Ik heb nooit geweten wat ze met elkaar bespraken.’
De Cock nam nog een slok van zijn cognac.
’Met ”het spul” bedoel je die keurig geklede heer en die twee zwervers?’
Smalle Lowietje knikte.
’Die twee zwervers waren niet helemaal koosjer. Ze boden hier in mijn etablissement regelmatig gestolen spulletjes te koop aan. Toen het mij te gortig werd en zij mijn clientèle opdringerig lastigvielen, heb ik hen verdere toegang verboden.’
’Wanneer was dat?’
’Ongeveer een week geleden.’
De Cock wees naar zijn glas.
’Schenk nog eens in.’
Smalle Lowietje gehoorzaamde met de welwillendheid, een kastelein eigen.
De Cock hief zijn opnieuw gevulde glas op.
’De maat van die Johnny van der Kamp, hoe heette die?’
’Pieter.’
’En verder?’
Smalle Lowietje trok zijn schouders op.
’Pieter… Pieter, meer weet ik niet. Ik kan je van hem wel een beschrijving geven, maar ik denk niet dat je daar veel aan hebt. Soms droeg hij een baard, dan weer niet. Soms droeg hij een bril, dan weer niet. Hij heeft zo’n alledaags gezicht van dertien in een dozijn.’
De Cock kauwde op zijn onderlip.
’Ik had toch graag eens met hem gesproken.’
Smalle Lowietje grinnikte.
’Dan zul je naar België moeten.’
De Cock keek hem niet-begrijpend aan.
’België?’
Smalle Lowietje knikte.
’Toen Adriaan van Bovenkerk naar Van der Kamp vroeg, zei hij: zijn maat is naar Antwerpen gevlucht.’