Vledder kwam met afhangende schouders de grote recherchekamer binnen. De jonge rechercheur sjokte naar zijn bureau en liet zich hoofdschuddend in zijn stoel zakken.
’Wat er ook gebeurt… al moorden ze vandaag de hele Amsterdamse binnenstad uit… ik maak het vanavond niet laat. Absoluut niet. Ik heb slaap. Ik verlang nu al naar mijn bed.’ Met in zijn ogen een blik vol onbegrip wees hij in de richting van De Cock.
’Hoe hou jij het vol. Je bent toch wel een paar jaartjes ouder dan ik. Doe je aan fitnesstraining? Gebruik je peppillen?’ De oude rechercheur lachte.
’Ik gebruik niets en mijn enige training is een wandelingetje met mijn hond.’
’Toch heb je een wonderbaarlijke conditie.’
De Cock grijnsde breed.
’Dank je.’
Hij veranderde van onderwerp.
’Hoe was de sectie?’
Vledder trok een treurig gezicht.
’Net zo’n ramp als de vorige keer bij de sectie op Harold de Vries.’
’Duurde het weer zo lang?’
Vledder knikte.
’Dokter Rusteloos bleef maar in de hersenmassa zoeken. Ik dacht dat hij nooit ophield.’
’Conclusie?’
’Dokter Rusteloos is ervan overtuigd dat Johnny van der Kamp op exact dezelfde wijze is vermoord als Harold de Vries, met hetzelfde slagwapen.’
’En?’
’Wat?’
’Heeft hij steensplintertjes gevonden?’
Vledder knikte opnieuw.
’Dokter Rusteloos heeft ze mij laten zien, op de top van zijn wijsvinger, steensplintertjes, kleine glinsterende schilfertjes, alsof ze van een of ander hard voorwerp zijn afgesprongen.’ De Cock staarde peinzend voor zich uit.
’Kon hij al iets zeggen over de splintertjes die hij eerder bij Harold de Vries had gevonden?’
Vledder schudde zijn hoofd.
’Ik heb er wel naar gevraagd. Volgens dokter Rusteloos zijn ze er op het laboratorium in Rijkswijk nog druk mee bezig. Hij had nog geen uitslag.’
De Cock keek hem glimlachend aan.
’Stonk het lijk van Johnny van der Kamp nog zo?’ Vledder trok zijn neus op.
’Het was aanvankelijk niet te harden. Toen de broeders hem van zijn vervuilde kleding hadden ontdaan, bleek dat zijn broek vol zat. Dokter Rusteloos was van mening dat de man in zijn doodsstrijd zijn ontlasting en urine had laten lopen. Dat schijnt meer voor te komen.’
’Dat betekent,’ sprak De Cock langzaam, ’dat hij voor die doodsstrijd misschien niet stonk.’
Vledder keek hem peilend aan.
’Ik weet waar jij op doelt,’ sprak hij lachend. ’Jij hebt, net als ik, een moment gedacht dat Johnny van der Kamp mogelijk de man was die Jules de Graaf na de moord op Harold de Vries, in het hartstikke donker op het Stenenhoofd had waargenomen.’ De Cock knikte traag.
’Het heeft even door mijn gedachten geflitst. Dat was volgens Jules de Graaf een stinkende zwerver. Maar ik heb het idee direct losgelaten toen ik besefte dat Harold de Vries en Johnny van der Kamp met vermoedelijk hetzelfde wapen en, gezien de modus operandi, door dezelfde dader waren vermoord.’ Vledder spreidde zijn handen.
’Wie is dan die stinkende zwerver geweest?’
De Cock glimlachte.
’Een goede vraag, waarop ik je het antwoord schuldig moet blijven. De zwerver die Adriaan van Bovenkerk van de plaats delict zag komen, stonk blijkbaar niet. Althans, Van Bovenkerk heeft geen stank waargenomen. Maar, zo zei hij, zijn reukvermogen was niet zo sterk. Die zwerver kan dus best hebben gestonken.’
Vledder staarde peinzend voor zich uit.
’We moeten Jules de Graaf eens vragen of hij op de Westerdoksdijk kort na zijn ontmoeting met die stinkende zwerver een wagen heeft horen wegrijden.’
De Cock keek hem bewonderend aan.
’Knap van je… een goed idee. We moeten maar eens gaan kijken bij centra waar thuis- en daklozen regelmatig samenkomen.’
’Ken jij zo’n centrum?’
De Cock knikte.
’Het Goodwill-centrum van het Leger des Heils waar majoor Bosshardt vroeger de scepter zwaaide.’ Hij glimlachte vertederd. ’Een milde scepter.’
Vledder stak zijn kin uitdagend vooruit. Hij fleurde duidelijk wat op.
’Misschien treffen we daar ook Adriaan van Bovenkerk. Ik heb iets tegen die man. Ik zou hem graag nog een paar vragen willen stellen.’
’Heb je hem al nagetrokken?’
Vledder schudde zijn hoofd.
’Daar ben ik nog niet aan toe gekomen. Ik heb ook nog geen informatie over onze Johnny van der Kamp. Maar ik ga straks aan de slag.’
’Heeft Bram van Wielingen tijdens de sectie nog foto’s van het schoongemaakte gezicht van Johnny van der Kamp genomen?’ Vledder knikte.
’Hij komt ze vandaag nog brengen. Je moet de groeten hebben van je vriend Ben Kreuger. Bram van Wielingen had hem meegenomen. Voor alle zekerheid heeft hij vingerafdrukken van Johnny van der Kamp genomen. Volgens de dactyloscoop willen zwervers wel eens van identiteit veranderen.’
De jonge rechercheur keek op.
’Hoe ben jij vanmiddag gevaren?’
De Cock glimlachte.
’Ik heb al twee cognackies achter mijn kiezen. Ik was op bezoek bij Smalle Lowietje.’
’En?’
’Het verhaal van Antoon Baardwijk klopt. Hij had in het cafeetje een paar maal een samenkomst met twee zwervers. Een van hen was Johnny van der Kamp. Van de ander weet Smalle Lowietje alleen dat hij Pieter heet. Lowietje heeft die twee een week geleden de toegang ontzegd, omdat ze in zijn etablissement gestolen spulletjes probeerden te verkopen.’
’Weet hij waar wij die Pieter kunnen vinden?’
De Cock glimlachte.
’In België.’
’Hoe komt hij daarbij?’
De Cock ademde diep.
’Het opmerkelijke is dat Adriaan van Bovenkerk vanmorgen al bij Smalle Lowietje is geweest om te vragen of hij Johnny van der Kamp kende.’
Vledder keek hem verwonderd aan.
’Waarom wilde hij dat weten?’
De Cock trok zijn schouders op.
’Geen idee. Smalle Lowietje heeft het ontkend. Hij heeft gezegd dat hij nooit van een Johnny van der Kamp had gehoord. Adriaan van Bovenkerk reageerde toen: Zijn maat is naar Antwerpen gevlucht.’
’Gevlucht?’
De Cock knikte.
’Dat zei Adriaan van Bovenkerk, gevlucht.’
Vledder reageerde verrast.
’Voor wie… voor wat?’
De Cock krabde zich achter in zijn nek.
’Het kan een reactie zijn op het bericht dat zijn maat Johnny van der Kamp was vermoord. Misschien was hij wel bang dat hem hetzelfde zou overkomen.’
Vledder gebaarde heftig.
’Het kan ook zijn dat hij is gevlucht omdat hij, de mysterieuze Pieter, verantwoordelijk is voor beide moorden en dat de grond hier in Amsterdam hem te heet onder de voeten is geworden.’ De Cock ging niet in op de suggestie.
’Pieter,’ verzuchtte hij, ’volgens Smalle Lowietje een man met een gezicht van dertien in een dozijn. Hoe vind je zo’n man in Antwerpen?’
De oude rechercheur stond op.
’We moeten maar eens op pad gaan. Het lijkt mij het beste dat wij…’
De grijze speurder stokte.
De deur van de grote recherchekamer ging open en Maurice de Bouchardon stapte binnen. Hij droeg dezelfde ouderwetse groene trenchcoat met rug- en schouderflappen als tijdens zijn eerste bezoek. Ook nu drupte het regenwater van de zoom van zijn coat.
Bij De Cock bleef hij staan.
’Ik heb gehoord dat er weer een dode zwerver is gevonden.’
’Van wie?’
’Wat bedoelt u?’
’Van wie hebt u gehoord dat er weer een dode zwerver is gevonden?’
Maurice de Bouchardon weifelde even.
’Van… eh, van Adriaan van Bovenkerk. Hij belde mij zojuist op.’ De Cock keek hem verwonderd aan.
’Adriaan van Bovenkerk?’
’Ja.’
’Waarom belde hij u?’
Maurice de Bouchardon maakte een omstandig gebaar. ’Waarom… waarom,’ herhaalde hij hakkelend, ’om mij te vertellen dat er op het Stenenhoofd weer een dode zwerver is gevonden. Hij vond het blijkbaar belangrijk genoeg om mij dat te vertellen.’
De oude rechercheur gebaarde naar de stoel naast zijn bureau. ’Neem plaats.’
Het klonk als een bevel.
Maurice de Bouchardon ging zitten.
’En het is ook belangrijk,’ ging hij verder, ’voor ons, voor de familie De Bouchardon. Ik begrijp best dat u na de dood van Harold de Vries aan ons hebt gedacht… dat de verdenking op ons rustte. In dit verband zie ik ook uw late bezoek gisteravond aan mijn vriendin Laetitia in de Dolle Begijnensteeg. Het feit dat u ons verdacht, was duidelijk merkbaar.’
De Cock plukte aan zijn onderlip.
’En nu er een tweede dode zwerver is gevonden, valt die verdenking weg?’
Maurice de Bouchardon knikte nadrukkelijk.
’Voor de moord op Harold de Vries hadden wij een motief. Hij viel voortdurend mijn zuster Madeleine lastig. Welk motief zouden wij hebben voor de moord op die tweede zwerver?’ De Cock trok achteloos zijn schouders op.
’Een motief dat wij nog niet kennen.’
Maurice de Bouchardon schudde zijn hoofd.
’Rechercheur De Cock,’ sprak hij gedragen, ’u staat bekend als een schrander speurder. Geef daar blijk van en ontmasker de moordenaar van die twee zwervers en bedenk daarbij dat de moordenaar geen lid is van de familie De Bouchardon.’ De grijze speurder glimlachte.
’U kunt mij toch geen garanties geven. U hebt zelf al eens uw eigen vader beschuldigd.’
’Dat was een paniekreactie.’
’U meende wel degelijk wat u zei.’
Het gezicht van Maurice de Bouchardon kleurde rood. ’Ik herhaal: het was een paniekreactie. Ik was overrompeld door de dood van Harold.’
De Cock wuifde het onderwerp weg.
’Hoe goed kent u Adriaan van Bovenkerk?’
’Ik ken hem niet goed.’
De Cock grijnsde.
’Toch zo goed dat u hem gisteravond in het café van Smalle Lowietje aan de Achterburgwal een pilsje aanbood. Is het uw gewoonte om thuis- en daklozen een pilsje aan te bieden?’ Maurice de Bouchardon trok zijn gezicht strak.
’Adriaan van Bovenkerk is niet dakloos en hij heeft wel degelijk een tehuis.’
’Waar?’
’In Antwerpen.’
De Cock reageerde verrast.
’In Antwerpen?’
’Ja.’
’Wat doet hij dan hier… in lompen gehuld?’
Maurice de Bouchardon glimlachte.
’Zijn kleding is camouflage. De heer Van Bovenkerk is geen zwerver.’
De Cock wond zich op.
’Wat is hij dan wel?’
Maurice de Bouchardon schudde zijn hoofd.
’Ik heb niet de vrijheid,’ sprak hij minzaam, ’om u dat te vertellen.’
Vledder gebaarde naar de notities op zijn bureau.
’Adriaan van Bovenkerk woont dus in Antwerpen en opereert hier met de allure van een zwerver. Waarom?’
De Cock schudde zijn hoofd.
’Ik kan geen zinnig antwoord bedenken. Ik begrijp ook niet waarom Maurice de Bouchardon ons niet wil vertellen wat Adriaan van Bovenkerk hier uitspookt. Waarom die camouflage?’
Vledder grinnikte.
’Waarom vlucht onze mysterieuze Pieter uitgerekend naar Antwerpen?’
De Cock maakte een berustend gebaar.
’Volgens Antoon Baardwijk was hij een Belg en kwam uit Antwerpen.’
’Zullen wij zijn opsporing verzoeken?’
’Op basis waarvan?’
’Moord.’
De Cock schudde zijn hoofd.
’Ik geloof niet dat hij verantwoordelijk is voor de beide moorden. Johnny van der Kamp was zijn lijftrawant. Die twee deden alles samen. Ik zie geen enkel motief voor die Pieter.’
’Misschien kregen ze ruzie.’
De Cock schudde opnieuw zijn hoofd.
’Je moet die Pieter als dader uitsluiten. Besef, dat hij ook een motief moet hebben voor de moord op Harold de Vries. Bovendien neem ik niet aan dat hij een auto bezit.’
Vledder snoof.
’Het verhaal van die wegrijdende auto op de Westerdoksdijk is van Adriaan van Bovenkerk… van niemand anders.’ De Cock knikte.
’Dat realiseer ik mij. Daarom gaan wij ook op zoek naar die Jules de Graaf. Als ook hij na de moord op Harold de Vries een auto heeft horen wegrijden, dan hebben we enige zekerheid.’ Vledder gromde.
’Misschien zet die Adriaan van Bovenkerk ons wel op het verkeerde spoor. Ik vertrouw die vent niet. Hij heeft ook beloofd de zwerver die hij zag te vinden, compleet met zijn grote donkere wagen.’
De jonge rechercheur grinnikte vreugdeloos.
’Heb jij wat gezien?’
De Cock maakte een afwerend gebaar.
’Je moet hem ook de tijd gunnen. Het is nog geen vierentwintig uur geleden dat hij ons die toezegging deed.’
De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde. Vledder boog zich ver voorover en pakte de hoorn op. Al na enkele seconden legde hij de hoorn op het toestel terug.
De Cock monsterde het gezicht van zijn jonge collega. ’Wie was dat?’
’De wachtcommandant beneden. Bram van Wielingen heeft zojuist de foto’s gebracht en Smalle Lowietje is op weg naar boven.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
’Smalle Lowietje?’
Op dat moment ging de deur van de grote recherchekamer open. De tengere caféhouder, gehuld in een regenjas die tot aan zijn enkels reikte, stapte op De Cock toe. Op zijn vriendelijk muizensmoeltje lag een ernstige trek.
’Ik heb niet veel tijd. Ik heb even een vervanger achter de tap gezet.’
De Cock gebaarde naar de stoel naast zijn bureau.
’Ga toch even zitten,’ sprak hij vriendelijk. ’Het moet belangrijk zijn als jij op dit uur jouw etablissement verlaat.’ Smalle Lowietje nam wat onwillig plaats.
’Die vent was er weer.’
’Welke vent?’
Smalle Lowietje duimde over zijn schouder.
’Adriaan van Bovenkerk. Hij zei dat hij over informaties beschikte dat ik Johnny van der Kamp wel degelijk had gekend. Johnny van der Kamp was, zo zei hij zeker te weten, met zijn maat een paar maal in mijn etablissement geweest.’
’Verder?’
Smalle Lowietje schudde zijn hoofd.
’Verder niets. Ik wil niets met die vent te maken hebben. Hij is mij te opdringerig.’
De Cock kneep zijn wenkbrauwen samen.
’Van wie heb jij het verhaal dat die man vroeger een groot advocatenkantoor heeft geleid?’
’Van een penozejongen. Volgens hem was Adriaan van Bovenkerk een meester in de rechten en werkte op een groot kantoor.’ De Cock glimlachte.
’Toen heb jij hem maar een leider van een groot advocatenkantoor gemaakt.’
Smalle Lowietje trok een verongelijkt gezicht.
’Logisch toch.’
De Cock schoof zijn onderlip vooruit.
’Jij hebt die Van Bovenkerk niet gezegd dat je Johnny van der Kamp wel degelijk heb gekend?’
Smalle Lowietje schudde zijn hoofd.
’Jouw informaties deugen niet, heb ik hem gezegd. Na een enkel pilsje ging hij weg. Kwaad.’
De tengere caféhouder grinnikte.
’Het gedoe van die vent maakte mij wel nieuwsgierig. Hij onderzoekt iets, dacht ik. Ik ben op mijn manier toen zelf eens aan het snuffelen gegaan.’
’En?’
’Ik heb iets voor je gevonden.’
’Wat?’
Smalle Lowietje plukte uit de binnenzak van zijn wijde regenjas een notitie en gaf die aan De Cock.
’Hier heb je de naam van die Pieter en het adres in Antwerpen waar zijn oude moeder woont.’
De Cock las.
’Pieter de Goede.’
Smalle Lowietje knikte.
’Als je hem nodig hebt, dan kun je hem in Antwerpen zo laten oppakken.’
De Cock schudde zijn hoofd.
’Ik laat hem niet oppakken. Ik denk dat ik hem ergens anders voor nodig heb.’
Smalle Lowietje stond van zijn stoel op.
’Moet jij weten wat je doet. Ik ga terug achter de tap. Vervangers hebben soms grijpgrage handjes.’
De tengere caféhouder weifelde even.
’Ik heb nog iets wat je zal interesseren. Johnny van der Kamp en zijn maat Pieter de Goede woonden tot voor kort nog in een kraakpand aan de Oostenburgergracht. En weet je wie daar ook woonde?’
’Nou?’
’Jouw eerste dode zwerver: Harold de Vries.’
Vledder keek De Cock bewonderend aan.
’Jouw Smalle Lowietje is voor ons zijn gewicht in goud waard.’
De oude rechercheur knikte instemmend.
’Gelukkig is hij niet zo zwaar,’ grapte hij.
Vledder lachte.
’We kunnen toch altijd voor inlichtingen bij hem terecht. En hij heeft goede contacten.’
’Daarom… en om nog meer… is hij mijn vriend.’
’Gaan we naar Antwerpen?’
De Cock schudde zijn hoofd.
’Bel rechercheur Hans Rijpkema en vraag hem in welk kraakpand hij het lijk van François Vandenberge heeft gevonden.’ Vledder keek hem verwonderd aan.
’Wie is…’
Verder kwam hij niet. De wachtcommandant liep met een bedrukt gezicht de recherchekamer binnen. Hij stapte op De Cock toe.
’Ik wilde het niet door de telefoon doen.’
’Wat?’
Jan Kusters liet zijn hoofd iets zakken.
’Ik kom het je persoonlijk aanzeggen, De Cock,’ sprak hij met een grafstem. ’Er ligt weer een dode zwerver op de kop van het Stenenhoofd.’