13

Vledder reed wild van de parkeerplaats bij Waddenland weg. Met gierende banden reed hij de Telstarweg op. De Cock legde even zijn hand op de rechterarm van de jonge rechercheur. ‘Kalm aan… kalm aan. Ik wil toch de kerstdagen nog wel halen.’

Vledder nam wat gas terug en snoof. Zijn neusvleugels trilden. ‘Een vrouw,’ brulde hij met ingehouden woede. ‘Steeds maar weer een vrouw.’ Hij zwaaide wild naar de voorruit van de Volkswagen. ‘En eeuwige stortbuien.’

Hij blikte opzij naar De Cock. ‘Weet jij er wat van? Is dit het begin van een nieuwe zondvloed?’

De oude rechercheur keek gelaten naar hem op.

‘Het zou mij persoonlijk niets verbazen,’ sprak hij simpel. ‘En als ik de macht had…’

Vledder onderbrak hem. ‘… kwam er een nieuwe zondvloed?’ vulde hij vragend aan.

De grijze speurder streek langzaam met zijn pink over de rug van zijn neus. ‘Ben je toch mooi,’ sprak hij bedachtzaam, ‘in één klap van een hoop criminaliteit af.’

Hoewel hij het niet zo had bedoeld, klonk het bijna spottend.

Op het gezicht van Vledder brak een glimlach door.

‘Ik weet niet hoe jij erover denkt, maar als je het mij vraagt, is het wel een erg radicale manier van misdaadbestrijding.’

De Cock reageerde niet. Hij voelde weinig voor een oeverloze godsdienstige discussie.

‘Hoe vond je Blonde Chrissie?’ vroeg hij ontwijkend.

‘Een mooi vrouwtje.’

De grijze speurder glimlachte.

‘Ik geloof dat ik oud begin te worden,’ sprak hij meewarig.

‘Ik kon mij dat geval van dat mannetje met zijn radio niet eens meer herinneren.’

‘Zij wel… gelukkig.’

‘Vond je haar geloofwaardig?’

‘Zeker.’

De Cock zuchtte diep.

‘Dan ben ik bang,’ sprak hij gespannen, ‘dat Jacques van Ieperen op weg is.’

‘Waarheen?’

‘Op weg naar zijn dood.’

Vledder keek hem verschrikt aan.

‘Meen je dat?’

De Cock liet zijn hoofd iets zakken.

‘Ik ben bang,’ sprak hij somber, ‘dat de vrouw die hem belde, Jacques van Ieperen naar een bepaalde plaats heeft gelokt.’ ‘Om hem te vermoorden?’

‘Precies.’

Van verbijstering liet Vledder het stuur van de Volkswagen los en hief zijn handen omhoog. Het voertuig begon gevaarlijk te slingeren. Een moment later had hij de wagen weer in bedwang, stuurde naar de vluchtstrook van de Gooiseweg en stopte. Het gezicht van de jonge rechercheur zag doodsbleek. Met een ruk draaide hij zich naar De Cock toe.

‘Jij… eh, jij bedoelt,’ stotterde hij ontsteld, ‘dat die Jacques van Ieperen mogelijk op ditzelfde moment wordt vermoord?’

De grijze speurder trok zijn gezicht strak.

‘Dat bedoel ik.’

De uitdrukking op het gezicht van Vledder was er een van totale verwarring. ‘En doen we dan niets!’ riep hij fel, geëmotioneerd. ‘Laten we dat gewoon gebeuren? Dat… eh, dat kan toch niet. Dat kan toch niet. Dat…’

De Cock hulde zich in een stilzwijgen. Uiterlijk leek hij onbewogen.

Van zijn breed, markant gezicht was geen expressie te lezen. Hij begreep iets van de wanhoop… van de verlammende onmacht die zijn jonge collega teisterde… gevoelens die ook in hemzelf leefden, maar die hij in een harde leerschool van vele jaren beter had leren beheersen.

Vledder pakte hem met zijn sterke knuisten bij de schouderkoppen vast en schudde hem wild heen en weer.

‘Jij weet het toch altijd,’ siste hij beschuldigend. ‘Jij weet toch achteraf altijd precies hoe het in elkaar zit.’ Hij bracht zijn gezicht dichtbij. ‘Weet het dan nu… nu… nu er nog een mensenleven is te redden.’

De Cock liet hem begaan. De beschuldiging raakte hem niet. Hij werd niet beheerst door het gevoel dat hij tot nu toe had gefaald. Hij had gedaan wat in zijn vermogen lag. Gerechtigheid op aarde was een zaak van mensen. Wie was hij? Een oude rot in het moeilijke recherchevak… meer niet. Geen wonderdoener.

Vledder liet hem los en zakte vermoeid terug in de stoel achter het stuur.

De Cock keek hem van terzijde aan.

‘Rij naar de Kit,’ sprak hij kalm.


Toen de beide rechercheurs de hal van het politiebureau aan de Warmoesstraat binnenstapten, wenkte Jan Kusters hen vanachter de balie met een kromme vinger.

De Cock liep op hem toe.

‘Wat is er?’

De wachtcommandant grinnikte een tikkeltje gemeen.

‘Zaten jullie weer in dat cafeetje?’

De Cock antwoordde niet.

‘Wat is er?’ herhaalde hij onverstoorbaar.

Jan Kusters stak zijn arm omhoog.

‘Boven zit een man op jou te wachten.’

‘Wat voor een man?’

‘Die man die bij Vledder aangifte van bedreiging heeft gedaan… de heer Harredijke.’

De Cock kneep zijn ogen half dicht.

‘Meneer Harredijke?’

De wachtcommandant knikte.

‘Hij zei dat hij in Amstelveen uit het ziekenhuis was weggelopen… uit angst. Hij wilde met je praten voor hij voorgoed van het toneel verdween.’

De Cock draaide zich om en liep de hardstenen trap op naar de tweede verdieping.

Vledder volgde gedwee.

Toen ze door de brede gang naar de recherchekamer liepen, stond de heer Arend Harredijke van de bank op. De Cock herkende hem direct. Hij droeg dezelfde chique antracietgrijze mantel met de witzijden sjaal als op de avond dat hij aangifte deed. De zwarte gleufhoed hield hij in de hand.

De Cock liep glimlachend op hem toe.

‘Hoe maakt u het?’ riep hij opgewekt. ‘Weer helemaal hersteld? De mitella is weg, zie ik.’ Hij hield de deur van de recherchekamer uitnodigend voor hem open. ‘Het spijt me dat ik er niet was. Hebt u erg lang op ons moeten wachten?’

De heer Harredijke keek op zijn horloge.

‘Een kwartier.. ongeveer.’

De Cock ging hem voor.

‘Dat valt nogal mee. Gewoonlijk zijn Vledder en ik uren op pad.’ Hij wees naar de stoel naast zijn bureau. ‘Gaat u zitten.’ Arend Harredijke nam plaats. Met zijn gleufhoed op zijn knieen wachtte hij geduldig tot ook de oude rechercheur was gaan zitten. Toen boog hij zich iets naar de grijze speurder toe.

‘Ik moet hier weg, meneer De Cock,’ sprak hij schichtig. ‘Ik moet hier zo snel mogelijk weg. Nu die eerste aanslag op mij is mislukt, zal ongetwijfeld een tweede aanslag op mijn leven volgen. Ik vrees dat ik er dan niet zo goed vanaf kom.’

De Cock keek hem onderzoekend aan. De heer Harredijke zag er slecht uit, vond hij. Vermagerd. De neus in het bleke gezicht leek nog scherper. De wangen waren iets ingevallen. Maar de tastende, waakzame blik in de helderblauwe ogen was gebleven.

‘U verwacht een tweede aanslag?’

De journalist zuchtte.

‘Ik dacht daar in Amstelveen in het ziekenhuis veilig te zijn. Daarom heb ik er ook bij mijn behandelend arts op aangedrongen om mij nog enige tijd in behandeling te houden… hoewel dat in feite niet meer nodig was. De wond aan mijn arm geneest goed en ook geestelijk begon ik mij weer aardig weerbaar te voelen.’ Hij maakte met zijn beide handen een hulpeloos gebaar. ‘Maar vanmiddag ben ik bijna in paniek weggelopen.’

De Cock trok zijn wenkbrauwen op.

‘U voelde zich ineens niet veilig meer?’

‘Nee.’

De oude rechercheur keek hem verbaasd aan.

‘Wat is er dan gebeurd?’

Arend Harredijke slikte.

‘Ik heb haar gezien.’

‘Wie?’

Met trillende hand wees de journalist achter zich.

‘De vrouw… de vrouw van de motorfiets. Ze liep in het ziekenhuis door de gang. Ik weet het zeker. Ik zag het silhouet van haar helm in het matglas van mijn kamerdeur. Het pure angstzweet brak mij uit. Als een struisvogel hield ik mijn hoofd onder het laken. Ik dacht elk moment dat zij in haar leren pak mijn kamer zou binnenstormen om opnieuw op mij te schieten.’

‘U hebt alarm geslagen?’

Arend Harredijke schudde zijn hoofd.

‘Dat had geen zin. Niemand zou het begrijpen. Ik heb ook de politie in Amstelveen niet ingelicht. Ik hoop dat u dat voor mij wilt doen.’

De Cock wreef met zijn hand over zijn gezicht.

‘En nu?’

Arend Harredijke maakte een berustend gebaartje.

‘Ik kan hier niet blijven,’ sprak hij met een diepe zucht. ‘Die dodelijke dreiging kan ik niet langer aan. Ik ga niet terug naar het ziekenhuis en ik ga niet meer terug naar mijn huis in Amstelveen. Ik bezit een min of meer gerieflijk zomerhuis in Ermelo. Dat is slechts in intieme kring bekend. Daar ga ik heen. Ik zal u het adres geven voor het geval u mij nog eens nodig heeft.’

De Cock knikte begrijpend.

‘U hebt gelijk. Wij, van de politie, kunnen u niet afdoende beschermen. Daartoe ontbreken ons de middelen. Wij kunnen alleen hopen die bewuste vrouw zo snel mogelijk te vinden… te ontmaskeren.’ Hij zweeg even voor het effect. Daarna strekte hij zijn rechterhand resoluut in de richting van de man. ‘U… heer Harredijke… u kent haar.’

De journalist deinsde verschrikt terug.

‘Ik?’ riep hij ontsteld.

De Cock knikte kalm.

‘U… en Jacques van Ieperen.’

De adamsappel van Arend Harredijke wipte op en neer.

‘De compagnon van Emile?’

De Cock grijnsde breed.

‘Inderdaad, de compagnon van Emile van den Aerdenburg. Ook hij kreeg dreigbrieven.’ De grijze speurder verstarde. Zijn gezicht werd een stalen masker. Met zijn scherpe blik hield hij de gelaatstrekken van de man voor zich gevangen. ‘Ik vraag u nu… uitdrukkelijk… bij welke vrouw hebt u… Arend Harredijke… in samenwerking met Jacques van Ieperen en Emile van den Aerdenburg… in het verleden zoveel haatgevoelens opgewekt, dat zij tot een stelselmatig uitmoorden van de heren besloot?’

Arend Harredijke bracht in wanhoop zijn beide handen voor zijn gezicht. Zijn lange lichaam begon te schokken. De zwarte gleufhoed gleed van zijn trillende knieën.

De Cock trok zijn handen van het gezicht weg.

‘Harredijke,’ brieste hij, ‘ik heb u iets gevraagd.’

De journalist schudde angstig zijn hoofd.

‘Ik weet het niet,’ riep hij gesmoord. ‘Echt, ik weet het niet. Vraag het Jacques… vraag het Jacques.’ Hij huilde als een kind. ‘Vraag het Jacques…’


Vledder keek De Cock verwonderd aan.

‘Je liet hem gaan,’ sprak hij toonloos.

De oude rechercheur knikte traag. Daarna trok hij zijn schouders iets op. De accolades rond zijn mond vergleden tot een trieste glimlach. ‘Wat had ik dan moeten doen?’

Vledder zwaaide heftig.

‘Hij weet het… hij weet het… hij kent de vrouw die hem bedreigt. Hij weet ook precies wat er in het verleden is gebeurd. Het was gewoon aan hem te zien. Hij straalde het uit.’ De jonge rechercheur grinnikte vreugdeloos. ‘En jij laat de totale oplossing van deze hele affaire gewoon, zonder hinderen, de deur uit wandelen.’

Het klonk als een ernstig verwijt.

De Cock boog zich iets naar hem toe.

‘We leven niet meer in de middeleeuwen, lieve jongen,’ sprak hij geduldig. ‘Ik kan die man niet op een pijnbank leggen. Als Arend Harredijke met die dodelijke dreiging wil blijven leven, dan is dat zijn zaak. En als er in het verleden iets is gebeurd wat het daglicht niet kan velen, dan kan ik die man niet dwingen om zichzelf te beschuldigen. Zo zit nu eenmaal het recht in elkaar, dat jij en ik heten te vertegenwoordigen.’ Hij zuchtte diep. ‘Dacht je dat ik het leuk vind om die journalist als schietschijf te laten rondlopen?’

Vledder kneep zijn lippen op elkaar.

‘Het is toch te zot,’ riep hij fel, ‘dat een enkele vrouw drie mannen kan vermoorden.’ Hij snoof. ‘Besef je wel dat als zowel Arend Harredijke als Jacques van leperen dood zijn, wij beiden deze zaak nooit meer tot een oplossing zullen brengen?’

De Cock bromde.

‘Ze zijn nog niet dood.’

Vledder schudde wanhopig zijn hoofd.

‘Maar dat is een kwestie van tijd. Die dame wacht rustig haar kans af. Geloof me, die Arend Harredijke gaat er ook aan… vandaag of morgen. Dat zomerhuis van hem in Ermelo biedt geen enkele bescherming. Net zo min als dat liefdesnestje van Jacques van Ieperen in Duivendrecht bescherming bood. Die vrouw wist hem te vinden.’ Hij staarde met een triest gezicht voor zich uit. ‘Ik hoop voor ons dat Vieze Sjaak de dans ontspringt.’

De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde. Vledder griste de hoorn van het toestel en luisterde. De Cock keek toe en zag hoe zijn gezicht betrok.

‘Wat is er?’ vroeg hij gejaagd.

Vledder legde de hoorn neer en slikte.

‘Op de Keizersgracht zit een doodgeschoten man tegen een boom… zijn gezicht naar de gracht.’

Загрузка...