8

Onderuitgezakt, zijn oude hoedje vertrouwd tot op zijn wenkbrauwen, zat De Cock naast Vledder in de Volkswagen en dommelde. De gevolgen van een te geringe nachtrust waren nog niet geheel uit zijn botten verdwenen. De oude rechercheur droomde van een lieve wereld zonder misdaad en geweld, een wereld van vrede op aarde met louter vrolijke, opgewekte mensen in de zon, allen gekleed in een wit vormloos hemd en een fraai lichtend aureooltje zwevend boven hun kruin.

Het hobbelen over een slecht stukje wegdek deed hem ontwaken. Hij schoof zijn hoedje terug en drukte zich wat omhoog. Tot zijn niet geringe verbazing zag hij links het glinsterende water van de Amstel en rechts de coniferenhaag van de begraafplaats Zorgvlied.

Hij keek opzij naar Vledder aan het stuur.

‘Hoe rij jij naar Amstelveen?’

‘Via Ouderkerk aan de Amstel.’

De Cock grijnsde.

‘Waarom niet via Kloosterzande?’

Vledder reageerde verrast.

‘Dat ligt in Zeeuws-Vlaanderen.’

De Cock knikte instemmend.

‘Precies. Ik bedoel maar… dit lijkt mij toch niet de kortste weg.’ Vledder trok een verongelijkt gezicht.

‘Ik deed het voor jou. Ik dacht dat je graag nog eens langs het buiten Blijemeer wilde rijden om te zien of vijandig blazende ganzen daar opnieuw de bewaking hebben overgenomen.’

Op het gezicht van de grijze speurder kwam een peinzende uitdrukking. De verschrikkingen die op Blijemeer hadden plaatsgevonden, kwamen even terug in zijn gedachten.[4] Hij liet zich geeuwend onderuitzakken.

‘Ik heb één verzoek,’ bromde hij.

‘En dat is?’

‘Rij zo snel mogelijk aan dat landgoed voorbij.’

Lachend drukte Vledder op het gaspedaal.

Langs restaurant Paardenburg, een smalle bochtige straat en De Oude Prins van 1651, reden ze verder langs de Amstel. Na het viaduct van de snelweg A9 sloegen ze rechtsaf en reden langs de Akker naar Amstelveen.

Op de parkeerplaats van het Tulp Ziekenhuis aan de Groenelaan was plaats genoeg. Vledder zette de Volkswagen naast een lichtgrijze Mitsubishi Galant. Hij stapte haastig uit, liep om de wagen heen en maakte gedienstig het portier voor De Cock open.

De oude rechercheur keek argwanend op.

‘Sinds wanneer is dat?’

Vledder glimlachte geamuseerd.

‘Ik heb eerbied voor jouw grijze haren.’

De Cock stapte breed grijnzend uit.

‘Het zal tijd worden,’ sprak hij met gespeelde waardigheid. Ze sjokten naar de ingang.

In de hal van het Tulp Ziekenhuis nam de oude rechercheur zijn hoedje af en boog gracieus voor een jonge, wat mollige verpleegster. Ze droeg een helwit, bijna doorschijnend gewaadje… niet zo vormloos als de witte hemden uit zijn dromen, maar een daarbij behorend glanzend aureooltje had hij haar graag gegund.

Nadat hij haar hun verlangens ten aanzien van de heer Harredijke had kenbaar gemaakt, leidde de verpleegster hen naar een ruime kamer met een groot ziekenhuisbed, waarin een lange man met grijs golvend haar lag. De Cock nam hem even scherp in zich op. In een fletsblauwe pyjama zag de heer Arend Harredijke er niet zo indrukwekkend uit als met zwarte gleufhoed, antracietgrijze mantel en een witzijden sjaal.

De journalist trok een koptelefoon van zijn oren en drukte zich wat omhoog. ‘Ik luisterde net naar Radio Tulipa, de eigen omroep van dit ziekenhuis.’ Hij wees naar de stoelen naast zijn bed. ‘Neemt u plaats. Ik had u al veel eerder verwacht.’

De Cock veinsde verbazing.

‘Zijn er nog geen mensen van de recherche van Amstelveen bij u geweest?’

De heer Harredijke knikte.

‘Maar volgens mij is die aanslag op mijn leven een uitvloeisel van de dreigbrieven, die men aan mij richtte. En van die bedreiging heb ik bij u aan de Warmoesstraat aangifte gedaan.’

De Cock knikte geruststellend.

‘Wij zullen die aanslag op u ook zeker bij ons onderzoek betrekken.’

De heer Harredijke zuchtte diep.

‘Ik begin langzamerhand iets rustiger te worden. Maar emotioneel ben ik nog lang niet over die aanslag heen. Als iemand hier onverwachts de kamer binnenstapt, dan voel ik opnieuw mijn lichaam schokken en breekt mij het angstzweet uit.’ Hij wees naar zijn linkerarm in een mitella. ‘Het heeft een haartje gescheeld of mijn bot was verbrijzeld. Gelukkig is het tot een vleeswond beperkt gebleven. En volgens de arts die mij behandelt, zal ik aan die arm geen blijvend letsel ondervinden. Maar ik moet er niet aan denken, dat die kogel mij tien centimeter meer naar links had getroffen.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Dan had u vermoedelijk nu niet meer gedacht… niet meer kunnen denken. Dan was de kogel recht door uw hart gegaan.’

De heer Harredijke slikte. Met trillende hand wees hij naar een stalen kast aan de wand.

‘Daarin hangt mijn colbert. Dat moet u eens bekijken. Het is compleet een wonder dat ik nog leef. Er zijn twee kogels door mijn schoudervulling gegaan en een door mijn linkermouw heeft die vleeswond veroorzaakt.’ Om zich te vermannen sloot de journalist even zijn beide ogen. ‘Ik geloof,’ sprak hij zuchtend, ‘dat ik mijn leven heb te danken aan het feit dat ik mij onmiddellijk heb laten vallen.’

De Cock gebaarde naar de kast.

‘Hebben de rechercheurs van de politie van Amstelveen uw colbert onderzocht?’

De heer Harredijke knikte.

‘Men heeft mij verzekerd dat daarvan een omschrijving zou worden opgenomen in het proces-verbaal, dat van de aanslag wordt opgemaakt. Er is zelfs iemand van de politie van Amstelveen gekomen om mijn colbert te fotograferen. Als u het kledingstuk bekijkt, dan zult u zien dat de fotograaf de beschadigingen aan mijn colbert door de kogelinslagen met wit krijt heeft gemarkeerd… voor de duidelijkheid.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Waar vond de aanslag plaats?’

‘Voor de deur van mijn woning.’

‘Hoe laat was dat?’

De heer Harredijke duidde in de richting van Vledder. ‘Na het doen van mijn aangifte in de Warmoesstraat ben ik direct met mijn auto naar Amstelveen gereden. Ik was net thuis. Ik had mijn mantel en mijn hoed in de gang aan de kapstok gehangen, toen ik buiten op straat het geronk van een motor hoorde. Het geluid maakte iets in mij wakker. Ik dacht aan de dreigbrieven en aan de motorrijder, die ik in verband daarmee had achtervolgd. In een impuls ben ik in mijn colbert naar buiten gelopen. Ineens stond er iemand in een leren kostuum voor mij… een helm op het hoofd en een pistool in de hand. Ze zei zoiets als jij zwijn en schoot.’

De Cock keek de journalist nadenkend aan.

‘Jij zwijn?’ herhaalde hij vragend.

De heer Harredijke knikte.

‘Ik… eh, ik dacht, dat ze dat zei.’

‘Ze?’

De journalist kneep zijn ogen dicht. Zijn mond bewoog zonder dat hij iets zei. Hij slikte een paar maal en opende zijn ogen weer. Groot en verschrikt staarden ze in het niets.

‘Het… eh, het was een vrouw.’


De Cock wachtte geduldig tot de heer Harredijke zich weer enigszins in bedwang had. De oude rechercheur was blij dat tussentijds geen arts of een lid van het verplegend personeel de ziekenkamer betrad. Men zou hem beslist een verder verhoor hebben verboden.

Bezorgd boog De Cock zich iets naar voren.

‘Gaat het alweer een beetje?’

De heer Harredijke knikte vaag.

‘Het terugroepen van zo’n beeld roept toch veel spanningen in mij op.’

‘Het lijkt mij een beangstigende ervaring,’ antwoordde De Cock, hij zweeg even.

‘Hebt u de stem herkend?’

De heer Harredijke schudde zijn hoofd.

‘Ik heb ook geen accenten beluisterd. Ik weet alleen heel zeker dat het de stem van een vrouw was.’

‘Signalement?’

De heer Harredijke gebaarde hulpeloos.

‘Vrijwel niet te geven… in het leer… een helm op. Ze was niet groot. Hooguit een-meter-zestig. Meer kan ik u echt niet zeggen.’

‘Hebt u haar zien of horen wegrijden?’

De heer Harredijke bracht zijn rechterhand naar zijn hoofd. ‘Ik had nadat die schoten waren gevallen geen waarneming meer. Ik was verdoofd, geschokt. Toen ze weg was, ben ik overeind gekrabbeld, mijn huis in gerend en heb de politie gebeld.’

De Cock wachtte even om hem tot bedaren te laten komen.

‘Uw hoofdredacteur van De Grafische Heraut,’ ging hij toen voorzichtig verder, ‘deed de suggestie dat de dreigbrieven en de aanslag verband zouden houden met uw journalistieke arbeid.’ De heer Harredijke maakte een schouderbeweging. ‘Dat is ook het enige dat ik mij kan voorstellen,’ sprak hij met een zweem van wanhoop. ‘Als journalist kweekt men soms vijanden. Dat is onvermijdelijk. Men openbaart zaken die anderen liever verborgen houden.’

‘Zoals?’

De heer Harredijke wuifde met zijn vrije rechterhand. ‘Ik heb eens een serie artikelen geschreven over fraude bij het aanvragen en verkrijgen van bouwsubsidies. Daar maak je niet altijd vrienden mee.’

De Cock hield zijn hoofd iets schuin.

‘U dacht dat de dreigbrieven en de moordaanslag uit die hoek kwamen?’

De heer Harredijke reageerde geprikkeld.

‘Niet direct de bouwwereld,’ sprak hij wrevelig. ‘Ik heb de laatste tien jaar in mijn krant op heel wat gesjacher en gesjoemel in onze samenleving geattendeerd. U bent rechercheur van politie en ik weet dat u een man met veel ervaring bent, maar toch zoudt u zich verbazen over hetgeen er zich… bijvoorbeeld… in de zogeheten witteboordencriminaliteit allemaal afspeelt.’

‘Dat is uw specialiteit?’

‘Min of meer.’

‘Hoe bedoelt u dat?’

De heer Harredijke zwaaide geagiteerd.

‘Dat is zo gegroeid. Ik heb in die kringen nu eenmaal mijn beste informanten.’

De Cock plukte aan zijn neus.

‘En vijanden?’

De heer Harredijke antwoordde niet direct. Hij dacht zichtbaar na. ‘Och,’ sprak hij na een poosje, ‘ik zal wel eens mensen hebben gekrenkt. Zeker. Er zullen ook beslist wel lieden zijn, die mij om een of ander artikel dat ik schreef, hebben vervloekt. Ik heb in de loop der tijd ook wel boze brieven ontvangen, maar dat zo’n boosheid zou leiden tot een complete moordaanslag…’ Hij maakte zijn zin niet af en verviel opnieuw in gepeins.

De Cock kauwde nadenkend op zijn onderlip.

‘Dat zijn reacties, die u als journalist opriep… Hebt u misschien vijanden in de persoonlijke sfeer… vrouwen die zich door u miskend achten?’

De heer Harredijke trok opnieuw zijn schouders op.

‘Ik ben weduwnaar. Mijn vrouw is twee jaar geleden na een langdurige ziekte overleden. Nadien heb ik geen relaties meer met vrouwen aangeknoopt.’ Hij bracht een trieste glimlach. ‘Ik heb er ook de moed niet toe.’

De lankmoedigheid van de man maakte De Cock wat driftig. ‘Meneer Harredijke,’ sprak hij op geprikkelde toon, ‘de oplossing zal toch van uzelf moeten komen. Ik ken uw leven niet. U zult toch ernstig moeten nadenken… voorvallen uit het verleden… ruzies… botsingen. Zo’n moordaanslag komt niet zomaar uit de lucht vallen. Daar gaat iets aan vooraf.’ Hij zuchtte en zweeg even. Daarna keek hij de man voor zich secondenlang gespannen aan. ‘Kent u de heer Van den Aerdenburg?’

‘Ja.’

‘Hoe?’

‘Ik heb hem wel eens geïnterviewd.’

‘Inzake?’

De heer Harredijke maakte een vermoeid gebaar.

‘Ik was van mening dat hij door gebruik te maken van goedkope buitenlandse arbeidskracht de Nederlandse confectie — industrie naar de knoppen hielp.’

‘Hoe reageerde hij?’

Op het bleke gezicht van de heer Harredijke kwam een glimlach. ‘Minzaam… moet ik zeggen… uiterst minzaam. Hij vergat mij later nooit uit te nodigen wanneer hij weer eens een feestje hield.’

‘Weet u dat ook hij dreigbrieven kreeg?’

De journalist schudde zijn hoofd.

‘Dat wist ik niet.’

De Cock knikte.

‘Geschreven in hetzelfde priegelschrift als de dreigbrieven die u ontving.’

De heer Harredijke boog zich in zijn bed naar voren.

‘Hij ook?’ riep hij verrast.

De Cock pauzeerde even voor het effect.

‘Emile van den Aerdenburg is dood. Iemand joeg hem gisteravond drie kogels door zijn borst.’

De journalist staarde de oude rechercheur wezenloos aan.

‘Wat… wat,’ stamelde hij na een poosje. ‘Wat heeft Van den Aerdenburg met mij gemeen?’

De Cock grijnsde.

‘Precies… dat vraag ik mij af.’

Загрузка...