De Cock bleef naar de beide kledingstukken staren. Ze biologeerden hem en namen secondenlang zijn gehele denken in beslag. Het leek hem alsof er verder in de kamer niets meer bestond.
Ineens, verschrikt, draaide de vrouw zich om. Haar mond hing open en haar ogen werden groot en angstig. De donkergroene trenchcoat en het parelgrijs colbert gleden van haar arm. Verstijfd staarde ze naar de beide mannen. Een tijdlang scheen ze niet tot spreken in staat. Toen begon haar onderlip zachtjes te trillen. ‘Wie… eh, wie bent u?’ stamelde ze.
De grijze speurder ontwaakte uit zijn verdoving. Hij deed een stap naar voren, nam zijn oude hoedje af en boog vormelijk. ‘Mijn naam is De Cock… met ceeooceekaa.’ Hij gebaarde schuin achter zich. ‘En dat is mijn collega Vledder. Wij zijn beiden rechercheur van politie.’
‘Politie?’
‘Ja, van bureau Warmoesstraat.’
De vrouw slikte.
‘Hoe… eh, hoe komt u hier binnen?’
De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi.
‘De buitendeur stond op een kier,’ loog hij beminnelijk. ‘Dat vonden wij vreemd. Toen op ons herhaald bellen niet werd gereageerd, zijn we naar binnen gegaan. Mijn collega en ik waren bang dat er ook hier in huis met iemand iets verschrikkelijks was gebeurd.’
De vrouw strekte haar rug. Ze hervond zichtbaar haar zelfbeheersing. Ze raapte de beide kledingstukken van het tapijt en drapeerde ze over de rugleuning van een fauteuil. Daarna keek ze De Cock scherp aan.
‘Met wie is er dan iets verschrikkelijks gebeurd?’
De grijze speurder antwoordde niet direct. Hij nam enkele seconden bedenktijd. ‘Wij… eh, wij hebben ons aan u voorgesteld,’ sprak hij ontwijkend. ‘Wie bent u?’
De vrouw zuchtte diep.
‘Marianne… Marianne Olthoven.’
De oude rechercheur gebaarde om zich heen.
‘En uw relatie tot dit huis?’
Ze aarzelde even.
‘Dit is het huis van Emile van den Aerdenburg. Ik ben zijn vriendin. We hebben een… zo men dat tegenwoordig noemt… een LAT-verhouding.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Hebt u enig idee waar de heer Van den Aerdenburg zich op dit moment bevindt?’
Marianne Olthoven schudde haar hoofd.
‘Ik weet niet waar hij is.’ Ze keek De Cock opnieuw strak aan. ‘Maar uw aanwezigheid hier maakt mij ongerust en ik wil eindelijk antwoord op mijn vraag: Met wie is er iets verschrikkelijks gebeurd?’
De Cock liep wat dichter op haar toe. Ook Vledder kwam van zijn plek bij de deur vandaan. De grijze speurder wees naar de fraaie fauteuils. ‘Laten we gaan zitten,’ stelde hij voor.
Marianne Olthoven nam wat onwillig plaats. Ze schoof haar roodlederen rok iets terug en sloeg haar lange, slanke benen over elkaar. Haar gezicht zag bleek. Haar handen lagen in haar schoot. Ze trilden.
‘Wat is er met Emile?’
De Cock ging tegenover haar zitten. Zijn scherpe blik tastte haar gelaatstrekken af. Hij schatte haar op achter in de dertig. Haar gezicht was van een ingetogen schoonheid met mooie, groen fluorescerende ogen en lang, glad, donkerblond haar. De oude rechercheur gebaarde naar de fauteuil met de trenchcoat en het parelgrijs colbert.
‘U weet niet wat er met Emile is gebeurd?’
In zijn stem klonk ongeloof.
Marianne Olthoven klemde haar lippen opeen.
‘Als ik het wist,’ sprak ze ineens fel, ‘zou ik het u toch niet vragen?’ Haar stem werd zachter. ‘Ik heb alleen het vermoeden dat hem iets ernstigs is overkomen. Hij heeft mij nog nooit laten wachten.’
‘Dat deed hij vanavond wel?’
Marianne Olthoven knikte traag.
‘Ik zou hier vanavond om acht uur zijn. In de regel is Emile dan thuis, maar nu was hij er niet. Ik dacht: hij is misschien even een boodschap doen… hij zal straks wel komen.’
‘Hij kwam niet?’
Marianne Olthoven schudde haar hoofd.
‘Het verbaasde mij. Er lag ook nergens een briefje met een mededeling of een verontschuldiging. Er kwam ook geen telefoontje. Zo tegen een uur of negen heb ik zijn kantoor gebeld. De hoorn werd niet opgenomen. Ik werd toen toch echt een beetje ongerust. Ik heb mijn autootje gepakt en ben door de stromende regen naar zijn kantoor gereden.’
‘Waar was dat?’
‘Zijn kantoor?’
‘Ja.’
‘Aan de Keizersgracht.’
De Cock zat met een ruk overeind.
‘De Keizersgracht?’ herhaalde hij verrast.
Marianne Olthoven knikte.
‘Nummer 1119. Het is op dat stukje tussen de Leliegracht en de Westermarkt.’
Met een half mislukte glimlach verdreef de oude rechercheur de verbijstering van zijn gezicht. ‘Ik… eh, ik ken dat stukje,’ sprak hij kalm. ‘Kon u er nog een parkeerplaatsje vinden?’
Marianne Olthoven knikte opnieuw.
‘Aan de wallenkant tussen de bomen.’
‘Hebt u een sleutel van zijn kantoor?’
‘Nee, die heb ik niet. Ik wilde ook alleen maar zien of hij er was. Tot mijn verbazing stond boven op de stoep de toegangsdeur open. Zijn kantoor is op de beletage. Ik ben naar binnen gegaan. Het was er donker. Ik heb het licht aangedaan.’ Ze wees naar de fauteuil met de kledingstukken. ‘Zijn regenjas en zijn colbert lagen over een stoel. Emile was er niet.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘U was daar om…?’
‘Half tien.’
De grijze speurder keek op zijn horloge.
‘Het is nu half twee… we zijn vier uur verder.’
Marianne Olthoven liet haar hoofd iets zakken. Haar lange sluike haren vielen als een gordijn voor haar gezicht. ‘Ik heb,’ sprak ze zacht, ‘zijn regenjas en zijn colbert over mijn arm genomen, de deur achter mij dichtgetrokken en ben in mijn autootje gestapt.’ Ze zweeg. Met nerveuze bewegingen friemelde ze aan de zoom van haar roodlederen rokje. ‘Ik voelde mij wat vreemd,’ ging ze na een poosje verder. ‘Verward en besluiteloos. Ik wist niet goed wat ik ervan denken moest. In een roes… in een soort trance… ben ik naar huis gereden. Ik woon in de buurt van Maarsbergen.’ Ze zuchtte diep. ‘Ik heb zeker een uur of twee bij de telefoon gezeten… wachtend op bericht. Op het laatst hield ik het niet meer uit. Ik ben weer in mijn wagentje gestapt en ben naar Amsterdam teruggereden.’ Met een bedroefd gezicht keek ze naar de oude rechercheur op. Haar onderlip trilde weer. ‘Zeg het mij eindelijk… eerlijk… is Emile dood?’
De Cock knikte traag.
‘Vermoord.’
Het duurde geruime tijd voor Marianne Olthoven weer in staat was om te antwoorden. Het bericht van de dood van haar vriend had haar ogenschijnlijk sterk aangegrepen. Ver voorovergebogen, met haar hoofd bijna op haar schoot, had ze aan een stuk door gehuild. Een opwelling om haar te troosten had De Cock onderdrukt. Vanuit zijn fauteuil keek hij vrijwel onbewogen toe hoe ze langzaam bedaarde. Het schokken van haar rug hield op. Ze kwam traag overeind en toonde een betraand gezicht.
‘Emile,’ lispelde ze, ‘arme Emile… en hij had nog wel zo lang willen leven.’
De Cock boog zich iets naar haar toe.
‘Dat was zijn wens?’ vroeg hij ernstig.
Marianne Olthoven knikte.
‘Hij… eh, hij was zo’n gezondheidsfanaat.’
‘Hoe lang kende u hem al?’
‘Twee jaar.’
De Cock tuitte zijn lippen.
‘Nog niet zo lang.’
Marianne Olthoven keek hem aan. Kort en doordringend. Even flitsten haar helgroene ogen. ‘Lang genoeg om nu verdriet te hebben.’
De oude rechercheur glimlachte flauwtjes.
‘Was Emile getrouwd… hij droeg een trouwring?’
‘Niet meer. Een jaar nadat zijn vrouw bij hem was weggelopen, is de scheiding uitgesproken.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Kende u hem toen al?’
‘Ja.’
‘Was… eh, was u de oorzaak van de scheiding?’
Marianne Olthoven strekte haar schouders. Haar weerbaarheid was zichtbaar terug. ‘Ze wist van mijn bestaan en kende mijn relatie… mijn LAT-verhouding met Emile… als u dat bedoelt?’
De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.
‘Wat deed Emile?’
‘Hij was ontwerper.’
De Cock glimlachte.
‘Wat ontwierp hij?’
Marianne Olthoven schudde haar hoofd.
‘Ik heb mij nooit met zijn zaken bemoeid. Emile sprak daar ook nooit over.’ Ze zweeg even en trok haar schouders iets op. ‘Ik… ik weet het niet,’ ging ze aarzelend verder, ‘maar ik had wel eens het idee dat ze wat duister waren.’
‘Hoezo?’
‘Emile was over zijn zakendoen zo gesloten… geheimzinnig. Hij wilde ook nooit dat ik zijn telefoongesprekken beluisterde. Als de telefoon ging, liep hij naar een ander vertrek en nam daar het gesprek aan.’
‘En u hebt nooit stiekem meegeluisterd?’
Marianne Olthoven trok haar kin iets op.
‘Ik dacht niet,’ sprak ze vinnig, ‘dat ik daartoe het recht had.’
De Cock hield zijn hoofd iets schuin.
‘Wist u dat Emile dreigbrieven ontving?’
Marianne Olthoven knikte traag voor zich uit. ‘Dat wist ik.’
‘Had Emile enig idee van wie die kwamen?’
‘Nee… althans… hij zei dat hij dat niet wist.’
‘Maar u dacht dat hij dat wel wist?’
‘Ja.’
De Cock keek haar scherp en onderzoekend aan.
‘Hebt u wel eens zo’n dreigbrief gezien?’
Marianne Olthoven liet haar hoofd weer iets zakken.
‘Eén keer,’ sprak ze zacht. ‘Eén keer heb ik zo’n vieze brief aan Emile onder ogen gehad. Akelig klein priegelig handschrift.’
Haar stem beefde van haat.
‘En?’
Marianne Olthoven keek op. Haar groene ogen flikkerden kwaadaardig en haar mond vormde een strakke lijn.
‘Het was van een vrouw.’
Ze reden van de Churchilllaan weg. Het regende nog steeds en de wind was weer wat aangewakkerd. De Cock sloot zijn ogen. Hij voelde zich vermoeid. In zijn denken sloop een afmattende traagheid, die hem verhinderde uitspraken en intonaties snel te analyseren.
Vledder keek hem van terzijde aan.
‘Van een vrouw,’ sprak hij geringschattend. ‘Geloof je echt dat die dreigbrieven van een vrouw komen?’
De Cock keek naar hem op.
‘Heb jij aan die dreigbrieven geroken?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Dat heb ik niet gedaan.’
De Cock zuchtte.
‘Als je het wel had gedaan, dan had je vermoedelijk, net als die Marianne, een lichte parfumgeur kunnen waarnemen. Ik raad je toch aan om in ons werk altijd aan brieven te ruiken. Bovendien beweert Marianne dat ze enige jaren grafologie heeft gedaan.’
‘Handschriftkunde?’
De Cock knikte.
‘Het lijkt mij geen gek idee om de dreigbrieven die wij nu in ons bezit hebben, aan zo’n grafoloog of grafologe voor te leggen.’
Vledder staarde nadenkend voor zich uit.
‘Zouden dan de kogels in het lijf van Emile van den Aerdenburg door een vrouw zijn afgevuurd?’
In zijn stem klonk ongeloof.
De Cock trok zijn schouders op.
‘Waarom niet? Het zou echt niet de eerste keer zijn dat een vrouw een vuurwapen hanteert met dodelijke afloop.’
Een tijdlang reden ze zwijgend voort. Ineens grinnikte Vledder. ‘Het valt mij mee dat jij weet wat een LAT-verhouding is.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Dat weet ik niet. Ik deed net alsof ik haar begreep. Zie je, een verhouding is voor mij een verhouding… welke letters je er ook voor zet.’ Hij keek even op en vroeg nieuwsgierig: ‘Wat is een LAT-verhouding?’
Vledder lachte.
‘Het komt van Living Apart Together.’
De Cock trok zijn wenkbrauwen op.
‘Kan dat… apart samenleven?’
Vledder knikte nadrukkelijk.
‘Het is erg in zwang. Velen ondervinden het huwelijk als een beklemmende band. Bij een LAT-verhouding leidt ieder zijn eigen leven en alleen als men daartoe lust voelt, komt men bij elkaar.’
De Cock snoof.
‘Een vreemde vrijerij,’ bromde hij. ‘Ik heb altijd lust om bij mijn vrouw te zijn.’ Hij keek naar de felle regenvlagen die tegen de zijruit van de Volkswagen kletsten en huiverde. ‘Vooral nu.’
‘Zal ik je naar huis brengen?’
‘Ik wil eerst nog even naar de Kit.’
Vledder blikte opzij.
‘Weet je wat ik niet begrijp?’
‘Nou?’
‘Dat jij aan Marianne Olthoven wel geniepig vraagt of zij op de Keizersgracht bij het kantoor van haar vriend nog een parkeerplaatsje had kunnen vinden… en als ze dan zegt, dat er nog een plaatsje was aan de wallenkant tussen de bomen… dan laat je dat onderwerp verder rusten. Emile van den Aerdenburg moet toen al met zijn rug tegen die boom hebben gezeten. Ze moet hem hebben gezien. In ieder geval is ze langs hem gereden. En als die jonge diender hem…’
De Cock onderbrak hem hoofdschuddend.,
‘Marianne Olthoven,’ sprak hij bedaard, ‘verkeerde in een heel andere gemoedstoestand dan die jonge diender op wie nu eenmaal de taak rust om surveillerend goed uit zijn ogen te kijken.’ Vledder trok een bedenkelijk gezicht.
‘We moeten haar verhaal toch nog eens verifiëren. Volgens mij rammelt het een beetje.’ De jonge rechercheur reed vanaf het Damrak de Oudebrugsteeg in en parkeerde de oude dienstwagen op de steiger. De beide rechercheurs stapten wat verkreukeld uit. De Cock tastte naar zijn kuiten en sjokte toen achter Vledder aan naar de Warmoesstraat. In het voorbijgaan groette hij een eenzaam hoertje op weg naar huis en keek met enige droefenis naar een dronken sloeber, die tegen de gesloten deur van een café stond geleund. Toen hij de hal van het politiebureau binnenstapte, wenkte Jan Kusters hem met een kromme vinger. ‘Ik wist,’ sprak hij zacht grijnzend, ‘dat je nog even terug zou komen.’
De Cock hield zijn hoofd iets schuin.
‘Is er wat?’ vroeg hij argwanend.
De wachtcommandant leunde over de balie.
‘Er is op die heer Harredijke geschoten.’
‘Wat?’
Jan Kusters knikte.
‘Voor zijn huis aan de Keizer Karelweg. Hij is in een ernstige shocktoestand en met een diepe vleeswond aan zijn arm opgenomen in het Tulp Ziekenhuis in Amstelveen.’