7

Bram van Wielingen stormde met twee treden tegelijk de stenen stoep op. Geschrokken zette hij zijn aluminium koffertje op het bordes en hurkte bij de bewusteloze vrouw neer. Verwijtend keek hij naar De Cock omhoog.

‘Wat heb je met haar gedaan?’

De oude rechercheur maakte een hulpeloos gebaartje.

‘Niks, helemaal niks. Ik zei haar alleen dat ik rechercheur De Cock was en toen…’

Bram van Wielingen plooide zijn gezicht in een grijns.

‘En dat noem jij niks,’ riep hij verwonderd. ‘Het is, dat ik jou al jaren ken, anders zou ik bij het horen van jouw naam ook acuut een hartstilstand krijgen.’ Het klonk niet vriendelijk of komisch. De fotograaf drukte de rug van zijn hand aan beide zijden tegen haar bleke wangen.

‘Wie is zij?’

De Cock trok zijn brede schouders op.

‘Dat weet ik niet. Ik heb nog geen kans gekregen om naar haar naam te vragen.’ Hij wees naar de groengelakte toegangsdeur op een kier. ‘Dit is het kantoor van die vermoorde man van vannacht.’

‘Die onder de boom?’

‘Ja.’

Bram van Wielingen monsterde het fraai gevormde, ovale gezicht van de jonge vrouw in een omlijsting van licht golvend kastanjebruin haar. Hij klakte een paar maal met zijn tong. ‘Een verdomd knappe meid,’ riep hij bewonderend. ‘Ik kan niet anders zeggen.’ Hij legde zijn vlakke hand op de stoep en keek bezorgd naar De Cock. ‘Maar als ze hier nog lang op die koude steen blijft liggen, loopt ze beslist een longontsteking op.’ Hij drukte zich kreunend uit zijn gehurkte houding omhoog. ‘Wat denk je? Het lijkt mij het beste dat ik via de mobilofoon even de Geneeskundige Dienst waarschuw.’

De jonge vrouw deed haar ogen open.

‘Geen Geneeskundige Dienst,’ sprak ze zacht. ‘Het gaat alweer beter.’ Ze probeerde overeind te komen. Bram van Wielingen en De Cock schoten haastig toe en hielpen haar op de been. Ze drukten de groene deur verder open en leidden haar naar binnen.

Via een portaal met rechts een gesloten uitkijkluikje, kwamen ze in een brede, met wit marmer beklede gang. Geketend aan lange guirlandes kleefden boven hun hoofden wulpse engeltjes aan het plafond. Vrijwel direct links was een monumentale eiken deur met midden in het bovenpaneel E. van den Aerdenburg, ontwerper, in sierlijke, witgelakte schrijfletters.

De Cock wenkte Vledder naderbij.

‘Onderzoek dat kantoor. En wees voorzichtig. Vermoedelijk liggen ergens op de vloer een paar koperen patroonhulzen. Trap er niet op. Markeer duidelijk de vindplaatsen.’ Hij draaide zich half om en wendde zich tot Bram van Wielingen.

‘Is Ben Kreuger al onderweg?’

De fotograaf knikte nadrukkelijk.

‘Hij zal zo wel komen. Hij moest eerst op de Haarlemmerstraat nog een klusje opknappen… een inbraak in een kledingmagazijn.’ ‘Ik heb je foto’s van vannacht nog niet gekregen.’

Bram van Wielingen trok een pijnlijk gezicht.

‘Ik heb ze wel ontwikkeld. Maar het werd mij toch echt te laat om ze nog af te drukken. Vanmiddag, dan heb je…’

De Cock wuifde het excuus weg en gebaarde naar de eiken deur. ‘Ik wil nu overzichtsfoto’s van het interieur… details van de bureaus… en als Vledder hulzen vindt… een duidelijk prentje van de vindplaatsen.’

De fotograaf bewoog zijn hoofd in de richting van de jonge vrouw, die hij nog steeds zorgzaam bij haar arm vasthield. ‘En zij?’

De Cock grijnsde breed.

‘Ik vermoed dat zij jouw vaderlijke steun niet langer nodig heeft.’ In zijn stem kroop een lichte spot. ‘Ik zal mij verder wel over haar ontfermen.’

Toen Bram van Wielingen haar had losgelaten, keek de grijze speurder de jonge vrouw enige seconden scherp onderzoekend aan. Hij zag dat er weer kleur op haar wangen was gekomen.

Haar grijsgroene ogen stonden helder. ‘Mag ik u een paar vragen stellen?’

Ze knikte traag. ‘Dat mag u,’ antwoordde ze benepen.

De Cock had in zijn lange loopbaan als rechercheur aan de Warmoesstraat zo dikwijls een onderzoek in een van die oude grachtenhuizen verricht, dat hij globaal de indeling kende. Aan het einde van de marmeren gang leidde hij de jonge vrouw rechts naar een houten trap, die wentelend omlaag voerde naar een kille, witbetegelde keuken. Links, boven het granieten aanrecht, had men een beperkt uitzicht over een verwilderde tuin met stammen van eeuwenoude bomen.

Rechts, tegen de muur, stond een ruwhouten tafel met aan weerszijden een stoel.

De grijze speurder wees uitnodigend. ‘Gaat u zitten.’

De jonge vrouw nam plaats. De kilte van de keuken deed haar huiveren. De Cock ging tegenover haar zitten. ‘Hoe… eh, hoe lang werkt u al hier op de gracht?’ opende hij voorzichtig.

Ze zuchtte diep. ‘Nog niet zo lang… een paar maanden… enkele uren per dag.’ Ze leunde met haar onderarmen op de tafel. ‘Is… eh, is meneer Van den Aerdenburg echt dood?’

De Cock knikte. ‘Vermoord,’ sprak hij ernstig. ‘Iemand joeg hem gisteravond drie kogels door zijn borst… vermoedelijk hier boven in zijn kantoor.’

‘Verschrikkelijk.’

‘Inderdaad.’

Ze keek naar hem op. ‘Weet u al wie het heeft gedaan?’ De Cock schudde zijn hoofd. ‘Misschien kunt u mij helpen?’ ‘Ik weet niet veel.’

De Cock glimlachte. ‘Ik ben ervan overtuigd,’ sprak hij beminnelijk, ‘dat u mij wel een paar inlichtingen kunt verschaffen.’ Hij pauzeerde even. ‘Ik heb mij op een… eh, een nogal brute wijze aan u voorgesteld. Dat is doorgaans niet mijn gewoonte. Mijn verontschuldiging.’

Ze blikte even vluchtig naar hem op. ‘Geaccepteerd.’

De Cock kwam overeind, liep naar het aanrecht, pakte een glas en vulde dat half met water. Hij bracht het haar. ‘Hier, neem een slokje voor de schrik.’ Hij wachtte tot ze iets gedronken had en ging toen weer tegenover haar zitten. ‘Hoe is uw naam?’

‘Sonja… Sonja van Poeldijk.’

‘Hoe bent u aan deze kantoorbaan gekomen?’

‘Via een advertentie in De Grafische Heraut.’

‘Ontving de heer Van den Aerdenburg wel eens mensen op zijn kantoor?’

‘Nooit… althans nooit waar ik bij was.’

‘Zegt de naam Marianne Olthoven u iets?’

Sonja van Poeldijk knikte. ‘Ze belde wel eens als meneer Van den Aerdenburg op kantoor was.’

‘Dat gebeurde zelden… heb ik begrepen.’

‘Hij was meestal op reis.’

‘Waarheen?’

Sonja van Poeldijk gebaarde wat vaag in de ruimte. ‘Het Verre Oosten: Thailand, Cambodja, Sri Lanka. Ook wel naar derdewereldlanden in Midden-Afrika, zoals Angola, Tanzania en Zaïre.’

De Cock keek haar fronsend aan. ‘Wat deed hij daar?’

‘Zaken.’

De grijze speurder lachte. ‘Ik neem niet aan,’ sprak hij gniffelend, ‘dat hij voortdurend met vakantie was.’ Hij keek haar schuins aan. ‘Wat voor zaken deed hij?’

‘De heer Van den Aerdenburg was ontwerper. Hij ontwierp dameskleding. Confectie. Die liet hij, zo vertelde hij mij, in die landen fabriceren. Dat bracht veel winst op. De arbeidskrachten zijn daar erg goedkoop… zeker in vergelijking met ons land.’ De Cock knikte begrijpend. ‘Bent u wel eens mee geweest op zakenreis?’

Sonja van Poeldijk schudde haar hoofd. ‘De heer Van den Aerdenburg was een erg gesloten man… in zichzelf gekeerd.’ Ze gebaarde met haar beide handen. ‘Voor mij was hij een prima werkgever. Vriendelijk, niet veeleisend. Hij was ook nooit opdringerig… bleef altijd heer… zocht nooit toenadering… kwam nooit aan je.’

Over haar lief ovaal gezichtje gleed een moede glimlach. ‘Gelooft u mij… ik heb in het verleden wel anders meegemaakt.’

De Cock liet het onderwerp rusten.

‘Waaruit bestond uw werk?’

Sonja van Poeldijk trok nonchalant haar schouders op.

‘Het stelde echt niet veel voor. Als er een telefoontje kwam, dan moest ik zeggen dat meneer op reis was. Verder stuurde ik de post die er kwam, door naar zijn huis aan de Churchilllaan.’

De Cock reageerde verrast. ‘Geen administratie?’

Sonja van Poeldijk grinnikte. ‘De heer Van den Aerdenburg voerde geen boekhouding. Ik vermoed dat hij dat om belastingtechnische redenen niet zo wenselijk achtte.’

‘Het is jammer,’ sprak hij spijtig, ‘dat u die mooie baan nu kwijt bent.’

Sonja van Poeldijk kwam naast hem staan. ‘Geluk duurt nooit lang,’ sprak ze triest.

De Cock liep voor haar uit. Bij het begin van de wenteltrap bleef hij staan en draaide zich om. Zijn gezicht stond ernstig. ‘Hebt u er wel eens iets van gemerkt, dat de heer Van den Aerdenburg werd bedreigd?’

Sonja van Poeldijk keek hem geschrokken aan. ‘Dat was ik bijna vergeten om te vertellen. Er was eens een vrouw.’

‘Wat voor een vrouw?’

Sonja van Poeldijk zwaaide wat geagiteerd.

‘Dat weet ik niet. Ze heeft mij haar naam niet genoemd. Ze belde en vroeg naar de heer Van den Aerdenburg. Ik zei: “Die is op reis.” Toen zei ze: “Als hij terugkomt, zeg hem, dat ik nog steeds geen advertentie heb gezien.” Ik vroeg: “Wat voor een advertentie moet het zijn?” Toen lachte ze en zei: “Misschien zijn een paar kogels hem meer waard.” ’


Nadat hij Sonja van Poeldijk vanaf het bordes had uitgewuifd, liep De Cock snel terug naar de keuken, zette de drie middelste vingers van zijn rechterhand in het glas, spreidde ze en liep met het glas haastig naar boven naar Ben Kreuger, die juist zijn koffertje wilde sluiten.

De dactyloscoop keek hem verrast aan.

‘Waar heb je dat vandaan?’

De Cock wees.

‘Dat zijn de vingerafdrukken van Sonja van Poeldijk,’ legde hij uit. ‘Dat is het meisje dat hier op kantoor werkte. Dat is makkelijk voor je. Dan behoef je er niet naar te zoeken.’

Ben Kreuger kwastte het glas in. Er verscheen een duidelijk greepje. De dactyloscoop nam het op folie over. Daarna deed hij zijn koffertje dicht en groette tot afscheid. De Cock vertelde Vledder in het kort van zijn onderhoud met Sonja van Poeldijk. Daarna nam hij de zilverkleurige ring met sleutels uit zijn zak en sloot het kantoor.

Vanaf de Keizersgracht liepen ze terug naar de Warmoesstraat. Het stormde nog steeds. Her en der lagen afgewaaide boomtakken. De Cock sjorde zijn oude hoedje tot op zijn oren en boog zijn hoofd in de wind. Vledder keek hem van terzijde aan.

‘Misschien zijn een paar kogels hem meer waard… dat is een duidelijke verwijzing naar de dreigbrieven.’

‘Inderdaad.’

Via de Torenen de Molsteeg liepen ze naar de Gravenstraat en vandaar naar de Nieuwendijk. De harde wind was er niet zo voelbaar.

Vledder zwaaide. ‘We kunnen Marianne Olthoven nu wel uitsluiten.’

‘Hoezo?’

‘Die Sonja van Poeldijk zou beslist haar stem hebben herkend.’

De Cock bromde. ‘Wees in deze zaak voorzichtig met je conclusies,’ sprak hij belerend. ‘We weten nog te weinig. Hoewel ik verstandelijk de grootste moeite heb om het te geloven, blijft de mogelijkheid dat Marianne Olthoven dreigbrieven door een ander heeft laten schrijven… iemand met een priegelschrift… begrijp je… een vrouw die op haar verzoek ook duistere telefoontjes pleegde.’ Vledder schudde misnoegd zijn hoofd. ‘Ik vind dit zo’n glibberige zaak. Bijna onwerkelijk. Ik heb het akelige gevoel dat we er nooit uitkomen.’ Hij zweeg even. ‘Als ik het goed begrijp, dan sluit je Marianne Olthoven niet uit… blijft ze op jouw lijstje van verdachten staan?’

De Cock knikte nadrukkelijk. ‘Iedereen blijft op mijn lijstje staan,’ antwoordde hij knorrig. ‘Ik ga pas schrappen als ik de werkelijke dader of daderes heb ontmaskerd.’

‘En daar geloof jij in?’

‘Per se.’

Vledder zuchtte. ‘In ieder geval heeft die Marianne Olthoven ons belogen.’

‘In welk opzicht?’

‘Ze had geen LAT-verhouding met Emile van den Aerdenburg. Ze was met hem getrouwd.’

De Cock trok achteloos zijn schouders op. ‘Misschien wilde ze dat voor ons niet weten. Charlotte Overdinkel sprak toch van een geheim huwelijk?’

Vledder snoof. ‘Maar wel een huwelijk dat haar na het overlijden van Emile van den Aerdenburg een fortuin oplevert. Ik schat die ontwerper toch op een aanzienlijk vermogen.’ De jonge rechercheur trok een bedenkelijk gezicht. ‘Ik heb het gevoel dat jij er anders over denkt, maar ik vertrouw haar niet.’ Hij stak gebarend zijn wijsvinger omhoog. ‘En je zult zien dat ik gelijk krijg.’

De Cock lachte. ‘Heb je in het kantoor hulzen gevonden?’

Vledder knikte. ‘Drie.’

‘Waar lagen ze?’

‘Bij de deur. In een kring van nog geen meter. Ik denk dat de schutter vrijwel direct na zijn of haar binnenkomst heeft gevuurd.’

‘Terwijl Emile van den Aerdenburg in zijn hemdsmouwen verstijfd achter zijn bureau zat.’

‘Zo ongeveer.’

Ze staken de rijbaan van het Damrak over. De Cock blikte opzij. ‘Die drie patroonhulzen en de kogel die dokter Rusteloos uit het lichaam van Emile van den Aerdenburg heeft gepeuterd, moeten naar het gerechtelijk laboratorium in Den Haag.’

Vledder knikte begrijpend. ‘En het pistool van Marianne Olthoven?’

‘Wat wil je daarmee?’

‘Moeten we dat niet in beslag nemen en ook naar het laboratorium sturen voor schietproeven?’

De Cock keek hem van terzijde aan. ‘Schietproeven?’ herhaalde hij vragend.

Vledder knikte. ‘Om te onderzoeken of de kogel en de patroonhulzen uit haar pistool komen.’

Midden in de Oudebrugsteeg, op het trottoir bij de ingang van de schippersbeurs, bleef de grijze speurder staan. Met zijn oude hoedje strak over zijn hoofd getrokken, leek hij op een boerenmannetje uit een klucht. Maar zijn gezicht stond ernstig.

‘Als Marianne Olthoven,’ sprak hij scherp, analyserend, ‘zo gemeen, sluw en doortrapt is als jij vermoedt, dacht jij dan dat zij een moord pleegde met een pistool waarvoor haar een officiële machtiging is verleend… een wapen dat op haar naam staat geregistreerd?’

Vledder liet zijn hoofd beschaamd zakken. Pas na vele seconden richtte hij zijn hoofd weer op. Op zijn gezicht lag een sombere trek. ‘Ik geloof,’ sprak hij mistroostig, ‘dat het beter is dat jij de zaak verder alleen opknapt. Deze affaire ligt mij niet.’

De Cock schudde zijn hoofd. Lachend sloeg hij zijn arm om de schouders van zijn jonge collega.

‘Ik ga niet alleen verder. Geen denken aan. Ik heb je veel te hard nodig.’

Hij duwde hem zachtjes voort. Toen ze de Warmoesstraat inliepen, had De Cock nog steeds zijn arm om de schouders van Vledder. Een jong hoertje klapte in het voorbijgaan op de rug van haar hand. De oude rechercheur nam zijn arm weg.

Toen ze de hal van het politiebureau binnenstapten, riep Jan Kusters hen vanachter de balie.

De Cock liep op de wachtcommandant toe.

‘Wat is er?’

‘De heer Harredijke heeft gebeld.’

‘En?’

‘Hij vroeg of je nog belangstelling voor hem had.’

Загрузка...