Op de brug van de Leliegracht parkeerde Vledder hun Volkswagen half op het trottoir pal achter een surveillancewagen van de politie. In het interieur brandde licht. Toen de beide rechercheurs uitstapten, kwam Jaap Alberts uit de surveillancewagen naar hen toe. De jonge diender wees voor zich uit naar de Keizersgracht. ‘Het lijkt wel een duplicaat van een paar dagen geleden. Hij zit ook tegen een boom, zijn gezicht naar het water en kogelgaten in zijn borst.’
De Cock keek hem verrast aan.
‘Dezelfde boom?’
Jaap Alberts schudde zijn hoofd.
‘Het is nu aan de andere kant van de gracht. Aan de even zijde. Wel op dezelfde hoogte.’ Hij grinnikte. ‘Als die andere daar nog zou zitten, dan zouden ze elkaar in de ogen kunnen kijken.’
De Cock glimlachte.
‘Doden kijken elkaar niet meer in de ogen.’
De jonge diender trok een grimas.
‘Bij wijze van spreken. Ik probeerde alleen maar zo duidelijk mogelijk te zijn.’
De Cock knikte.
‘Is de meute[6] gewaarschuwd?’
‘Ja.’
‘Weet je al wie het slachtoffer is?’
Jaap Alberts gebaarde verontschuldigend.
‘Ik heb nog niet goed kunnen kijken. Maar volgens mij heeft hij geen enkel identiteitspapier bij zich. Hij zit daar alleen maar in zijn vest.’
De Cock maakte de bovenste knopen van zijn oude regenjas los en plukte uit de borstzak van zijn colbert het stukje krantenpapier dat hij van Smalle Lowietje had gekregen.
‘Hier… laat het niet nat worden. Stop het even onder je pet. Het is een adres in Duivendrecht van een jonge vrouw… Christine Beekman… Blonde Chrissie. Haal haar op en breng haar hierheen.’
Jaap Alberts keek hem wat vreemd aan.
‘Nu?’
De Cock knikte.
‘Nu.’ Hij wees voor zich uit naar de gracht. ‘Ik heb een sterk vermoeden wie die man bij de boom is. Maar ik heb hem nog nooit in mijn leven gezien. Ik wil zo snel mogelijk zekerheid omtrent zijn identiteit. Dat vrouwtje in Duivendrecht kan hem herkennen.’
Jaap Alberts tikte op zijn pet.
‘Moet ik haar vertellen waarvoor zij mee moet?’
De oude rechercheur schudde zijn hoofd.
‘Zeg haar alleen maar dat rechercheur De Cock van de Warmoesstraat nog een beetje krediet vraagt.’
‘Krediet?’
De Cock gniffelde. ‘Krediet, ja.’ Met een zoete grijns om zijn mond liep hij bij Jaap Alberts weg de Keizersgracht af.
Vledder volgde.
Ruim twintig meter verder maakte een jonge diender zich van de huizenrij los en bleef midden op de rijbaan staan. Met de klep van zijn pet omhooggeschoven, zijn benen iets uit elkaar, wachtte hij in de gutsende regen geduldig tot de beide rechercheurs naderbij waren gekomen. Verlegen glimlachend wees hij naar de waterkant.
‘U… eh, u vindt het misschien gek, maar ik had vanavond zo’n voorgevoel dat er weer eentje tegen een boom zou zitten. Het komt, denk ik, omdat het opnieuw beestenweer is… heel donker, triest en een stromende regen. Ik zei tegen Jaap Alberts: “Doe mij een plezier en rij nog een keertje over de Keizersgracht.” ’
‘En toen zag je hem zitten?’
De diender knikte.
‘Hoewel ik het min of meer verwachtte, kon ik toch mijn eigen ogen niet geloven. Ik dacht: je droomt. Je hebt die vent van een paar dagen geleden nog in je gedachten.’ Om zijn lippen zweefde weer zo’n verlegen lachje. ‘Het… eh, het was toch waar.’
De Cock liep bij hem vandaan naar de boom.
Scheef weggezakt, met zijn gezicht naar het water gekeerd, zijn rug steunend tegen de brede stam van een oude iep, zat een man in witte hemdsmouwen. Ze staken wat bollend uit een dichtgeknoopt donkerbruin vest. Het hoofd van de man hing iets opzij. Van de takken drupte regenwater op zijn kalende schedel.
De Cock bleef er vanuit de hoogte naar kijken. Het was een vreemd, macaber beeld. Het drong zich opnieuw aan de grijze speurder op.
Het leek alsof de dode in de gutsende regen, vredig leunend tegen een boom, een onschuldig uiltje knapte.
De Cock ademde diep.
‘Eén ding is zeker,’ sprak hij cynisch, ‘wie de dader ook mag zijn… hij of zij heeft gevoel voor een dramatische enscenering.’ Vledder hurkte bij de dode neer en bekeek de kogelgaten in het vest. Daarna tastte hij met zijn hand de rug van het slachtoffer af. Toen hij omhoog kwam, zat zijn rechterhand vol bloed. Hij hield hem even in de regen en veegde de hand daarna met zijn zakdoek schoon.
‘Ditmaal zijn alle kogels uitgetreden,’ sprak hij wijzend.
‘Ze zijn dwars door het lichaam gegaan. Bijna horizontaal. Ik ben ervan overtuigd dat er nu van veel dichterbij is geschoten.’
‘Zitten de kogelgaten dicht bij elkaar?’
‘Ja, binnen een kleine kring.’
‘Een goede schutter.’
Vledder schoof zijn onderlip vooruit.
‘Beslist.’ Hij keek over het water naar de andere kant van de Keizersgracht. ‘Zou het weer in datzelfde kantoor zijn gebeurd?’
De Cock knikte traag.
‘Dat is heel goed mogelijk. We moeten daar straks maar eens gaan kijken.’
‘Heb je de sleutel van het kantoor bij je?’
De Cock keek hem gnuivend aan.
‘Is het apparaatje van mijn vriend Handige Henkie voor jou niet goed genoeg?’
Vledder reageerde niet. Hij kon er niet aan wennen dat De Cock van het handige apparaatje gebruikmaakte. In zijn ogen was het niet meer of minder dan een bij de wet verboden valse sleutel.
Bram van Wielingen kwam tussen hen in staan. De fotograaf keek verrast naar de dode man.
‘Het lijkt wel dezelfde!’ riep hij geschrokken.
De Cock blikte opzij.
‘Wat bedoel je… dezelfde man of dezelfde dader?’
Bram van Wielingen wuifde.
‘Het is een andere vent.’
‘Dus dezelfde dader?’
De fotograaf knikte.
‘Daar ziet het naar uit. Maar welke moordende idioot zet die lijken zo tegen een boom, met hun gezicht naar het water? Dat is toch gek?’
Vledder wreef over zijn natte kin.
‘Misschien heeft de moordenaar er wel een bedoeling mee.’
De Cock keek bewonderend naar hem op.
‘Dit is een van de weinige verstandige dingen die je tot nu toe in deze zaak hebt gezegd.’
Ben Kreuger, de dactyloscoop, kwam aanlopen en keek over de brede schouder van De Cock naar de dode bij de boom.
‘Ik zie het al,’ bromde hij. ‘Morgenochtend op Westgaarde is hij de eerste.’ Hij draaide zich om en rende door de regen terug naar zijn wagen.
Bram van Wielingen opende zijn aluminium koffertje en monteerde zorgvuldig een flitslicht op zijn Hasselblad. Vragend keek hij naar De Cock. ‘Dezelfde plaatjes als de vorige keer?’
De Cock knikte instemmend en draaide zich om.
Vanaf de brug bij de Leliegracht zag hij dokter Den Koninghe de Keizersgracht op komen. Het leek een plechtige processie. De oude lijkschouwer liep in zijn deftige jacquet en streepjesbroek, de groen uitgeslagen garibaldi recht op zijn hoofd, in de stromende regen midden over de rijbaan. Aan weerszijden achter hem, schreden de lange geüniformeerde broeders met hun brancard.
De oude rechercheur stapte in hun richting, maar bleef plotseling staan. De schuin neerplenzende regen vertekende het beeld, waardoor het leek alsof de drie mannen in een sterk vertraagde tred op hem toekwamen.
De Cock wreef met zijn hand het water uit zijn gezicht en schudde de betovering van zich af. Met een vriendelijke glimlach om de mond begroette hij dokter Den Koninghe hartelijk. De altijd wat excentrieke lijkschouwer keek even naar hem op en liep toen langs hem naar de dode aan de boom. Hij knielde bij het lijk neer en bekeek de verwondingen aan de borst. Zijn inspectie duurde maar even. Met krakende knieën kwam hij overeind.
‘Hij is dood.’
De Cock knikte.
‘Bedankt,’ sprak hij simpel.
Den Koninghe schreed waardig aan hem voorbij en liep zonder iets te zeggen van hem weg.
De Cock keek hem met gemengde gevoelens na.
Toen de broeders van de Geneeskundige Dienst aanstalten maakten om de dode op hun brancard te leggen, hield de oude rechercheur hen tegen. ‘Wacht nog even.’ vroeg hij vriendelijk. ‘Geef mij nog vijf minuten.’
De oudste van de broeders keek de grijze speurder verwonderd aan. Hij wees op Vledder.
‘Uw jonge collega is er toch?’
De Cock glimlachte.
‘Ik wacht nu op een jonge vrouw.’
De broeder trok zijn wenkbrauwen op.
‘Een jonge vrouw?’ vroeg hij ongelovig.
De Cock knikte.
‘Het klinkt misschien wat vreemd, maar ik verwacht haar toch.’
Zachtjes mopperend trokken de broeders zich terug.
Tot zijn grote opluchting zag De Cock kort daarna een surveillancewagentje van de politie vanaf de Raadhuisstraat de Keizersgracht op rijden. Met knarsende remmen stopte het wagentje naast hem. Jaap Alberts stapte snel uit en hield het portier voor blonde Chrissie open. De Cock liep op haar toe.
‘Ik weet dat het vervelend is,’ sprak hij somber. ‘Ik vind dat zelf. Ik had het je ook graag bespaard.’ Hij zuchtte diep. ‘Maar ik moet je iets laten zien.’ Langzaam liep hij van haar weg naar de boom. Vandaar wenkte hij haar met een kromme vinger.
Zwijgend stapte ze naderbij. Haar bleek gezicht in de regen was een witte vlek.
Blonde Chrissie keek en zakte door haar knieën. Ze pakte het platte hoofd van de dode man met haar beide handen vast en bracht het naar haar schoot.
‘Sjaak,’ snikte ze. ‘Arme, arme Sjaak.’
De Cock stond boven op het bordes van 1119 en keek over het verlaten stukje Keizersgracht. Het lijk van Jacques van Ieperen was weg… door de broeders afgevoerd in de ambulancewagen. Hij had nog even naar het snel vervagende rode achterlicht gekeken. Toen had hij Jaap Alberts en zijn jonge collega bedankt voor hun assistentie en aan Vledder de opdracht gegeven om Blonde Chrissie naar haar flatje in Duivendrecht terug te brengen.
Zelf was hij op de gracht gebleven… lopend, peinzend. In de trage tred van zijn slentergang lieten zijn gedachten zich gemakkelijker ordenen. Steeds opnieuw kwam het beeld van de dode mannen hem voor ogen. Het kon niet anders. Er moest iets zijn… een dwingende reden voor de macabere enscenering. Wat beoogde de moordenaar — of was het een moordenares — met het plaatsen van de lijken tegen een oude boom aan de gracht, met dode ogen uitkijkend over het water? Was het een symbool? Voor wie… voor wat? Vledder stopte met de Volkswagen voor het bordes en stapte uit. Traag en loom liep hij de stenen trap op.
De Cock keek hem aan.
‘Heb je haar thuisgebracht?’
‘Ja.’
‘Tot in haar flat?’
‘Ja.’
‘Zei ze nog wat… onderweg?’
De jonge rechercheur schudde zijn hoofd.
‘Niets… althans niets dat voor onze zaak van belang is. Ze was wel erg terneergeslagen… verdrietig. Ze vroeg zich af of ze, nu Sjaak dood is, nog in haar knusse flatje kon blijven.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Het arme kind,’ verzuchtte hij. ‘Ik heb er nog een moment aan gedacht om voor de herkenning Smalle Lowietje te gebruiken. Die heeft Jacques van leperen ook in leven gekend. Maar Blonde Chrissie leek mij voor dat doel toch beter geschikt.’ Hij zweeg even. ‘Ik vond het heel aangrijpend. Ik had het idee dat ze echt verdriet had.’
Vledder grijnsde.
‘Logisch… ze is haar boterham kwijt.’
De Cock keek bestraffend naar hem op.
‘Daar dacht Chrissie niet aan,’ riep hij fel, ‘toen ze het dode hoofd van Sjaak in haar schoot legde.’ De oude rechercheur snoof verachtelijk. ‘Het wordt tijd dat je leert om emoties te onderscheiden.’ Met een van woede vertrokken gezicht pakte hij een sleutel uit de buitenzak van zijn natte regenjas. ‘Hier… maak open.’
Vledder nam de sleutel aan. De felle reactie van De Cock had hem zichtbaar aangegrepen. Zijn hand trilde toen hij de groengelakte toegangsdeur opende.
Via het portaal met het gesloten uitkijkluikje kwamen ze in de brede, met wit marmer beklede gang. Voor de monumentale eiken deur bleef De Cock staan.
‘E. van den Aerdenburg,’ las hij hardop, ‘ontwerper.’
Vledder wees naar de sierlijke, witgelakte schrijfletters.
‘Vreemd, dat de naam van Jacques van Ieperen daar niet bij staat.’
De Cock glimlachte. Zijn boosheid was al weer weggeëbd. ‘Misschien was hij slechts stille vennoot.’
Vledder duwde de deur open. Voorzichtig stapte hij naar binnen. De Cock liep achter hem aan. Het licht van zijn zaklantaarn speelde door het vertrek. Even maar. Toen bleef het licht staan. Op een stoel, in het kille ovaal van de zaklantaarn, lagen slordig weggeworpen, een donkerbruin colbert en een regenjas.