5

Op het Stationsplein stapte De Cock uit de tram. Met zijn handen diep in de zakken van zijn regenjas gestoken, sjokte hij met de stroom voetgangers mee naar het brede trottoir van het Damrak. Hij voelde zich wat gammel. De nachtrust was te kort geweest om al de vermoeienissen van de vorige dag uit zijn botten te trekken.

Hij keek schuin links omhoog. Het regende niet, maar de lucht boven de oude achtergevels van de Warmoesstraat zag grauw en dreigend. Ook de weerberichten spraken van een aanhoudende regen en veel wind.

Hij dacht aan zijn oude moeder. Die sprak altijd van de donkere dagen voor Kerstmis. Het was de tijd van het jaar, die haar, huiselijk en warm, het meest aansprak. Niets was haar te veel om rond die dagen in het gezin een sfeer van intieme behaaglijkheid te scheppen. Hij glimlachte vertederd. En dat met de beperkte financiële middelen die ze had. Achteraf bezien deed ze daarmee voortdurend kleine mirakeltjes.

Rechts, in een etalage met aardewerk, porselein en veel huishoudelijk chroom, stond een zilverkleurige kunstkerstboom met lichtjes op een lichtmetalen driepoot. Het beeld van die steriele kerstboom trof hem ineens pijnlijk. Hij overdacht wat het kerstfeest voor hem nog betekende… een feest van licht, blijdschap, belofte voor eeuwig leven… een feest vooral ook van de geboorte van Christus, de verlosser… en van vrede op aarde.

Hij dacht wat bitter aan al het geweld waarmee hij in zijn lange carrière als rechercheur was geconfronteerd en vroeg zich bezorgd af of zijn werk nog wel zinvol was. Waarom zou hij nog achter moordenaars aanjagen? Werd daardoor de wereld beter? Kwam daardoor het vrede op aarde dichterbij? Het beeld van de dode Emile van den Aerdenburg aan de gracht onder de boom drong zich sterk aan hem op, Vrede op aarde. Betekende dat alleen een wereld zonder oorlog? Of betekende het meer? Met groeiende twijfels in zijn hart stak hij het Damrak over en kuierde naar de Warmoesstraat.


De Cock wierp zijn hoedje naar een haak van de kapstok en miste. Daarna deed hij zijn regenjas uit en raapte zijn hoedje op.

De vingers van Vledder gleden razendsnel over de toetsen van zijn elektronische schrijfmachine. Toen hij De Cock in het oog kreeg, liet hij zijn vingers rusten.

‘Je bent laat.’

Het klonk bestraffend.

De oude rechercheur knikte gelaten.

‘En jij hebt wallen onder je ogen.’

Vledder maakte een hulpeloos gebaar.

‘Ik heb die paar uur dat ik in mijn bed lag vrijwel geen oog dichtgedaan. Volgens mij zitten we weer tot onze nekharen in de ellende. Ik had afgesproken dat ik de beide kerstdagen bij mijn moeder zou doorbrengen. We hadden ons daarop verheugd, maar ik ben nu bang dat er weer niets van komt.’

De Cock negeerde de opmerking. Hij had zijn eigen feestdagen al zo vaak de mist zien ingaan, dat het hem niet meer beroerde. ‘Heb je nog naar de toestand van Arend Harredijke geïnformeerd?’

Vledder gebaarde naar de telefoon.

‘Ik leg net de hoorn neer.’

‘En?’

‘Ik heb zijn behandelend arts gesproken. Hij achtte de toestand van de patiënt heel bevredigend. Er was geen direct levensgevaar en ook de gevolgen van de shock lieten zich niet ernstig aanzien.’ ‘Zouden we hem kunnen verhoren?’

Vledder trok zijn schouders iets op. ‘Ik heb het vergeten te vragen,’ sprak hij achteloos. ‘Maar ik kreeg niet de indruk dat er medische bezwaren waren.’ Hij zweeg even en keek op. ‘Buitendam heeft vanmorgen al een paar maal naar je gevraagd.’

‘Wat moet de commissaris?’

Zijn jonge collega knikte en schonk hem een matte grijns. ‘Ik verwacht niet veel goeds. Hij liep als een getergde leeuw heen en weer en had een gezicht als een oorwurm.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Wat kan er zijn?’

In zijn stem trilde een lichte bezorgdheid.

Vledder stond van zijn stoel op.

‘Ik heb het niet helemaal begrepen, maar het schijnt dat onze Arend Harredijke voor een groot landelijk blad werkt… De Grafische Heraut. De hoofdredactie van dat blad heeft vannacht de officier van justitie uit zijn bed gebeld en hem om opheldering gevraagd.’

De jonge rechercheur keek op zijn horloge en liep bij de grijze speurder weg.

‘Ik moet er nu echt vandoor. Om tien uur is dokter Rusteloos op Westgaarde voor de sectie.’

De Cock liep hem na.

‘Waarover opheldering?’

Vledder liep de kamer af.

‘De aanslag in Amstelveen.’


Commissaris Buitendam, de lange statige chef van het politiebureau aan de Amsterdamse Warmoesstraat, wenkte met een slanke hand naar de stoel voor zijn bureau.

‘Ga zitten, De Cock,’ sprak hij geaffecteerd. ‘Ik wil volledig worden geïnformeerd.’

De oude rechercheur trok een stuurs gezicht en nam onwillig plaats. Hij zat niet graag. Het liefst bleef hij staan, rechtop, zijn benen iets uit elkaar. Dan voelde hij zich weerbaar en meer gespannen. Hij had geen hekel aan zijn commissaris, maar wanneer Buitendam hem ontbood, bezag hij hem steeds met argwaan. Het was een houding van strijdlust, van protest, die hij bij voorbaat aannam om zich tegen eventuele aantijgingen te verweren. Bovendien voelde hij zich die morgen in het nadeel, omdat hij ervan uitging dat een onvoldoende nachtrust de scherpte van zijn geest had aangetast.

‘Hebben wij u niet duidelijk genoeg gerapporteerd?’ vroeg hij met een zweem van onderdanige onnozelheid.

Buitendam keek hem wat wazig aan.

‘Gerapporteerd? Ik heb geen rapport gezien.’

De Cock veinsde verbazing.

‘Dat moet toch. We hebben het gisteravond laat nog voor u klaargelegd. En ik neem toch aan dat u een rapport over een afschuwelijke moord met grote interesse en nauwkeurigheid doorneemt.’ De oude rechercheur bracht een kille grijns. Hij voelde dat hij de juiste toon weer te pakken had en een vrolijk plaagduiveltje begon in hem te dansen. ‘Ik bedoel die afschuwelijke moord op Emile van den Aerdenburg.’

De commissaris kuchte.

‘O ja… jazeker… Emile van den Aerdenburg. Dat heb ik gelezen. Inderdaad, daar mogen we wel de nodige aandacht aan schenken.’ De Cock trok een vies gezicht.

‘Aandacht aan schenken?’ herhaalde hij zichtbaar verbijsterd.

‘Het is een afgrijselijk misdrijf… voor Vledder en mij een zaak van de hoogste prioriteit.’

Commissaris Buitendam bracht zijn linkerhand omhoog, trok zijn kin iets op en wreef met de toppen van duim en vingers in zijn hals. Het was een gebaar om tijd te winnen, dat De Cock van hem kende. Met zijn hoofd iets schuin keek hij zijn chef onderzoekend aan.

‘Waarover,’ vroeg hij met een stille achterdocht, ‘wilt u in feite volledig worden geïnformeerd? Ik bedoel, als die moord u niet zo interesseert.’

Commissaris Buitendam gebaarde heftig.

‘Die moord interesseert mij wel,’ riep hij geëmotioneerd. ‘Maar er is vannacht in Amstelveen een man neergeschoten.’

De Cock knikte bedaard.

‘Arend Harredijke.’

‘Daarover heb ik in de rapporten niets gelezen.’

De oude rechercheur keek hem verbaasd aan.

‘Zoals u zelf al zei: het gebeurde niet hier maar in Amstelveen. Het is geen zaak van ons. Het is een zaak van de Amstelveense politie.’

Buitendam wuifde.

‘Maar die meneer Harredijke heeft gisteravond bij jullie aangifte van bedreiging gedaan.’

De Cock glimlachte beminnelijk.

‘Inderdaad… en daar zullen we dan ook wel de nodige aandacht aan schenken.’

Met zichtbaar genoegen gebruikte hij dezelfde woorden als de commissaris.

Op het lange bleke gezicht van Buitendam verschenen blosjes van opwinding.

‘De heer Harredijke,’ sprak hij geagiteerd, ‘is verbonden aan een groot landelijk dagblad. De hoofdredacteur van die krant heeft vannacht onze officier van justitie gedeeltelijk van zijn nachtrust beroofd.’

‘Zielig.’

Buitendam kneep zijn lippen op elkaar.

‘Ik verbied je dergelijke opmerkingen.’ Hij slikte zijn woede weg. ‘De hoofdredacteur is van mening dat de aanslag op de heer Harredijke verband houdt met zijn werk voor die krant als journalist.’

De Cock trok rimpels in zijn voorhoofd. ‘De heer Harredijke is journalist?’

Buitendam knikte. ‘Harredijke heeft de bedreiging met zijn hoofdredacteur besproken en die heeft hem geadviseerd om van die bedreiging bij de politie aangifte te doen.’

‘En?’

‘De hoofdredacteur van De Grafische Heraut vroeg zich af waarom er na het doen van die aangifte, waaruit toch zonneklaar bleek dat het leven van de heer Harredijke gevaar liep, zo weinig voor zijn veiligheid werd gedaan.’

De Cock maakte een wrevelig gebaartje. ‘Wat wil die krant dan?’ Commissaris Buitendam spreidde zijn beide handen.

‘De hoofdredacteur van De Grafische Heraut maakt zich ernstige zorgen over de veiligheid van de huidige journalisten. Er hebben zich de laatste tijd meer incidenten voorgedaan. Als instrumenten van de democratie, zo meende hij, moeten medewerkers van vooral de dagbladpers, zonder bedreigingen, in welke vorm ook, hun journalistieke arbeid kunnen doen.’

De Cock knikte instemmend. ‘Prachtig. En verder?’

Commissaris Buitendam keek hem met enig afgrijzen aan. ‘Volgens de hoofdredacteur van die krant is de politie voor die veiligheid verantwoordelijk. In een reeks artikelen wil hij het gebrekkig functioneren van de politie aan de kaak stellen.’

De Cock grinnikte. ‘Dat had men al veel eerder moeten doen.’

Commissaris Buitendam schudde verward zijn hoofd.

‘Wat had men al veel eerder moeten doen?’

‘Het gebrekkig functioneren van de politie aan de kaak stellen.’

De oude rechercheur strekte zijn arm beschuldigend naar de commissaris uit. ‘Leidinggevende figuren, zowel bij de politie als de justitie, hadden allang moeten protesteren tegen de dictatuur van een kleine groep regeringsambtenaren in Den Haag. Als marionetten, als ja-knikkende ledenpoppen wordt alles wat er door die politievijandige groep wordt gedicteerd klakkeloos uitgevoerd… al gaat dat ten koste van de vrijheid en de veiligheid van de goedwillende burgers… journalisten incluis.’ De Cock zweeg even en ademde diep. ‘Wat er met die heer Harredijke is gebeurd,’ ging hij verder, ‘is niet de schuld van Vledder of van mij, noch van de politie in Amstelveen. De schuld ligt bij die mensen, die vrijwel kritiekloos de ontmanteling van de reguliere politie hebben aanvaard en daaraan zelfs hun volle medewerking hebben verleend.’

Commissaris Buitendam wuifde afwerend. ‘We hebben uiteraard wel zo onze bezwaren.’ Het klonk uiterst zwakjes.

De Cock grinnikte. ‘Onze bezwaren,’ herhaalde hij en zijn stem droop van sarcasme. ‘Die bezwaren hebben blijkbaar nooit zwaar gewogen… zoals de gehele leiding van politie en justitie nooit bepaald zwaarwichtig is geweest.’

Commissaris Buitendam stond op. Zijn gezicht zag rood. Zenuwtrekken zwiepten over zijn wangen.

De Cock kwam uit zijn stoel overeind. Met zijn beide handen maakte hij een bezwerend gebaar. ‘Blijft u rustig zitten,’ sprak hij kalm. ‘U behoeft uw arm niet in de richting van de deur te strekken… ik ga al.’


‘Hoe was de sectie?’

Vledder trok een grimas.

‘Dokter Rusteloos ging tekeer als een kiloslager. Ik heb hem nog nooit zo snel een sectie zien verrichten. De oude lijkensnijder, ik bedoel de patholoog-anatoom, had haast. Had er voor vandaag nog drie op zijn programma. En dat was te merken.’

De Cock knikte begrijpend. ‘Ik ken dat. Maar die man heeft zoveel ervaring en routine, dat de snelheid waarmee hij werkt geen afbreuk doet aan zijn nauwkeurigheid. Hij weet precies waar hij op letten moet.’ De oude rechercheur grinnikte. ‘Ik vroeg hem eens… en dat is alweer enkele jaren geleden… hoeveel gerechtelijke secties hij in zijn lange leven al had verricht. Hij keek mij toen wat dromerig aan en zei: “Als ze allen nog leefden, dan zou men er toch een aardig stadje mee kunnen bevolken.” ’

Vledder lachte. ‘Ik heb, volgens jouw opdracht, naar de inen uitschoten gevraagd. Er is inderdaad een verschil in niveau. De inschoten liggen hoger. Volgens dokter Rusteloos stond de schutter en zat het slachtoffer.’

‘En de kogels?’

‘Er zat nog een kogel in het lichaam van Emile van den Aerdenburg. De dokter heeft die kogel eruit gepeuterd en aan mij meegegeven. Van de drie schoten zijn er twee kogels aan de rugzijde uitgetreden. Ik heb het hemd en het vest dat hij droeg nog eens goed bekeken. Ze zijn wel doordrenkt van bloed, maar onbeschadigd. De twee andere kogels moeten toch in de kleding van het slachtoffer zijn blijven hangen.’

De Cock kauwde op zijn onderlip. ‘Volgens Jaap Alberts waren ze er niet.’ Hij zuchtte. ‘En ik heb vertrouwen in die jongen.’

Vledder knikte traag voor zich uit. Er verscheen een denkrimpel in zijn voorhoofd. Vragend keek hij naar De Cock op.

‘Wat had Buitendam te vertellen?’

De oude rechercheur glimlachte. ‘De commissaris zei dat hij via de officier van justitie had vernomen dat de hoofdredacteur van De Grafische Heraut vermoedde dat de aanslag op de heer Harredijke verband hield met diens werk als journalist.’

‘In welke opzicht?’

De Cock trok zijn schouders op. ‘Dat is mij nog niet duidelijk. De hoofdredacteur was van mening dat wij na de aangifte van die heer Harredijke, waarbij toch sprake was van een dodelijke dreiging, te weinig voor de veiligheid van de man hadden gedaan.’

Vledder reageerde verbaasd. ‘Wat konden wij anders doen dan de politie in Amstelveen verwittigen?’

De Cock knikte. ‘Dat heb ik Buitendam ook gezegd.’

‘En?’

‘Ik had het idee dat de commissaris zich niet erg behaaglijk voelde. Die hoofdredacteur had gedreigd om in zijn krant een serie artikelen te publiceren, waarin het gebrekkig functioneren van de Nederlandse politie… de Amsterdamse politie in het bijzonder… aan de kaak zou worden gesteld.’

Vledder wreef zich vergenoegd in zijn handen.

‘Ik hoop dat die hoofdredacteur dat doet. Misschien verandert er dan eindelijk iets. We kampen al zo lang met gebrek aan personeel en middelen. Kijk eens naar die oude gammele dienstwagen, waarmee wij nu al jaar en dag door het land crossen.’ Hij zweeg even en lachte vrijuit. ‘Ben je weer van zijn kamer gestuurd?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Zover heb ik het dit keer niet laten komen. Ik ging zelf al.’

Er werd op de deur van de recherchekamer geklopt en Vledder riep: ‘Binnen!’

De deur ging langzaam open en in de deuropening verscheen een knappe vrouw. Op modieuze schoenen met een klein hakje schreed ze statig op de rechercheurs toe.

De Cock bekeek haar aandachtig. Hij schatte haar op achter in de veertig. Zeker niet ouder. Ze droeg, naar zijn gevoel, een te frivool hoedje op te zwart geverfd haar. Verder was ze onberispelijk gekleed. Alleen vond de oude rechercheur, op basis van zijn puriteinse ziel, de rok van haar mantelpakje van ruige rode tweed iets te kort. Bij het bureau van de grijze speurder bleef ze staan.

‘U… eh, u bent rechercheur De Cock?’ Ze nam een kleine pauze. ‘Met… eh, ceeooceekaa?’

De oude rechercheur knikte met een zuur gezicht. Hij vond het nooit prettig wanneer anderen hem met zijn hebbelijkheid plaagden.

‘Om u te dienen,’ sprak hij vormelijk.

Ze nam ongevraagd op de stoel naast hem plaats. Met nauwkeurige bewegingen plukte ze haar handschoenen van haar vingers.

‘U… eh, u behandelt de moord op Emile van den Aerdenburg?’ vroeg ze zonder op te zien.

De Cock antwoordde niet. Hij keek naar het frivole hoedje en het mantelpakje van ruige tweed. ‘Hebt u het niet koud?’ In zijn stem trilde een lichte bezorgdheid. ‘Het is nogal guur buiten.’ Ze schudde haar hoofd.

‘Mijn chauffeur staat met de wagen voor de ingang van het politiebureau. Hij heeft toestemming van de wachtcommandant gekregen om daar op mij te wachten.’

‘Vriendelijke wachtcommandant.’

Ze glimlachte.

‘U hebt gelijk… een beminnelijke man.’ Ze verschoof iets op haar stoel. ‘Ik ben Charlotte… Charlotte Overdinkel. Ik was met Emile van den Aerdenburg getrouwd. Een goed jaar geleden zijn we gescheiden. Via via heb ik gehoord dat mijn ex-man is vermoord. Hoewel ik beslist niet rouw om zijn dood, ben ik toch wel geïnteresseerd in de dader… de daderes… in zijn of haar motieven.’ Ze sprak op een kalme, besliste toon, die De Cock verbaasde.

‘Hoe lang was u getrouwd?’

‘Twintig jaar.’

De Cock keek haar verrast aan.

‘En… eh, u voelt geen enkele droefenis?’ vroeg hij ongelovig.

Charlotte Overdinkel schudde haar hoofd.

‘Nee… geen enkele. Ik wil alleen dat de moordenares haar gerechte straf niet ontloopt.’

De Cock kneep zijn ogen half dicht.

‘Moordenares? U sprak zojuist iets genuanceerder.’

Charlotte Overdinkel knikte.

‘Omdat ik niet over voldoende bewijzen beschik.’

‘Maar u weet wie voor de moord verantwoordelijk is?’

Charlotte Overdinkel knikte opnieuw. Nadrukkelijk.

‘Marianne Olthoven… zij schoot hem dood.’

Загрузка...