6

De Cock keek de vrouw die aan zijn bureau zat secondenlang aan. De grijze speurder tastte haar gelaatstrekken af… in verwarring op zoek naar enige uiting van emotie. Die was er niet. Ook haar lichtbruine ogen verrieden geen enkele beroering. De absolute kilte die ze uitstraalde, deed de oude rechercheur huiveren. ‘Een ernstige beschuldiging,’ sprak hij bijna ademloos. Charlotte Overdinkel trok nonchalant haar schouders op.

‘Ik meende dat ik even moest komen om u dit te zeggen,’ sprak ze gelaten. ‘U kunt mijn beschuldiging verder nemen voor wat ze waard is.’

De Cock plukte even aan zijn neus.

‘Wat is ze waard?’

Charlotte Overdinkel leunde met haar arm op de punt van het bureau. ‘Ik ben geen rechercheur,’ reageerde ze kalm. ‘Gelukkig. Maar als ik mij van uw taak zou moeten kwijten, dan wist ik wat mij te doen stond.’

‘En dat is?’

‘Marianne Olthoven arresteren voor moord… moord op Emile van den Aerdenburg.’

De Cock keek haar onderzoekend aan.

‘Zomaar… arresteren… omdat u het zegt.’ In zijn stem sloop een licht sarcasme. ‘Waar is het bewijs… de feiten en omstandigheden, die een redelijk vermoeden van schuld rechtvaardigen? Als ik mij als rechercheur goed van mijn taak wil kwijten, dan zal ik toch de wettelijke spelregels in acht moeten nemen.’

Charlotte Overdinkel boog zich iets naar hem toe.

‘Ik heb u al gezegd: ik beschik niet over voldoende bewijzen. Het is aan u om ze aan te vullen.’

De Cock hield zijn hoofd iets schuin.

‘Over welke onvoldoende bewijzen beschikt u?’

Voor het eerst tijdens het onderhoud toonde Charlotte Overdinkel enige onzekerheid. Ze staarde enige seconden strak voor zich uit en friemelde aan de handschoenen in haar schoot.

‘Marianne Olthoven,’ sprak ze zacht, ‘beschikt over een vuurwapen.’

De Cock reageerde verrast.

‘Een vuurwapen?’

Charlotte Overdinkel knikte.

‘En ze kan ermee overweg. Die vrouw is al vele jaren lid van een schietvereniging. Ze heeft voor dat wapen ook een officiele machtiging. Ik heb mij door anderen… leden van diezelfde schietvereniging… laten vertellen dat Marianne een bijzonder goed schutster is… of schutteres, schutsvrouw… ik weet echt niet hoe men zo’n vrouwelijke schutter moet noemen.’

De Cock gniffelde.

‘Beslist geen schutsvrouw,’ sprak hij hoofdschuddend. ‘Die hebben gewoonlijk een andere functie dan het hanteren van een vuurwapen.’

Hij gebaarde vrolijk.

‘Het is gewoon schutter.’

Charlotte Overdinkel vertrok geen spier.

‘Dat is ze dan… een goede schutter.’

‘Weet u wat voor een wapen ze heeft?’

‘U bedoelt wat voor een soort schiettuig?’

‘Precies.’

Charlotte Overdinkel wuifde wat vaag voor zich uit.

‘Ik dacht een pistool. Zeker weet ik dat niet. Ik weet alleen dat die Marianne het vuurwapen altijd bij zich draagt in haar handtasje. Dat schijnt officieel niet te mogen, maar sinds men een poging heeft gedaan om in haar huis in de buurt van Maarsbergen in te breken, laat ze het wapen niet meer thuis.’

De Cock keek haar bewonderend aan.

‘U bent goed geïnformeerd. U weet vrijwel alles van Marianne Olthoven… haar leefwijze, haar gedrag.’

Charlotte Overdinkel schonk hem een trieste glimlach.

‘Ik heb mij altijd sterk voor de liefdes van mijn echtgenoot geïnteresseerd… vooral als ze een wat permanent karakter kregen.’

Vledder kwam plotseling tussenbeide.

‘Kent u ene heer Harredijke?’

Charlotte Overdinkel draaide zich enigszins in de richting van de jonge rechercheur.

‘De journalist?’

‘Inderdaad.’

‘Een kennis van mijn man… mijn ex-man.’

Vledder spreidde zijn beide handen.

‘Kennis… wat moet ik mij daarbij voorstellen?’

Charlotte Overdinkel grinnikte.

‘Dat laat ik aan uw eigen verbeelding over. Ik heb hem wel eens ontmoet. Een lange vriendelijke man. Zeer voorkomend. Vaak was hij vergezeld van zijn dochter… een beeldschone jonge vrouw. Als mijn man meende dat er een gelegenheid was om iets te vieren, dan nodigde hij hem altijd uit.’

‘Waarom?’

‘Wat bedoelt u?’

‘Waarom nodigde hij de heer Harredijke uit?’

Charlotte Overdinkel maakte een hulpeloos gebaartje.

‘Dat moet u mij niet vragen. Mijn ex-man was zeer sluw. Gewetenloos.’ Ze zuchtte. ‘Al heb ik het nooit gewaagd hem dat te zeggen. Hij manipuleerde… speelde met mensen alsof ze marionetten waren. Ik heb mij daar altijd over verbaasd. Tot ik op een dag besefte dat ik ook zo’n marionet van hem was. Toen hield de betovering op.’ Ze zuchtte opnieuw. Heel diep. ‘Om te leven… om erachter te komen dat ik ook zelf iemand was… heb ik mij vrijgemaakt.’

De Cock nam het verhoor weer over.

‘U bent weggelopen?’

Charlotte Overdinkel draaide zich iets terug.

‘Anderhalf jaar geleden.’

‘Wist u toen al van zijn verhouding met Marianne Olthoven?’

Charlotte Overdinkel grijnsde.

‘Dat wist ik. Maar dat was niet de reden van mijn vlucht.’

Ze gebaarde achteloos. ‘Er waren zoveel vrouwen in zijn leven. Ik heb wel eens de gedachte gehad dat hij erin handelde.’

‘In vrouwen?’

Charlotte Overdinkel maakte een lichte schouderbeweging. Over haar gezicht gleed een glimlach… een glimlach vergezeld van een expressie van berusting. Ineens was ze een normale, lieve, gevoelige vrouw… viel alle kilheid van haar af. ‘In het begin van mijn huwelijk,’ sprak ze gelaten, ‘maakte ik mij druk om al die affaires… huurde ik privédetectives om zijn gangen na te gaan. Maar dat heb ik algauw opgegeven. Zijn ontrouw was zo frequent en zo openlijk, dat ik voor het vaststellen daarvan geen detectives nodig had.’

‘U kon dat zelf wel constateren.’

Charlotte Overdinkel knikte traag.

‘En ik raakte daar bedreven in.’

De Cock boog zich vertrouwelijk naar haar toe.

‘U bent gekomen,’ sprak hij vriendelijk, ‘om Marianne Olthoven te beschuldigen van de moord op uw ex-man. U vertelde dat zij in het bezit was van een vuurwapen… vermoedelijk een pistool… en dus beschikt over een middel om de daad te kunnen uitvoeren.’ Hij zweeg even voor het effect. ‘Kent u ook haar motief?’

Charlotte Overdinkel knikte traag.

‘Ze zijn vorige maand in het geheim getrouwd. Marianne Olthoven erft al zijn bezittingen.’


Toen Charlotte Overdinkel was vertrokken, viel er tussen de beide rechercheurs een diepe stilte. Het was alsof haar stem, de vaak bitse toon waarop ze sprak, nog steeds tussen de kale muren van de recherchekamer hing. Het was Vledder, die na enige tijd de stilte verbrak.

‘Wanneer gaan we haar arresteren?’

De Cock keek hem verbaasd aan.

‘Wie?’

‘Marianne Olthoven… van haar kan men nu toch beweren dat feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld rechtvaardigen.’

De jonge rechercheur glimlachte.

‘Ik heb goed naar je geluisterd. Ik vind jouw wetskennis nog steeds bewonderenswaardig.’

De Cock keek hem fronsend aan.

‘Meen je het echt?’

‘Wat?’

‘Dat Marianne Olthoven een redelijke verdachte is?’

Vledder knikte nadrukkelijk.

‘Nu wij weten dat zij over een vuurwapen beschikt… wij van haar een redelijk motief kennen… acht ik haar arrestatie wel aannemelijk… gerechtvaardigd. Vergeet niet dat zij op of omstreeks het tijdstip van de moord op de Keizersgracht was… en dus in de praktische mogelijkheid om Emile van den Aerdenburg neer te schieten. En waar is haar alibi? Wie bevestigt dat zij die avond naar Maarsbergen is gereden en daar enige uren bij de telefoon heeft vertoefd? Wij hebben daarvoor alleen haar eigen verklaring.’

De Cock staarde een tijdlang voor zich uit. Hij overdacht hoeveel waarheid er school in de woorden van zijn jonge collega. Zijn hersenen werkten op volle toeren… zochten zwakheden in die waarheid.

‘Geloof jij,’ sprak hij na een poosje, ‘dat er een duidelijk verband bestaat tussen de dreigbrieven en de moord op Emile van den Aerdenburg?’

Vledder keek zijn oudere collega wat achterdochtig aan.

‘Ja,’ sprak hij onzeker, ‘dat geloof ik. Het ligt ook het meest voor de hand.’

De grijze speurder leunde behaaglijk in zijn stoel achterover en schudde grijnzend zijn hoofd.

‘Dan klopt het niet.’

‘Wat klopt dan niet?’

De oude rechercheur grinnikte vreugdeloos. ‘Dan past Marianne Olthoven niet in het patroon van de dader of daderes.’ Vledder reageerde verward. ‘Dat begrijp ik niet.’

De Cock stak gebarend zijn beide handen naar voren.

‘Wat voor zin had het voor Marianne Olthoven om aan haar vriend… of zoals wij mogen aannemen… aan haar wettige echtgenoot… dreigbrieven te sturen in de trant van: Hoeveel is uw leven u waard? En dat nog wel in een bepaald karakteristiek priegelschrift.’

Vledder trok onwillig zijn schouders op.

‘Dat weet ik niet,’ riep hij wrevelig. ‘Mensen doen soms de vreemdste dingen.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Naar mijn overtuiging,’ sprak hij kalm, ‘had dat voor haar geen enkele zin. Zelfs al had ze de moord op Emile van den Aerdenburg van tevoren gepland… hoe konden die dreigbrieven haar dienstbaar zijn? Misleiding… van wie, van ons? We kunnen er rustig van uitgaan dat Emile van den Aerdenburg het handschrift van Marianne Olthoven kende. Die twee zullen elkaar zeker wel eens een briefje hebben geschreven.’ De grijze speurder veranderde van toon. ‘En dacht je nu werkelijk, dat Emile van den Aerdenburg, volgens zijn ex-vrouw een sluwe man, bij ons aan de Warmoesstraat aangifte van bedreiging had gedaan als hij had geweten dat die dreigbrieven van zijn vriendin afkomstig waren? Was hij dan ooit een huwelijk met haar aangegaan?’

Vledder boog zijn hoofd.

‘Dat,’ reageerde hij zwakjes, ‘is niet aannemelijk.’

De Cock zuchtte.

‘Ik heb nog de mogelijkheid overwogen dat Marianne Olthoven de dreigbrieven door een ander had laten schrijven… in een handschrift dat haar vriend en latere echtgenoot niet kende.’ De ogen van Vledder lichtten op.

‘Dat kan toch?’ In zijn stem klonk iets van enthousiasme.

De Cock knikte traag.

‘Dat kan… maar dan stuit ik toch direct op een nieuwe moeilijkheid.’

‘En dat is?’

De Cock stak opnieuw zijn armen vooruit.

‘Ten aanzien van Emile van den Aerdenburg had Marianne Olthoven… let wel pas na het sluiten van haar huwelijk met hem… een motief. Met name het bemachtigen van zijn nalatenschap. Maar zeg eens… wat is haar motief inzake de aanslag op Arend Harredijke, die identieke dreigbrieven heeft ontvangen?’

Vledder keek hem aan. Op het gezicht van de jonge rechercheur lag een uitdrukking van pure verwarring. Hij pakte in woede een ballpoint en smeet die wild op het blad van zijn bureau.

‘Een rotzaak,’ siste hij.

Het kwam uit de grond van zijn hart.

De Cock stond van zijn stoel op en wees naar de telefoon.

‘Bel het hoofdbureau en laat Ben Kreuger en Bram van Wielingen opdraven.’

‘Waarheen?’

‘Keizersgracht 1119… daar zijn we nog niet aan toe gekomen. Ik ben benieuwd wat er in het kantoor van Emile van den Aerdenburg te vinden is.’

Vledder reageerde bezorgd. ‘Kun je er in?’

De oude rechercheur grijnsde. Hij tastte in zijn broekzak en diepte daaruit een zilverkleurige ring met sleutels op. Triomfantelijk hield hij de ring omhoog en liet de sleutels vrolijk rinkelen. ‘Die heb ik vannacht… in de Churchilllaan… heel snel uit het parelgrijze colbert van Van den Aerdenburg gevist.’ Hij slenterde naar de kapstok en wurmde zich in zijn regenjas.

Vledder liep hem na.

‘Wat dacht je in dat kantoor te vinden?’

De Cock draaide zich half om.

‘Hulzen… patroonhulzen, uitgestoten door een pistool.’

Vledder blikte naar hem op.

Zijn ogen werden groot.

‘Toch Marianne Olthoven?’


De Cock keek om zich heen. Bij dag zag het stukje gracht er beslist anders uit dan in de nacht. Druk verkeer raasde langs hem heen en verhinderde hem om de situatie rustig in zich op te nemen.

Bij de Keizersgracht op 1119 beklom hij de blauwe hardstenen stoep. Vledder kwam hem na. Boven, op het bordes, nam de oude rechercheur het stukje gracht opnieuw in ogenschouw. Vledder kwam naast hem staan. Hij strekte zijn arm en wees schuin rechts voor zich uit.

‘De boom, waaronder wij die Emile van den Aerdenburg vonden, ligt hier zeker honderd meter vandaan.’

De Cock knikte traag.

‘Is dat niet vreemd?’

‘Hoezo?’

De oude rechercheur antwoordde niet direct. Hij kneep zijn ogen half dicht. Diepe denkrimpels kronkelden boven zijn linkerwenkbrauw. Het duurde enkele seconden. Toen duimde hij over zijn schouder naar de groene toegangsdeur. ‘Daar,’ sprak hij traag, ‘in zijn kantoor, vond, volgens haar zeggen, Marianne Olthoven zijn colbert en trenchcoat. We mogen hieruit concluderen dat Emile van den Aerdenburg in zijn hemdsmouwen… hoogst waarschijnlijk in zijn stoel achter zijn bureau zat… op het moment dat de kogels hem dodelijk troffen. Dat zou ook het verschil in niveau van de inen uitschoten verklaren.’ Hij zweeg even en keek naar Vledder. ‘Welke vraag dringt zich nu onmiddellijk bij je op?’

De jonge rechercheur kauwde even peinzend op zijn onderlip. ‘Waarom liet Emile van den Aerdenburg zijn moordenaar of moordenares tot zijn kantoor toe?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Dat bedoel ik niet. De moordenaar of moordenares kan bij verrassing zijn binnengekomen. Bijvoorbeeld omdat hij zijn kantoor niet had afgesloten. Het kan ook zijn dat Emile van den Aerdenburg hem of haar gewoon ontving… simpel een afspraak had… dat Emile hem of haar kende en meende geen gevaar behoeven te duchten.’ Hij schudde opnieuw zijn hoofd. ‘Ik bedoel iets anders.’

Vledder reageerde onzeker. ‘Wat?’

De Cock spreidde zijn beide handen.

‘Waarom liet de moordenaar of moordenares het lijk van Emile van den Aerdenburg niet gewoon in zijn kantoor achter? Waarom nam hij of zij het immense risico om met het lijk te gaan slepen?’ Hij zuchtte diep en in zijn stem sloop wanhoop. ‘En als hij of zij het om een of andere duistere reden toch dienstig vond om het lijk in de stromende regen tegen een boom te zetten… waarom dan een boom een honderd meter verder… terwijl hier, voor Keizersgracht 1119, aan de kant van de gracht toch ook een prachtexemplaar van een boom staat?’

De oude rechercheur wachtte geen antwoord af. Hij pakte met driftige bewegingen de zilverkleurige ring met sleutels uit zijn broekzak en draaide zich om.

Op dat moment kwam een jonge vrouw de trappen van het bordes op. Voor de groengelakte toegangsdeur bleef ze staan, pakte een sleutel uit haar zwartlederen handtasje en stak die in het slot.

De Cock tikte op haar schouder.

‘Waar gaat u heen?’

Ze keek hem verrast aan.

‘Naar mijn werk.’

‘U… eh, u werkt hier?’

Het was een overbodige vraag.

‘Bij de heer Van den Aerdenburg.’

De Cock blikte op zijn horloge.

‘Begint u nu… komt u terug van middagpauze? Het is bijna half drie.’

Ze draaide de sleutel om en duwde tegen de deur.

‘Ik heb variabele werktijden,’ sprak ze achteloos. ‘Ik begin en eindig wanneer ik wil.’

‘Prettig.’

‘Bovendien is hij er vrijwel nooit.’

Ze wilde de deur verder openduwen, maar de oude rechercheur hield zijn hand op de kruk.

‘Ik vrees,’ sprak hij vriendelijk, ‘dat u naar een andere werkgever moet omzien… de heer Van den Aerdenburg is dood.’

Ze keek hem verbijsterd aan.

‘Wie… eh, wie bent u?’

‘De Cock, rechercheur De Cock met…’

Haar grijsgroene ogen begonnen vreemd te draaien. Haar mond zakte open en over haar gezicht gleed een intense bleekheid. Even wankelde ze. Toen zakte ze bewusteloos naar de stoep.

Загрузка...