De Cock keek op haar neer. Ze lag op haar rug naast een fauteuil op een bijna versleten Perzisch tapijt met Oosterse motieven in overwegend blauw. Haar ogen waren wijd opengesperd en om haar rimpelige hals was een witzijden sjaal gesnoerd. De grijze speurder hurkte bij haar neer. De verkreukelde uiteinden van de sjaal lagen schuin omhoog naast haar linkeroor. De moordenaar of moordenares had de oude vrouw blijkbaar van achteren benaderd, de sjaal snel over haar hoofd geslagen en daarna fel aangetrokken. De insnoeringen waren uitzonderlijk diep en getuigden van de brute kracht waarmee de strangulatie was uitgevoerd.' De Cock kwam weer omhoog. Een vaag gevoel van schuld overviel hem. Hij had van het begin af beseft, dat Marlies van Haesbergen door haar waarnemingen in een ernstige gevarenzone terecht was gekomen. Hij had zijn geweten gesust met de gedachte, dat de oude conciërgevrouw na de ontdekking van de dode heer Vreedenbergh in de vergaderzaal steeds uiterst omzichtig had gehandeld. Hij had gehoopt, dat die houding een voldoende waarborg was voor haar veiligheid.
Hij keek de kamer rond en nam alles nauwkeurig in zich op. Het lange, rechthoekige vertrek was uiterst somber gemeubileerd met vier kolossale fauteuils in zwart wengé en een ondefinieerbare kleur tweed. Aan de wanden, koningsblauw met vergulde Franse lelies, hingen donkere schilderijen in zwarte vergulde lijsten, waarvan de afbeeldingen nauwelijks zichtbaar waren. De Cock ademde diep. In het vertrek hing een geur van schimmel, dood en verrotting. Het benauwde hem.
Rechts, bij het raam, tegen een lang, diep geplooid gordijn van blauw velours, zat Vledder aan een peuterig kabinetje en snuffelde in papieren. Een lage bureaulamp vatte zijn handen in een ovaal van licht.
De Cock draaide zich om. In de deur stond handenwringend een vrouw. De Cock schatte haar op achter in veertig. Ze was lang, vormloos mager en onaantrekkelijk. Met lome tred liep hij op haar toe.
'U hebt haar ontdekt?' De vrouw knikte.
'Ik ben Annette van Haesbergen.' Haar stem vibreerde nerveus. 'Ik ben een nicht van tante Marlies. Ik bezoek haar eenmaal in de week. Meest op donderdag. Dat komt mij het beste uit.' Om haar dunne lippen trilde een trieste glimlach. 'Ik was de enige van de familie die nog een beetje contact met haar onderhield. Tante
Marlies was wat excentriek en daarom niet erg geliefd.'
De Cock keek de vrouw onderzoekend aan en ontdekte enige gelijkenis met de vermoorde vrouw. 'Haar… eh, haar excentriek gedrag was voor u geen reden om haar te mijden?'
Annette van Haesbergen schudde haar hoofd.
'Integendeel, ik mocht haar graag. Tante was erg kordaat, soms wat pinnig, en ondanks haar hoge leeftijd nog bijzonder helder van geest.'
'Hoe kwam u binnen?' 'Ik heb een sleutel.' 'Van het kantoor?'
Annette van Haesbergen keek hem wat verwonderd aan.
'Anders is de woning van tante niet te bereiken. Men moet door het kantoor naar boven.'
De Cock knikte begrijpend.
'Heeft u nog iets bijzonders bemerkt?'
'Hoe bedoelt u?'
'Was de toegangsdeur van het kantoor normaal gesloten?' 'Zeker.'
'En toen bent u met de lift naar boven gegaan?'
'Zoals altijd. Er was niets dat afweek van het normale. Het eerste vreemde dat mij opviel, was, dat de deur van tantes woning openstond.'
'Hoe reageerde u daarop?'
Ze trok haar magere schouders omhoog.
'Ik ging naar binnen en riep: Tante. Ik kreeg niet onmiddellijk antwoord, maar dat verontrustte mij niet. Het gebeurde wel meer dat ik tante niet in haar woning aantrof. Dan was ze ergens in de kantoorvertrekken. Ze deed nog altijd alsof ze de vrouw van de conciërge was. Meestal kwam ze na enkele minuten opdagen.' 'Dit keer niet.'
Annette van Haesbergen schudde haar hoofd.
'Toen het naar mijn gevoel te lang duurde, besloot ik eens te gaan
kijken. Ik stond van de fauteuil op, waarin ik was gaan zitten, liep om de tafel heen en stapte naar de deur. Plotseling zag ik haar daar liggen.' Ze zuchtte en sloot even haar beide ogen. 'Ik had zeker een kwartier lang op nog geen drie meter afstand van haar zitten wachten.'
De Cock gebaarde om zich heen. 'Het is hier ook vrij donker.'
Annette van Haesbergen knikte instemmend. 'Tante hield niet van veel licht. Het verdrijft ook de goede geesten, zei ze altijd.'
'U zag direct dat ze dood was?'
Annette van Haesbergen trok haar mond iets samen.
'Ja,' zei ze strak. 'Vermoord.'
'Wat hebt u gedaan?'
'Eerst de politie gebeld. Zesmaal twee. Daarna heb ik geprobeerd de heer Vreedenbergh in Bergen te bereiken. Dat lukte niet. Ik kreeg geen gehoor. Toen heb ik de jonge heer Van der Grauw gebeld. Die beloofde onmiddellijk te komen.' 'Wanneer heeft u tante voor het laatst in leven gezien?' 'Zaterdag… zaterdagmiddag om een uur of vier. Ik had een paar boodschappen gedaan in de stad en ging nog even bij haar langs.' De Cock keek haar peilend aan.
'Zei tante nog iets… iets dat mogelijk verband kan houden met haar dood?'
Op het gezicht van Annette van Haesbergen kwam een peinzende uitdrukking. Na enkele seconden begon ze traag te knikken. 'Tante was een beetje uit haar gewone doen. Toen ik dat opmerkte, reageerde ze wat kriegel. Ze zei: er gebeuren hier rare dingen in het gebouw.'
'Wat voor 'rare' dingen?'
Annette van Haesbergen schonk hem een matte glimlach.
'Ze zei: er verdwijnen zomaar dode mensen.'
De Cock veinsde verbazing.
'Zei ze dat?'
'Ja.'
'En dat nam u serieus?'
Annette van Haesbergen glimlachte opnieuw. 'Nee, feitelijk niet. Ik zei u al; tante Marlies was een beetje excentriek… een beetje ongewoon in haar gedrag. Toen ze mij bij het afscheid tot beneden aan de deur bracht, klopte ze mij op mijn schouder en zei: het geeft niet hoor, kind, ik zoek het wel uit.'
'Heeft u nadien met iemand over die vreemde opmerking van uw tante gesproken?'
Annette van Haesbergen schudde haar hoofd. 'Ik zeg het u eerlijk; ik hechtte er niet veel waarde aan. Oude mensen hebben wel eens opmerkelijke hallucinaties.' Ze beet op haar onderlip. 'Maar nu… gezien haar snelle dood…' Ze maakte haar zin niet af. In haar fletse ogen glommen tranen. De Cock liep langs haar de gang in. Met twee broeders met een brancard in zijn kielzog, stevende Dr. Den Koninghe op hem af. De grijze speurder begroette hem hartelijk. 'U bent snel,' prees hij. De oude lijkschouwer wuifde achteloos. 'We waren toevallig in de buurt. Op weg naar een heroïnedode in een kraakpand. Toen jouw melding doorkwam, zei ik tegen de broeders: we gaan eerst naar de Keizersgracht, naar De Cock.' Hij schudde zijn hoofd en snoof. 'Ik weet niet precies hoeveel ik er van het jaar al heb gehad. Het is uitzichtloos. Ik word zo moe van al die heroïneslachtoffers.' Hij lichtte beleefd zijn oude garibaldi voor Annette van Haesbergen en stapte de kamer binnen. Met duim en wijsvinger trok hij zijn grijze streepjesbroek aan de vouw iets omhoog en hurkte bij de dode neer. Voorzichtig, met kleine rukjes, plukte hij de sjaal wat losser uit de hals en bekeek de strangulatiestriemen aandachtig. Daarna drukte hij de oogleden toe. Het was een bijna teder gebaar van piëteit. Toen hij weer ging staan kraakten zijn knieën. Hij zuchtte even, nam met precieze bewegingen zijn bril af en wipte een witzijden pochet uit de borstzak van zijn donkere jacquet. Terwijl hij een brilleglas bewasemde, keek hij omhoog. 'Ze is dood.'
Het klonk uiterst laconiek. De Cock trok zijn gezicht strak. 'Dat vermoeden had ik al,' sprak hij plechtig. Dr. Den Koninghe poetste zijn bril.
'Bij strangulaties van oude, tanige mensen,' sprak hij krakerig, 'ziet men niet vaak dergelijke diepe insnoeringen. Iemand met veel kracht.'
De Cock wees naar de dode op de vloer. 'U bedoelt; haar moordenaar?'
De oude lijkschouwer knikte traag. Hij zette zijn bril op, plooide de pochet in zijn borstzak, lichtte tot afscheid opnieuw zijn hoed en liep waardig de kamer af. De Cock wuifde hem na.
Toen Dr. Den Koninghe in de gang uit zijn gezichtsveld was verdwenen, wendde hij zich weer tot Annette van Haesbergen. Bezorgd legde hij zijn rechterhand op haar schouder. 'Ik raad u aan om naar huis te gaan,' sprak hij vriendelijk. 'Dat is beter. Ik houd u op de hoogte, zodat u tijdig maatregelen kunt nemen voor haar begrafenis.'
Ze keek hem aan. Haar dunne lippen vormden een strakke lijn en haar ogen flikkerden kwaadaardig.
'En wanneer arresteert u haar moordenaar?'
De Cock blikte onbewogen terug.
'Spoedig.'
Nadat Bram van Wielingen, de politiefotograaf, in grote haast zijn plaatjes had geschoten, borg hij zijn fraaie Hasselblad in zijn aluminium koffer en verdween met een korte groet.
De Cock slenterde naar Ben Kreuger, de dactyloscoop, die met kennersblik de zwarte folie met een gevonden greepje bekeek.
'Is er wat met Bram?'
'Hoezo?'
'Hij heeft nauwelijks een woord met me gewisseld.' Ben Kreuger maakte op de achterkant van de folie een aantekening over de vindplaats. 'De oudste dochter van Bram ligt in het ziekenhuis,' zei hij onbewogen. 'Ze kan elk ogenblik bevallen.' De Cock lachte. 'Bram wordt opa.' De dactyloscoop keek verstoord op. 'Is dat zo gek?' De Cock schudde zijn hoofd.
'Maar ik ken Bram van Wielingen nog uit de tijd dat hij onbekommerd en onbesuisd op vrijersvoeten ging. En dan lijkt 'opa' zo ver weg.'
De altijd wat stijve Ben Kreuger reageerde niet. De expressie op zijn lange magere gezicht veranderde vrijwel nooit. Hij zocht zorgvuldig zijn spulletjes bij elkaar, sloot zijn koffer en liep de kamer af. Bij de deur draaide hij zich nog even om. Hij hield zijn koffer iets omhoog. 'Als er iets bijzonders bij is, hoor je van me.' De Cock knikte gelaten en wuifde.
Toen de voetstappen van de dactyloscoop in de gang waren verklonken, wenkte De Cock de onverstoorbare broeders van de geneeskundige dienst naderbij. Ze legden de brancard naast de dode Marlies van Haesbergen en tilden haar op het canvas. Daarna drapeerden ze een laken over haar heen, sloegen de klappen terug en sjorden de riemen vast. Wiegend droegen ze haar de kamer af. De oude rechercheur had in zijn lange carrière in soortgelijke omstandigheden het gedrag van de broeders tientallen malen gadegeslagen. Het beeld bleef hem boeien. Het was alsof een acteur midden in het spel van het leven plotseling, bij open doek, van het toneel werd gedragen. Het schouwspel, vond hij, was veel indringender, veel indrukwekkender ook, dan de tocht van een mens naar zijn laatste rustplaats. Het beeld van de broeders met hun wiegende brancard vervolgde hem vaak in zijn dromen… bange dromen van een moord, die hij nooit vermocht op te lossen. Hij verdreef de nare gevoelens uit zijn gedachten en draaide zich om naar Vledder. De jonge rechercheur kwam met een half gevulde plastic zak naar hem toe. De Cock keek ernaar. 'Wat is dat?'
'Dat mens bewaarde alles, geloof ik… ansichtkaarten, brieven, toegangsbewijzen voor een schouwburg, verlopen treinkaartjes. Ik heb uit de keuken maar een plastic zak gehaald en daar alles ingestopt. Ik zoek het op het bureau wel eens op mijn gemak uit.' De Cock knikte instemmend. 'Is het ticket erbij?' 'Welk ticket?'
'Dat ze bij het reisbureau op het Koningsplein heeft gekocht. Een ticket naar de Bahama's.'
Vledder schudde zijn hoofd.
'Ik ben geen ticket tegengekomen.
'Heb je goed gekeken?'
'Ik heb alle kastjes en laden leeggehaald.'
'Ook het geheime vakje?'
Vledder keek hem dom aan.
'Geheime vakje?' herhaalde hij verbaasd.
De Cock knikte. 'Die oude kabinetjes hebben vaak een verborgen ruimte.' Hij grinnikte. 'In romantische tijden bewaarde de vrouw des huizes daar haar heimelijke liefdesbrieven in.' Hij liep Vledder voorbij en bekeek het kabinetje aandachtig. Het was, zo stelde hij vast, een kunststukje van een begaafd schrijnwerker. Het was niet de eerste keer dat De Cock bij zo'n oud kabinetje naar een geheime ruimte zocht en hij wist, waarop hij moest letten. Met groot geduld begon hij alle laden te verwijderen en opende de deurtjes. Daarna keek hij opnieuw. Na enige tijd ontdekte hij een verschuifbaar paneeltje. Het was niet zo moeilijk, omdat veelvuldig gebruik op het hout geringe spoortjes had achtergelaten. Toen hij het paneel opzij drukte, werd er een vakje zichtbaar. Er stak een bruine enveloppe in. De Cock nam hem er uit en vouwde hem open.
Vledder keek mee over zijn schouder. 'Het ticket.'
De grijze speurder knikte.
'Met een adres; heer Vreedenbergh, Hotel Out Island Inn, George Town, Great Exuma.'
De ogen van Vledder werden groot. Van schrik liet hij de plastic zak uit zijn handen glijden.
'Heer Vreedenbergh,' hijgde hij, 'op de Bahama's.'