De Cock keek Smalle Lowietje geschrokken aan. 'Wurgen? Met een sjaal?' 'Ja, die had hij zelf meegebracht.' 'Daar wist ik niets van.'
De tengere caféhouder schudde achteloos zijn hoofd. 'Daar is ook nooit melding van gemaakt. Waarom zouden we jullie met dergelijke akkevietjes lastig vallen? Mooie Karel ging met de schaar nog in zijn rug in een taxi direct naar de intensive care. Na een paar dagen knapte hij al weer aardig op. Toen hij uit het ziekenhuis werd ontslagen, hebben Nel en ik hem duidelijk gemaakt, dat hij in de buurt niet meer gewenst was.' De Cock knikte begrijpend. 'Hij verdween naar Den Haag.' Smalle Lowietje trok zijn wenkbrauwen op. 'Den Haag?' vroeg hij wat verbaasd. 'Hoezo Den Haag?' De Cock wuifde met zijn linkerhand.
'Hij vertelde mij, dat hij door de Haagse recherche was opgepikt voor een kraak in een villa en dat hij daarna een paar maanden onvrijwillig op staatskosten had gelogeerd.' Smalle Lowietje trok een bedenkelijk gezicht en schudde langzaam zijn hoofd. 'Ik geloof er niets van. Je moet dat bij je vrienden in Den Haag maar eens natrekken. Volgens mijn informaties is hij een tijdje huisbewaarder geweest voor een stinkend rijke kerel. Mooie Karel schijnt familie te hebben in hogere kringen. Via zo'n familielid zou hij een baan hebben gekregen in Zuid-Ierland. Die rijke vent had daar nabij de kust een soort landgoed, waar Mooie Karel op moest passen.' De Cock grinnikte uitbundig.
'Mooie Karel… passen op de bezittingen van anderen?' In zijn stem vibreerde het ongeloof. 'Dat is de kat op het spek binden.' Lowietje lachte vrijuit. 'Het schijnt ook niet goed te zijn gegaan. Anders was hij nu niet terug in Amsterdam.' 'Is hij nog in de buurt?' Lowie trok zijn schouders op.
'Ik heb hem niet meer teruggezien. Ik heb ook niets meer over hem gehoord.'
'Hoe kwam je in contact met Mooie Karel?' De Smalle keek hem niet begrijpend aan. 'Wanneer… jaren geleden… of nu?' 'Toen je hem naar mij toe stuurde.'
Lowietje bezag de bolle glazen, bemerkte dat ze leeg waren en schonk nog eens in. 'Mooie Karel kwam hier plotseling het café binnen, bestelde een pilsje en vroeg of ik al wat van Zwarte Archie had gehoord. Ze hadden hem verteld, dat Zwarte Archie spoorloos was verdwenen. Ik zei, dat jij er mee bezig was, maar dat je nog geen resultaten had geboekt. Mooie Karel zei toen, dat hij zich toch wel ongerust maakte. Hij had Zwarte Archie een paar dagen tevoren op de straat gesproken… over een dooie, die begraven moest worden.' De Cock knikte begrijpend.
'Dat was voor jou de reden om hem naar mij toe te sturen.' 'Precies.'
De Cock nam genietend een slok van zijn cognac en staarde daarna enige tijd in het glas. 'Die… eh, die rijke stinkerd met dat landgoed in Zuid-Ierland… weet je wie dat is?' Smalle Lowietje plooide zijn vriendelijk muizesmoeltje in smartelijke trekken van onwetendheid. 'Geen flauw idee.' 'Kun je er achter komen?'
De caféhouder maakte een triest gebaartje. 'Misschien. Ik moet even nadenken van wie ik dat verhaal over Mooie Karel en dat landgoed in Zuid-Ierland heb gehoord.' Hij keek op met een denkrimpel in zijn voorhoofd. 'Waarom vraagje het hem zelf niet.' 'Ik weet niet waar hij is.'
'Ik zal mijn voelhoorns eens voor je uitsteken.'
De Cock dronk de rest van zijn glas in één teug leeg en liet zich van zijn barkruk glijden. 'Als dat zou kunnen.' Hij wuifde tot afscheid.
'En als je toch gezellig bezig bent… laat eens bij Tattoo Peter in de Sint Olofssteeg informeren op welke armen hij de laatste maanden een soort ridderzwaard in blauw en rood heeft getatoeëerd.' Hij draaide zich om en slenterde naar de uitgang.
Smalle Lowietje staarde hem verbijsterd na.
'Hee,' riep hij zichtbaar verward, 'wie van ons twee is er nu bij de recherche… jij of ik.'
De Cock antwoordde niet. De bruine gordijnen vielen achter hem dicht.
Vroeg, zeker een vol uur voor de komst van Vledder, zat De Cock al weer in de wieltjesstoel achter zijn bureau. Hij wilde de zaak eens op een rijtje zetten. Uitdagend had hij een blanco vel papier voor zich neergelegd. Na het opmerkelijke verschijnen van Marlies van Haesbergen die avond in de grote recherchekamer, waren er — zo overdacht hij — vele vreemde ontwikkelingen geweest, onverklaarbare tegenstrijdigheden.
Sinds het ogenblik, dat hij het moeilijke besluit had genomen om het verhaal van de oude conciërgevrouw over het mysterieuze verdwijnen van de heer Vreedenbergh uit de voorzittersstoel van de vergaderzaal, als een waarheid te aanvaarden, had hij vele momenten van twijfel gekend.
Wat was er met de heer Vreedenbergh gebeurd? Leefde hij nog of was hij dood?
De grootste dreun had Gerard van der Grauw, mededirecteur van de baggeronderneming hem toegebracht, toen die nonchalant aanbood om de heer Vreedenbergh in zijn hotel in George Town op Great Exuma te bellen en Vledder inderdaad een man aan de lijn kreeg, die zich als de heer Vreedenbergh presenteerde. Hoog spel? Of was Van der Grauw toch zeker van zijn zaak? Maar waarom stierf Marlies van Haesbergen dan een gewelddadige dood? Vormde ze toch een gevaar, toen ze openbaarde dat ze had besloten om op eigen houtje op de Bahama's een soort privéonderzoek in te stellen. Een gevaar, ja… voor wie? Als de heer Vreedenbergh, zo hij aannam, dit aardse tranendal had verlaten, waarom dan zoveel geheimzinnigheid rond zijn dood? Een mens kon toch sterven? Angst voor paniek. Leed hij misschien aan een of andere mysterieuze ziekte, die om haar epidemisch karakter de openbaarheid niet mocht halen? Maar dan kon men toch bij de politie open kaart spelen? Of werd de heer Vreedenbergh gewoon onzindelijk vermoord en liet men daarom zijn lijk verdwijnen? 'De Cock.'
De oude rechercheur keek verschrikt op en zag het vrolijk lachende gezicht van Vledder. 'Wat… wat is er?' reageerde hij verstoord. 'Je wordt oud.' 'Hoezo?'
'Ik hoorde je in jezelf mompelen.' De Cock glimlachte verlegen.
'Ik… eh, ik dacht na. Ik had alleen niet in de gaten dat ik het hardop deed.'
Dick Vledder gebaarde naar het vel papier op het bureau voor De Cock.
'Wat moetje daarmee?' De Cock voelde zich betrapt. 'Opschrijven wat ik dacht.' Vledder grinnikte.
'Ik heb nooit geweten dat jij zulke reine gedachten had… het papier is nog maagdelijk blank.'
De Cock greep het vel papier en frommelde het in elkaar.
'Wat ben je scherp vanmorgen,' merkte hij pijnlijk getroffen op.
'Het verjaardagsfeestje bij je vriendin is kennelijk goed verlopen.'
Hij kwam overeind, wierp de prop in de prullenbak en slenterde naar de kapstok.
Vledder liep hem na.
'Gaan we nu al op pad?'
'Ja.'
'Waarheen?'
'Naar Amersfoort… aan Xaveria van Bree voorde vragen of ze een telefoongesprek voor ons wil voeren.'
In Amersfoort, op het Lieve Vrouwekerkhof, aan de voet van de imposante en 92 meter hoge Lieve Vrouwetoren, reed Vledder de politie-Volkswagen op een gemarkeerde parkeerplaats en draaide het contact af. Geïnteresseerd blikte hij om zich heen. 'Woont ze hier?'
De Cock wees schuin voor zich uit.
'Verderop… in de Lieve Vrouwestraat… even voorbij de 'Lamme Goetsack'.'
Vledder lachte. 'Wat is de 'Lamme Goetsack'?'
'Een soort bistro. Erg gezellig. Genoemd naar de dikbuikige vriend van Tijl Uilenspiegel. Xaveria soupeerde er wel eens met haar Jean-Paul.'
'Je bent goed op de hoogte.'
'Ik heb gisteravond… vrij laat nog… met de politie in Amersfoort gebeld.'
Vledder keek verrast op.
'Kenden ze Xaveria van Breevoorde?'
De Cock knikte. 'Niet, dat ze hier in Amersfoort als crimineel te boek staat, maar de rechercheur van dienst die ik aan de lijn had,
herinnerde zich, dat een oud-collega van hem, die sinds kort een privé-detectivebureautje runt, nadrukkelijk belangstelling voor haar had getoond.'
'Wie was zijn opdrachtgever?'
De Cock glimlachte.
'Daar was onze Amersfoortse collega ook benieuwd naar.'
'En?'
'Een notaris.'
Vledder trok zijn neus iets op.
'Een notaris?' Het was alsof hij een vies woord uitsprak. 'Welke notaris?'
De Cock maakte een schouderbeweging. 'Dat wilde de nieuwbakken privédetective niet zeggen. Hij deed er erg geheimzinnig over.'
'Gebeurt het vaker dat notarissen privédetectives in de arm nemen?'
'Misschien als tussenpersoon… bijvoorbeeld voor een rijke ondernemer, die het plan heeft om een testament te laten maken…' Vledder onderbrak enthousiast. '… en wil weten wat voor vlees hij in de kuip heeft.' De Cock gniffelde. 'Ik vind die beeldspraak met betrekking tot de beeldschone Xaveria niet zo vlijend,' sprak hij fijntjes. De jonge rechercheur sloeg met zijn vuist op het stuur.
'Natuurlijk… dat is het. De heer Vreedenbergh heeft overwogen om Xaveria van Breevoorde in zijn testament op te nemen… maar ging vooraf op informatie uit. Ik zou wel eens willen weten…' Verder kwam hij niet. De Cock greep hem achter in zijn nek en drukte zijn hoofd langs het stuur naar beneden. 'Hou je koest,' siste hij tussen zijn tanden. 'Ik wil niet dat hij ons hier ziet.' 'Wie?'
'Gerard van der Grauw… hij kwam met een aktentas onder zijn arm uit de Lieve Vrouwestraat.'
Xaveria van Breevoorde, in een ragfijne, opwindende, bijna doorschijnende peignoir, keek de beide rechercheurs voor haar verwonderd aan. 'Een telefoongesprek? En daarvoor bent u helemaal vanuit Amsterdam naar Amersfoort komen rijden?' Ze grinnikte ongelovig. 'En met wie moet ik dan telefoneren?' De Cock hield zijn blik strak op haar gericht. 'Met Jean-Paul Vreedenbergh,' sprak hij effen. Haar grote amandelvormige ogen schenen te verkleuren. 'U weet waar hij is?'
De Cock antwoordde niet. Hij friemelde met twee vingers in het borstzakje van zijn colbert en diepte daaruit een notitie op. Die gaf hij haar. 'Dit is het telefoonnummer van het Hotel Out Island Inn. Het ligt niet ver van het strand van George Town op Great Exuma… een van de Bahama's.' 'En daar is Jean-Paul?' De Cock gebaarde afwerend.
'We hebben het vermoeden dat hij daar vertoeft.' Hij duimde opzij. 'Mijn collega Vledder heeft gisteren via dat telefoonnummer gesproken met een man, die zich als de heer Vreedenbergh presenteerde. Het onderhoud verliep heel natuurlijk en ontspannen.' Hij glimlachte verontschuldigend. 'Toch behouden wij onze twijfels. Wij beiden kennen de stem van de heer Vreedenbergh niet. Evenmin beschikken wij over… eh, over typische bijzonderheden… intimiteiten, die een mogelijke bedrieger snel zouden kunnen ontmaskeren.'
Xaveria van Breevoorde reageerde ongewoon furieus.
'En over die… eh, typische bijzonderheden en intimiteiten beschik ik wel?'
De Cock spreidde zijn beide handen. 'Daar gaan wij van uit,' sprak hij gelaten. 'Bovendien lijkt mij dat gesprek ook voor u van belang. Ik neem aan, dat u nog steeds in het lot van de heer Vreedenbergh geïnteresseerd bent.'
Haar ogen vernauwden zich.
'Natuurlijk ben ik dat.'
De Cock glimlachte beminnelijk.
'Wat belet u dan om te bellen?'
Ze keek vragend naar hem op.
'U wilt er bij zijn?'
De Cock knikte nadrukkelijk.
'U moet zich onze nieuwsgierigheid kunnen voorstellen.' Xaveria van Breevoorde zuchtte diep. Ze schoof een poef bij en ging er op zitten. Vanaf een wankel tafeltje bij het raam pakte ze een bizar telefoontoestel van lichtgroen onyx, zette het op haar knieën en begon te draaien.
De Cock liet zijn blik door het vertrek dwalen. De kamer was op een haast kitscherige manier Oosters ingericht, met wandlampjes en schermen als in een Chinees restaurant. De grijze speurder veranderde iets van plaats. Via een immense wandspiegel kon hij door de open deur een blik werpen op een onopgemaakt bed in de slaapkamer. Hij vroeg zich af of Gerard van der Grauw hier de nacht had doorgebracht. Directe aanwijzingen daarvoor zag hij niet.
Wel overviel hem het gevoel, dat het onderzoek naar de al of niet verdwenen directeur hem in een modderige poel van ontucht en misdaad had gebracht. Het verlammende was, dat hij er nog zo weinig van begreep.
Ergens op de achtergrond van zijn denken hoorde hij Xaveria van Breevoorde praten. Hoewel ze pal voor hem zat, leek het alsof het heel ver van hem vandaan gebeurde. Hij nam ook niet de moeite om het gesprek te volgen. De klanken gleden onberoerd langs hem heen. Eerst toen ze het gesprek afbrak en de hoorn weer op het toestel legde, keek hij haar aan. Gespannen. Ze zag intens bleek, constateerde hij. Het blauw onder haar ogen leek zwart en op haar voorhoofd glinsterde een diadeem van zweetdruppeltjes. 'De heer Vreedenbergh,' sprak ze hees, 'is niet meer in Hotel Out Island Inn. Enkele uren geleden is hij met onbekende bestemming vertrokken.'
Het gezicht van De Cock stond strak, het toonde geen enkele expressie. 'Daar was ik al bang voor,' sprak hij zacht. 'We zullen een foto van de heer Vreedenbergh naar de politie in George Town sturen. Voor alle zekerheid. Om aan het personeel van het Hotel Out Island Inn te laten zien. Heeft u een portret?' Xaveria van Breevoorde zat ineengedoken als een klein schichtig vogeltje en reageerde niet.
De Cock bukte zich voorover, nam het telefoontoestel van haar schoot en zette het terug op het tafeltje bij het raam. Daarna schoof hij een tweede poef bij en ging tegenover haar zitten. 'U begrijpt, dat het plotselinge verdwijnen van de heer Vreedenbergh ons ernstig bezighoudt.' Zijn stem klonk uiterst vriendelijk. 'We zoeken naar een verklaring.' Xaveria van Breevoorde knikte gedwee. 'Uiteraard.'
'Was de heer Vreedenbergh gezond?' 'Hoe bedoelt u?'
'Leed hij aan een ernstige ziekte… kende hij angsten, depressies… was hij onder behandeling?' Xaveria van Breevoorde sloot even haar beide ogen. 'Jean-Paul had wel eens last van zijn hart. Vorig jaar heeft hij een lichte aanval gehad. Hem is toen aangeraden om het wat kalmer aan te doen… wat te vermageren. Hij had ook een te hoge bloeddruk als gevolg van spanningen. Dr. Haanstra van de Keizersgracht hield hem onder controle en schreef hem ook tabletten voor.'
'Had hij geen dokter in Bergen?'
Ze schudde haar hoofd. 'Dat vond hij te lastig. Hij had wel een telefoonnummer voor noodgevallen. Maar het was voor hem gemakkelijker om een arts in Amsterdam te hebben. Die kon hij tijdens kantooruren consulteren.' 'En dat deed hij?' 'Zeker.'
De Cock staarde nadenkend voor zich uit. Ineens vonkte er iets in hem… een plotselinge sprong naar de avond tevoren in het schemerige, intieme lokaaltje van zijn vriend Smalle Lowietje. 'Was u wel eens in Zuid-Ierland?' Xaveria van Breevoorde keek hem verrast aan. 'Op Thundering Heights?'
De Cock beet op zijn onderlip. Hij had de vraag in een opwelling gesteld. Het antwoord overrompelde hem. Even bonkte zijn hart in een vals ritme. Toen had hij zich weer in bedwang. 'Heet… eh, heet het landgoed zo?' vroeg hij onnozel. Xaveria van Breevoorde knikte. 'Het is er nogal ruig en woest en het onweert er vaak. Jean-Paul heeft het dit voorjaar gekocht… voor ons beiden… als hij zich wat uit de zaken zou terugtrekken.' Haar gezicht versomberde. 'Voorlopig komt er niets van. Het was van binnen erg verwaarloosd. Er moet nog van alles aan worden gedaan.'
De Cock streek heel langzaam met zijn pink over de rug van zijn neus. Een intense spanning maakte zich van hem meester. Het lukte hem niet om het trillen van zijn hand geheel te verhinderen.
'Is het landgoed nu verlaten?'
'Jean-Paul heeft een huisbewaarder aangesteld.'
'Kent u zijn naam?'
'Koperman.'
De grijze speurder zuchtte en straalde. Voor het eerst in dit vreemde onderzoek voelde hij een lichte tinteling van triomf. Vledder blikte opzij. De plotselinge glans in de ogen van zijn oude collega verwarde hem.
'Koperman,' herhaalde hij zonder er iets van te begrijpen. De Cock grijnsde.
'De zondagse naam van… Mooie Karel.'