2

Het duurde geruime tijd voor Marlies van Haesbergen weer een beetje tot zichzelf kwam. De emoties van de herinnering waren op haar gezicht te lezen. De lichte bravoure die ze aanvankelijk had geëtaleerd, was vergleden. Ze toonde nu wat ze vermoedelijk in werkelijkheid was… een zacht, lief, wat verward oud dametje. De Cock legde geruststellend zijn hand op haar arm en voelde dat ze nog beefde. Zijn gezicht stond ernstig. 'De stoel was leeg?' Ze slaakte een diepe zucht.

'Ja… leeg. Ik kon mijn ogen niet geloven. Ik dacht… dat kan niet. Hij moet er zijn. Ik dacht… misschien is hij uit de stoel gegleden, op de vloer. Op mijn knieën ben ik onder de tafel doorgekropen. Maar de heer Vreedenbergh was verdwenen… weg. En dat in die korte tijd dat ik met de lift van beneden naar boven en van boven naar beneden was gegaan.' 'Hoelang zal dat zijn geweest?' 'Een paar minuten.'

De Cock staarde haar secondenlang peinzend aan.

'De… eh, die stoel… stond die er nog net zo als… eh, als voor u met de lift naar boven ging?'

Ze knikte een paar keer.

'Precies zo. Daar was niets aan veranderd. Alleen de heer Vreedenbergh zat er niet meer in.' De Cock krabde zich achter in zijn nek.

'U vertelde dat u iets meende te horen toen u beneden uit de lift stapte.'

'Ja.'

'Wat was dat voor een geluid?' 'Of er iets klikte.' 'Een slot?'

'Mogelijk, het was niet zo duidelijk. Bovendien is mijn gehoor niet zo scherp meer als toen ik twintig was.' De Cock negeerde de opmerking. 'De buitendeur was dicht?'

Marlies van Haesbergen knikte opnieuw. Ze had zich duidelijk hersteld. In haar ogen flitste weer iets van haar strijdlust. 'Ik heb het gecontroleerd,' sprak ze ferm. 'De buitendeur was op slot, normaal, zoals altijd. Ik ben ook opnieuw door de kantoorlokalen gelopen. Ik heb zelfs op de toiletten gekeken. Niets.' De Cock wreef over zijn kin. 'Aan wie heeft u dit verhaal nog meer verteld?' Ze keek de rechercheur geringschattend aan. 'Aan niemand.' 'Waarom niet?'

In haar groene ogen glansde verbazing over zoveel onbegrip. 'Ik ben toch niet gek.' Ze spreidde haar beide handen. 'Wat moest ik vertellen?'

'Hetzelfde wat u mij vertelde.' 'Aan wie?'

'Aan mensen van het kantoor.'

Marlies van Haesbergen schudde afkeurend haar hoofd. 'De volgende morgen,' sprak ze geduldig, 'ben ik naar de secretaresse van de heer Vreedenbergh gegaan. Ze is een lief, pittig ding. Ze behandelt de heer Vreedenbergh alsof hij haar persoonlijk eigendom is. Ik vroeg haar of ik meneer even mocht spreken in verband met mijn woning op de bovenste etage van het pand. Het was een smoes… een pure smoes. Ik had niets te bespreken. Ik wilde gewoon zekerheid.' 'En?'

'Ze zei, dat het niet kon… de eerste dagen niet.' 'Waarom niet?'

'De heer Vreedenbergh was op zakenreis.' De Cock kneep zijn ogen half dicht. 'Op zakenreis?'

'Dat zei ze. Als hij terugkwam, dan wilde ze er wel voor zorgen dat de heer Vreedenbergh een paar minuten voor mij vrij had.' 'Hoe hebt u gereageerd?'

De rimpels rond haar mond dansten in een trieste glimlach. 'Ik zei… eh, ik zei, dat ik dan wel zou wachten tot hij terugkwam.' De Cock grinnikte.

'U had moeten zeggen… de heer Vreedenbergh is dood, dat heb ik zelf gezien… die komt nooit meer terug.'

Marlies van Haesbergen trok haar lippen samen. Haar ogen vonkten. 'Ik weet niet hoe u uw zaken behandelt, rechercheur,' sprak ze fel en bestraffend, maar het leven heeft mij geleerd om voorzichtig te zijn. Ik ben een oude vrouw… weduwe van een conciërge… een vrouw die het nog steeds niet kan laten om 's avonds in het gebouw op inspectie te gaan. Let wel… ongevraagd. Ik heb in die vergaderzalen en kantoren niets te zoeken, rechercheur. Totaal niets. In feite mag ik daar niet eens komen.' Ze zweeg om diep adem te halen. 'En wat moest ik zeggen… er was een dode heer Vreedenbergh en die is weer opgestaan?' Haar stem droop van sarcasme. 'Bovendien waren er momenten dat ik aan mijzelf twijfelde. Had ik wel wat gezien? Verwarde ik mijn herinnering niet met een droombeeld?'

De Cock keek haar vriendelijk aan. Het verweer van de krasse oude vrouw vertederde hem.

'Wat deed u uiteindelijk concluderen,' vroeg hij beminnelijk, 'dat de heer Vreedenbergh iets verschrikkelijks is overkomen?' Ze schudde haar hoofd.

'Het is geen conclusie. Ik bedoel… geen conclusie gebaseerd op feiten. Buiten dan mijn eigen waarneming in de vergaderzaal. Het is meer een analyse van de gevoelens die mij daarna beheersten. U mag het ook… eh, intuïtie noemen.'

'Nog één vraag… u hebt nu vier dagen lang gezwegen… waarom spreekt u nu?'

Ze liet haar hoofd met het zwarte dophoedje iets zakken. 'Vanmiddag, tegen einde van kantoortijd, ben ik opnieuw naar de secretaresse gegaan. Ik vroeg haar beleefd of de heer Vreedenbergh al terug was. Ze reageerde nogal kribbig. Ze zei, dat er voorlopig geen kans op was dat ik hem te spreken kreeg.' 'Waarom niet,'

'De heer Vreedenbergh was met vakantie.' 'Wat?'

Marlies van Haesbergen knikte traag. 'Op de Bahama's.'

Toen de oude vrouw was vertrokken, viel er een diepe stilte. Het uitzonderlijke verhaal had een diepe indruk op De Cock gemaakt. De oude rechercheur overdacht welke mogelijkheid hij had om enige klaarheid in de mysterieuze verdwijning van de heer Vreedenbergh te brengen. De zaak, zo overwoog hij, lag uiterst gecompliceerd.

Vledder kwam achter zijn bureau vandaan, pakte een stoel, schoof die bij en ging er achterstevoren op zitten, met zijn armen steunend op de rugleuning.

'Ben je van plan er op in te gaan?'

De Cock trok wat onwillig zijn schouders op.

'Die Marlies van Haesbergen heeft ons in een moeilijk parket gebracht.'

'Hoezo?'

De Cock plukte nadenkend aan het puntje van zijn neus. 'Als je haar verhaal niet serieus neemt en als een waanbeeld achteloos terzijde schuift… en er is wel sprake van een dode en verdwenen heer Vreedenbergh… dan zal men ons dat terecht hoogst kwalijk nemen. Vatten we het onderzoek evenwel krachtig aan… en het blijkt niet meer te zijn dan een hersenspinsel van een bejaarde, excentrieke vrouw… dan maken we ons belachelijk en krijgen we het verwijt te horen, dat we geen onderscheidingsvermogen bezitten.'

Vledder knikte met een ernstig gezicht.

'Zo te zien verkeren we inderdaad in een weinig benijdenswaardige positie. Vooral ook, omdat die heer Vreedenbergh nogal een belangrijk man schijnt te zijn.' De Cock stak zijn rechterwijsvinger omhoog. 'Daar komt nog bij, dat het vreemde verhaal van Marlies van Haesbergen weliswaar intrigerend werkt, maar wettelijk gezien nog geen enkele strafbare handeling oplevert, die een basis zou kunnen zijn voor een optreden van onze kant.' Zijn jonge collega keek hem verwonderd aan. 'Mag je iemand laten verdwijnen?' De Cock schudde zijn hoofd.

'Natuurlijk mag je niemand laten verdwijnen. Maar naar het woord ver-dwij-nen zul je in ons Wetboek van Strafrecht tevergeefs zoeken. De strafbare handeling zit in het feit hoe het gebeurt en welk doel men nastreeft.' Hij zweeg even en wreef peinzend langs zijn nek. 'Dat is theorie. Concreet gezien zitten we alleen met een tegenstelling tussen een excentrieke oude vrouw en een nijvere secretaresse. Marlies van Haesbergen zegt, dat de heer Vreedenbergh dood is en zijn secretaresse beweert, dat hij met vakantie is op de Bahama's. Dat is alles. En uit die tegenstelling kan ik nog geen misdaad brouwen. Vergeet bovendien niet — als er al sprake is van 'verdwijnen' — dan is het het verdwijnen van een lijk.' Vledder grinnikte. 'En dat mag je toch hoogst merkwaardig noemen.'

De Cock knikte traag.

'Dat mag,' reageerde hij laconiek. 'Maar merkwaardig of niet, de vraag die onmiddellijk opdoemt: waarom laat men een lijk verdwijnen?'

Vledder zwaaide met zijn beide handen.

'Om een misdaad te verdoezelen,' riep hij geëmotioneerd. 'Waarom anders?'

De Cock keek hem schuins aan.

'Misdaad?' vroeg hij met een zweem van verbazing. 'Welke misdaad? Onze Marlies van Haesbergen zag een dode heer Vreedenbergh onderuitgezakt in een stoel van de vergaderzaal zitten. Met gesloten ogen… heel rustig en heel vredig. Ik bedoel… er stak geen stiletto in zijn borst, zijn schedel was niet gekliefd en er zat

geen kogelgat in zijn hoofd.'

Vledder wuifde afwerend.

'Misschien heeft ze niet goed gekeken.'

De Cock lachte schamper.

'Ja… en daar draait nu alles om: heeft die Marlies van Haesbergen wel goed gekeken.' Het klonk een beetje kribbig. De Cock kwam langzaam uit zijn stoel overeind en begon door de grote recherchekamer te stappen. Dat deed hij graag. In de cadans van zijn slentergang lieten zijn gedachten zich gemakkelijker ordenen. Misschien, zo overwoog hij voorzichtig, was er in het geheel geen sprake van een misdrijf. Misschien deed de heer Vreedenbergh na een lange vermoeiende werkdag even een slaapje in de armstoel van de vergaderzaal… was hij niet dood… werd hij wakker en wandelde het gebouw uit op het moment dat de weduwe van de conciërge met de lift omhoogging.

Hij grinnikte voor zich uit en wist tegelijkertijd dat het niet waar was. Hij besefte dat hij alleen probeerde dat stellige gevoel in hem te onderdrukken, dat de komst van de oude vrouw aan de Warmoesstraat slechts een begin was… het begin van een duistere zaak, die in de komende dagen al zijn ervaring, wilskracht en intelligentie zou opeisen.

Hij keek op de grote klok in de recherchekamer. Het was bijna tien uur. Hij slenterde nog wat heen en weer en bleef uiteindelijk bij het bureau van Vledder staan.

'Waar heb je dat privéadres dat Marlies van Haesbergen je heeft gegeven?'

Vledder tastte in het borstzakje van zijn colbert en pakte er een kattenbelletje uit. 'Eeuwige Laan,' las hij, 'zevenhonderdtweeënvijftig in Bergen.'

De grijze rechercheur staarde even voor zich uit en sjokte toen naar de kapstok. Hij wurmde zich in zijn oude regenjas en schoof zijn hoedje over zijn stugge haren.

Vledder stond op en liep naar hem toe.

'Waar ga je heen?'

De Cock draaide zich half om.

'Naar Bergen… kijken of hij thuis is.'

Zijn leerling reageerde wat verward.

'En als hij thuis is?' De Cock grijnsde breed.

'Dan schud ik de hand van de man, die uit de dood is herrezen.'

Vledder keek hem onderzoekend aan.

'Is dat een grap?'

'Nee, bittere ernst.'

'Je bedoelt…'

De Cock onderbrak zijn jonge collega, '… dat ik de overtuiging heb, dat de heer Vreedenbergh niet meer tot het rijk der levenden behoort.'

Загрузка...