Vledder stormde onbesuisd met drie treden tegelijk de trap af. De Cock trok de ceintuur van zijn regenjas wat strakker en kwam hem kalm na. Beneden in de hal bleef de jonge rechercheur op hem wachten. Toen ze aan de balie voorbij trokken, wenkte de wachtcommandant hen met een kromme vinger. 'Gaan jullie naar die dooie dokter?' De Cock keek hem wat verstoord aan. 'Ja… is er nog wat?'
Jan Kusters zwaaide met een somber gezicht naar een reeks aantekeningen op zijn bureau. 'Moet je eens zien,' sprak hij triest. 'Allemaal verzoeken om assistentie. Dat verdomde personeelstekort. Het wordt tijd dat ze in Den Haag een paar blikken met agenten voor ons opentrekken. Het is gewoon geen doen. Ik heb geen man meer in de wachtkamer.' Hij keek op. 'Er staat een politiewagentje bij die dokter voor de deur. Als jullie er zijn… stuur dan die dienders terug.' De Cock knikte begrijpend.
'Waarschuw jij voor mij dan vast de meute. Zonder een wagentje daar heb ik geen communicatie.' 'Oké, dat doe ik.'
Ze stapten van de balie weg en liepen het bureau uit.
Buiten wilde Vledder direct in een gereedstaande politieauto stappen, maar De Cock riep hem terug.
'Laat dat ene wagentje nu maar staan voor de wachtcommandant. Hij kan het misschien beter gebruiken dan wij. Kusters heeft het al moeilijk genoeg. Bovendien zijn we in de binnenstad te voet veel sneller.'
Vledder klapte het portier dicht. 'Met jouw sukkelgangetje?' Het klonk wat misprijzend. 'Dood is dood,' zei De Cock achteloos. 'Daar valt niets meer aan te doen.' Hij keek de jonge rechercheur van terzijde aan. 'Of bezit jij de gave om dooie dokters weer tot leven te wekken?' Vledder antwoordde niet, maar liep mokkend vooruit. De jonge rechercheur had altijd wat moeite met de gezapige slentergang waarmee De Cock zich gewoonlijk voortbewoog. De oude rechercheur lichtte in het voorbijgaan zijn hoedje voor een piepjong heroïnehoertje. Hij had het schriele vrouwtje de laatste maanden vele malen met een afwezige blik in haar ogen in de grote recherchekamer zien zitten, wachtend op haar verhoor. Hij wist dat ze van Duitse origine was, maar kon zich haar naam niet herinneren. Hij draaide zich half om en keek haar peinzend na. Het was de laatste jaren bijna ondoenlijk om de ontwikkeling bij te houden. Het koor van verslaafden groeide met de dag. Een onoplosbaar probleem… zeker voor de Amsterdamse recherche, die de stroom van criminaliteit, die de verslaving met zich meebracht, bijna niet meer kon verwerken. Langs zijn lippen gleed een moede glimlach. Een taak voor een volgende recherchegeneratie? Hij bedacht het bitter en telde op zijn vingers de jaren die hem nog van zijn pensionering scheidden.
Langzaam slenterde hij verder. Op de hoek van de Warmoesstraat stond Vledder popelend te wachten. Zijn jong gezicht zag rood. 'We zijn op weg naar een moord,' sprak hij hard. 'Herinner je je nog?'
De Cock knikte gelaten.
'Ik weet het… een dooie dokter.'
Op de Keizersgracht beklommen de beide rechercheurs de blauwstenen treden naar het bordes. Voor de deur stond wat verveeld een jonge diender. Toen hij De Cock in het oog kreeg, deed hij haastig een stap naar voren en tikte ter begroeting aan de klep van zijn pet.
i in 'Ze zit in de wachtkamer.'
De oude rechercheur keek hem niet begrijpend aan. 'Wie?'
De jonge diender duimde over zijn rug.
'De werkster… ik… eh, ik bedoel, de interieurverzorgster, die de moord heeft ontdekt. Ze heeft een sleutel van dit pand. Toen ze hier vanavond om acht uur kwam om binnen de boel wat op te redderen, bemerkte ze dat de deur niet was afgesloten. Ze vond dat vreemd. Het gebeurt nooit. Die buitendeur is altijd op slot. Ze dacht aanvankelijk aan inbrekers en was van plan om onmiddellijk de politie te waarschuwen, maar toen ze geen sporen van braak zag, bedacht ze dat de dokter misschien vergeten was om de deur af te sluiten en ging naar binnen.' 'Toen vond ze hem.' 'Ja.'
'Heb je haar naam?'
'Anne-Marie Schild, oud zevenenvijftig jaar. Ongehuwd. Ze werkt al voor de dokter zolang hij hier op de gracht zijn praktijk heeft.'
De Cock knikte.
'Gegevens van het slachtoffer?'
'Haanstra… meer heb ik niet.'
'Binnen iets aangeraakt?'
De jonge diender schudde zijn hoofd.
'Ik heb er nog een moment over nagedacht om naar identiteitspapieren van de dode te zoeken. Dat heb ik maar niet gedaan. Het leek mij niet zo verstandig. Verder behoefden wij nergens aan te komen. Je kon al van een afstandje zien, dat hij hartstikke dood was. Er zit een sjaal om zijn nek en zijn tong hangt uit zijn mond. Niet zo prettig om te zien.' Hij zuchtte even. Daarna keek hij de oude rechercheur vragend aan. 'Moet ik nog iemand voor u waarschuwen?'
De Cock schudde zijn hoofd.
'De wachtcommandant zou er voor zorgen dat de meute kwam. Hij vroeg of ik jullie direct wilde terugsturen. Het is druk aan de Kit. Hij heeft jullie nodig.'
De jonge diender draaide zich om en liep het bordes af, op weg naar zijn nog jongere collega in de politieauto aan de wallekant. Intussen bekeek De Cock nog eens het fraaie, koperen schild aan de deur. Het hield zijn blik vast. 'Jee, Ee, Haanstra,' las hij hardop, 'arts, spreekuren van tien tot twaalf.'
Hij wendde langzaam zijn hoofd naar Vledder. Zijn breed gezicht stond strak. 'Waar denk jij, dat dokter morgen zijn spreekuur houdt… in de hemel of in de hel?'
Dick Vledder grijnsde.
'Volgens mij,' sprak hij cynisch, 'in de hel. Die kans is verreweg het grootst.'
'Waarom?'
Vledder trok zijn gezicht in een ernstige plooi. 'Wees nu eens eerlijk, De Cock, als jij God was… zou jij dan nog mensen in jouw hemel toelaten?'
De grijze speurder antwoordde niet. Hij drukte de donkergroene deur verder open en ging naar binnen. Vledder volgde.
Terwijl de jonge rechercheur in de wachtkamer met een hevig snikkende interieurverzorgster sprak, liet De Cock zijn scherpe blik door de spreekkamer dwalen. Hij nam alles in zich op… bijna fotografisch… de bruinlederen ligbank met een brede strook papier… de ouderwetse weegschaal met een bascule op borsthoogte… de eiken meetlat aan de deurpost… de dode dokter in de draaistoel achter zijn bureau.
De jonge diender had gelijk. Het was niet zo prettig om te zien. Het gezwollen gelaat met de ver uit de mond hangende tong, de wijd open, in schrik verstarde ogen, boden een angstaanjagend beeld. De Cock schudde vertwijfeld zijn hoofd. En opnieuw, zoals bij de moord op Marlies van Haesbergen, bekroop hem een gevoel van schuld. Had hij het kunnen voorkomen? Hoewel hij verstandelijk wist, dat hij er niets aan kon doen dat de Nederlandse wetgeving hem geen andere keus liet, knaagde de twijfel aan hem. Vledder kwam de spreekkamer binnen.
'Ik heb die arme werkster maar naar huis gestuurd,' sprak hij luid. 'Ze was nogal in de war. Ze kent de jonge dokter nog uit zijn kinderjaren. Ze was toen dienstmeisje bij zijn ouders.' 'Wist ze nog wat?'
'Niet meer dan wat ze aan die diender had verteld. Ze deed alleen de suggestie, dat de dokter was vermoord door iemand die buiten het spreekuur om als patiënt een afspraak met hem had gemaakt.' 'Waarop baseert ze dat?'
'Hij had zijn witte jas nog aan. Volgens de werkster haatte Haanstra die witte doktersjas, die hij zijn uniform noemde. Hij deed hem zo gauw mogelijk uit. Het liefst liep hij in vrijetijdskleding.' De Cock wees naar het kistje met patiëntenkaarten op het bureau van de dokter. 'Neem dat straks mee. En snuffel eens rond. Misschien vind je ergens de kaart van de heer Vreedenbergh.' 'Zit die niet in het kistje?' De Cock grijnsde.
'Nee. Dat heb ik vanmiddag al gecontroleerd.' Hij wuifde naar een half gevulde papiermand naast het bureau. 'Bekijk dat ook even. Als het goed is, vind je daarin een verscheurde kaart met een inktvlekje en linksboven mijn naam.'
Vledder knikte begrijpend. Daarna blikte hij in het dode gezicht van de dokter. 'Hij ziet er niet erg appetijtelijk uit,' sprak hij met opgetrokken neus. 'Om nachtmerries van te krijgen.' 'Hij heeft zich nog verzet.' 'Waaraan zie je dat?'
'Hij zit niet meer in zijn stoel. Hij hangt er in. Volgens mij heeft er nog een korte worsteling plaats gehad. Toen de verwurging van achteren werd ingezet, is de dokter omhooggekomen.' 'En daarna teruggezakt.' 'Precies.'
De jonge rechercheur keek De Cock aan. 'Heb je al enig idee, waarom hij werd vermoord?'
De grijze speurder knikte. 'Ik weet het.'
De mond van Vledder viel half open. 'Jij… jij weet het?'
'Ja.'
Vledder grinnikte ongelovig.
'Zou je mij dan eens even…' Verder kwam hij niet. De deur van de spreekkamer ging open en in de deuropening verscheen Dr. Den Koninghe. Achter hem torenden hemelhoog twee broeders van de geneeskundige dienst met een brancard.
De Cock liep op de lijkschouwer toe.
'U bent weer de eerste.'
Dr. Den Koninghe blikte olijk omhoog.
'Mijn ouders hadden een zaak. Mij is geleerd om je beste klanten goed te bedienen.' Hij schuifelde aan de rechercheur voorbij naar de stoel met de dode dokter. Met zijn handen in de zakken van zijn streepjespantalon, bekeek hij hem langdurig. 'Is hij al gefotografeerd?'
'Nee.'
Dr. Den Koninghe boog zich iets over het slachtoffer heen en drukte de beide oogleden toe. Hij schonk De Cock een milde glimlach. 'Waarom zouden we die arme fotograaf van dat gezicht laten schrikken? Hij is met gesloten ogen al weerzinwekkend genoeg.' Gewoontegetrouw nam hij zijn brilletje af, wipte de witzijden pochet uit de borstzak van zijn jacquet en wreef de glazen schoon. Toen de ceremonie was beëindigd, keek hij op. ' A propos… hij is dood.' De Cock knikte berustend. 'Dat begreep ik.'
Even aarzelde de oude lijkschouwer. In zijn ogen kwam een peinzende blik.
'Had… eh, had jij een paar dagen geleden ook niet een oude vrouw met… eh, met net zo'n sjaal?'
'Inderdaad.'
Dr. Den Koninghe knikte traag voor zich uit. 'Dat meende ik al.' Hij zweeg even. 'Het zou wijs zijn om naar dezelfde moordenaar te zoeken. Er zijn qua modus operandi duidelijke overeenkomsten.' 'Waarom vermoordt men een dokter?' Dr. Den Koninghe maakte een onzeker gebaartje. 'Misschien heeft hij een verkeerde diagnose gesteld,' gniffelde hij. 'Dat wil bij doktoren nog wel eens gebeuren.' 'Is het u wel eens gebeurd?' De lijkschouwer keek op.
'Dat ik zei, dat iemand dood was, terwijl hij nog leefde?' 'Bijvoorbeeld.'
Dr. Den Koninghe schudde zijn hoofd. Hij wierp nog een peinzende blik op de dode. Daarna lichtte hij tot afscheid zijn oude, groen uitgeslagen garibaldi en verliet de spreekkamer. De Cock keek hem na en zag hoe hij bijna omver werd gelopen door Bram van Wielingen, die onstuimig de kamer binnenstormde. De fotograaf zette zijn aluminium koffer met een plof op het parket en dreunde op De Cock toe. 'Wat moetje hebben?' 'Hoe bedoel je?' 'Welke plaatjes?'
De Cock antwoordde niet. Hij keek Van Wielingen strak aan. 'Wat is er?' vroeg hij geprikkeld. 'Heb je weer haast? Ik heb de vorige keer ook alleen maar een schim van je gezien.'
Het verhitte gezicht van de fotograaf verzachtte.
'Ik wil nog even naar het ziekenhuis… naar mijn oudste dochter,' sprak hij vriendelijk. 'Ze is gisteren bevallen. Het ging niet zo gemakkelijk. Er waren wat complicaties.' Hij grijnsde van oor tot oor. 'Maar het is een wolk van een jongen. Zeven pond en drie ons.' Hij klopte De Cock enthousiast op zijn schouder. 'En zal ik je eens wat vertellen? Ze hebben het kereltje naar mij vernoemd.'
'Dat schept verplichtingen.'
Bram van Wielingen spreidde zijn beide handen.
'Vind je het niet prachtig?'
De Cock knikte.
'Hoe gaat het met je dochter?'
'Goed, ik denk dat ze er morgen uit mag.'
De Cock wees naar de dode.
'Ik wil alleen maar van hem een paar plaatjes. Zijn gezicht… de sjaal… de knoop… de manier waarop hij in die stoel zit. Dan kan je wat mij betreft wel weer vertrekken.'
Bram van Wielingen schonk hem een dankbare blik. Hij liep naar zijn koffer, pakte zijn Hasselblad en monteerde een flitslicht. Terwijl de fotograaf de dode in zijn lens nam, sjokte Ben Kreuger de spreekkamer binnen. Hij keek om zich heen. Zijn gezicht stond somber. 'Ik heb met mijn vingertjes de laatste tijd weinig mazzel,' sprak hij triest. 'Het lijkt wel een epidemie… iedere misdadiger gebruikt tegenwoordig handschoenen. Dat komt door al die idiote detectiveromannetjes, die ze…'
Verder kwam hij niet. Achter hen klonk een kreet. Met een witte kaart in zijn hand kroop Vledder bij het bureau van de dokter vandaan.
Strompelend liep hij op De Cock toe.
'Gevonden.'
'In de prullenbak?'
'Nee, onder het bureau bij de muur. Hij moet tijdens de wurgworsteling over het gladde hout zijn weggegleden en achter het bureau zijn gevallen.'
De Cock nam de kaart aan en bekeek hem aandachtig. Het was een zelfde soort patiëntenkaart als de dokter voor hem was beginnen uit te schrijven.
Linksboven stond: K. Ko… meer niet. Vledder blikte hijgend op. 'Karel Koperman.'